ECLI:NL:RBNHO:2026:8567

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
C/15/380013 / JU RK 26-1055
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 1:257 BWArt. 6.1.3 JwArt. 7 Verordening Brussel-II-terArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ernstige gedragsproblemen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 10 juli 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van drie maanden en een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige in een gesloten jeugdhulpaccommodatie voor vier weken. De minderjarige vertoonde ernstig zorgelijk gedrag, waaronder agressie, schadelijk seksueel wervend gedrag en zelfbeschadiging, en had recent een incident waarbij zij van een balkon viel tijdens verblijf in een gesloten groep.

De kinderrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd. De gesloten setting is noodzakelijk om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de noodzakelijke jeugdhulp, omdat zij niet meewerkt en een groot risico vormt voor zichzelf en anderen.

De ouders zijn wisselend in hun toestemming voor de plaatsing en kunnen de situatie niet zelfstandig verbeteren. De kinderrechter achtte onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk en stelde de minderjarige voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor drie maanden. Tevens werd een spoedmachtiging verleend voor uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor vier weken. De behandeling van het verzoek wordt voor het overige aangehouden en een zitting gepland.

Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam, terwijl tegen de voorlopige ondertoezichtstelling geen hoger beroep openstaat.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing in een gesloten jeugdhulpaccommodatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380013 / JU RK 26-1055
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 9 juli 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Bij beschikking van 4 november 2025 is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, welke machtiging vervolgens is verlengd tot 4 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een spoedmachtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De Raad verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Door de omstandigheid dat de ouders en [de minderjarige] de Oekraïense nationaliteit hebben, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. [1]
4.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Er is sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, die [de minderjarige] ’s ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, omdat zij zeer zorgelijk gedrag laat zien, zoals agressief, schadelijk seksueel wervend gedrag en zelfbeschadigend gedrag. [de minderjarige] verbleef tot voor kort op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing op de gesloten groep [groep] van [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Ouders hebben lange tijd toestemming gegeven voor de plaatsing in het vrijwillig kader, maar zijn daar nu wisselend in. [de minderjarige] heeft altijd aangegeven niet op de groep te willen blijven, maar thuis te willen zijn. Op 25 juni 2026 heeft er een incident plaatsgevonden, wat geleid heeft tot het spoedverzoek van de Raad. Zij is bij [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] van het balkon gesprongen/gevallen. Daarover heeft [de minderjarige] aangegeven dat zij probeerde te ontsnappen en dat zij na de val ‘dingen’ zou hebben gezien en ongewone ervaringen ervoer. [de minderjarige] zou, in overleg met ziekenhuis en [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , na ontslag uit het ziekenhuis tijdelijk met ouders mee naar huis gaan om zo rust te creëren voor [de minderjarige] . Tijdens dit overleg heeft moeder aangegeven dat [de minderjarige] niet zal terugkeren naar de behandelgroep van [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Ook hebben ouders aangegeven geen bezoek meer te willen ontvangen van [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Moeder geeft aan dat zij zelf beter voor [de minderjarige] kan zorgen. Na thuiskomst op zaterdag 27 juni 2026 weigerde [de minderjarige] haar medicatie in te nemen. Vervolgens heeft zich een situatie voorgedaan waarbij [de minderjarige] een oplaadkabel om haar nek deed, waarna ze fysiek agressief werd naar moeder toen zij de oplaadkabel moest afpakken. Op 2 juli 2026 heeft er opnieuw een situatie voorgedaan, waarbij ze niet luisterde, met spullen gooide en anderen bedreigde met een mes en dreigde zichzelf iets aan te doen. Hierop is de politie gebeld en is opnieuw de crisisdienst ingeschakeld. [de minderjarige] heeft toen een kalmeringsmiddel gekregen en er is besloten om [de minderjarige] terug te brengen naar de groep [groep] .
4.4.
Een gesloten setting is noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat [de minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt (of daaraan door anderen wordt onttrokken) doordat zij niet luistert, niet in gesprek wil met hulpverleners en wegloopt. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen, omdat [de minderjarige] buiten een gesloten setting een te groot risico vormt voor zichzelf, maar ook voor anderen.
4.5.
[de minderjarige] werkt niet mee aan nodige hulpverlening en de zorgen om [de minderjarige] nemen juist toe. Ouders hebben niet de mogelijkheden om hier zelfstandig verandering in te brengen.
4.6.
Binnen de voorlopige ondertoezichtstelling en de (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp moet er gewerkt worden aan het doorzetten van diagnostiek en psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] en het verder zicht krijgen op wat zij nodig heeft aan zorg en hulpverlening om de zorgen om haar te kunnen verkleinen. Het is belangrijk dat er binnen de voorlopige ondertoezichtstelling steun kan zijn van/voor ouders rondom keuzes en besluiten voor [de minderjarige] . De voorlopige ondertoezichtstelling kan bijdragen aan (het versterken van) de positie van ouders, waarbij zij meer de ruimte krijgen om ouders te zijn en zij ondersteund worden in de moeilijke keuzes en beslissingen die in het belang van hun dochter gemaakt moeten worden. bij het verzoek is een instemmingsverklaring toegevoegd van een gekwalificeerde gedragswetenschapper. Hieruit blijkt dat er sprake is van zeer ernstige opgroei en opvoedingsproblemen.
4.7.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.8.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [3]
4.9.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken.
4.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
4.11.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 10 juli 2026 tot 10 oktober 2026;
5.2.
verleent een spoedmachtiging om [de minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] in [plaats] , uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 10 juli 2026 tot 7 augustus 2026;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de Raad, de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] op voor de zitting van
mr. W. Veldhuijzen van Zanten op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door
mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open. [5]

Voetnoten

1.Artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van Pro de Verordening Brussel-II-ter
2.Artikel 1:257 BW Pro.
3.Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
4.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.
5.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).