ECLI:NL:RBNHO:2026:8506

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379061 / KG ZA 26-330
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 5 BWArt. 1:247 lid 4 BWArtikel 40 eerste lid Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor vakanties minderjarige naar Servië en Italië

De moeder verzocht de voorzieningenrechter om vervangende toestemming te verlenen voor twee vakanties van hun minderjarige dochter naar Servië en Italië, nadat de vader zijn toestemming had geweigerd. De vader stelde bezwaren op grond van het ouderschapsplan, de zorgverdeling en medische zorgen over de gezondheid van de minderjarige.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het in het algemeen in het belang van het kind is om op vakantie te gaan en dat er geen objectieve redenen waren om de toestemming te weigeren. De vader kon zijn bezwaren niet voldoende onderbouwen, onder meer omdat de medische situatie van de minderjarige was opgehelderd en de moeder aan de gestelde voorwaarden had voldaan.

De door de vader gevorderde voorwaarden voor de toestemming werden grotendeels afgewezen omdat ze buitenproportioneel waren of derden betroffen die niet in de procedure waren betrokken. Wel werd bepaald dat de vader door de moeder per bericht op de hoogte moet worden gesteld van de aankomst en terugkomst van de minderjarige.

De voorzieningenrechter verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelde de vader tot betaling van de proceskosten van de moeder. De overige vorderingen van de vader werden afgewezen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verleent vervangende toestemming voor de vakanties van de minderjarige en veroordeelt de vader in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379061 / KG ZA 26-330
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. W.Y. Hofstra,
tegen
[de vader],
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. J.J.C. Engels.
Partijen zullen hierna de moeder en de vader genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met 5 producties,
- de conclusie van antwoord, met een eis in reconventie en 1 productie,
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2026. Daarbij zijn na uitroeping van de zaak de moeder, de vader en hun advocaten verschenen. Mr. Hofstra heeft gebruikgemaakt van overgelegde spreekaantekeningen en van het overige dat ter zitting is besproken zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald op uiterlijk 14 juli 2026.

2.De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

Spoedeisend belang
2.1.
Op grond van artikel 254 Rv Pro is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Omdat de geplande vakantie op korte termijn begint heeft de moeder een spoedeisend belang bij de vordering.
De gevraagde toestemming voor de twee vakanties wordt verleend
2.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt. Alvorens te beslissen moet de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproeven.
2.3.
Op de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders niet mogelijk is.
2.4.
De moeder verzoekt vervangende toestemming te verlenen zodat de dochter van partijen, [de minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] met haar oma naar Servië kan reizen en daar kan verblijven van 17 juli 2026 tot en met 30 juli 2026. Ook vraagt zij toestemming van de vader zodat hun dochter met haar vriendje en zijn familie naar Italië kan reizen en daar kan verblijven van 1 augustus 2026 tot en met 15 augustus 2026. De moeder voert aan dat de vader op 23 en 29 april 2026 schriftelijk op de hoogte is gebracht van deze vakantieplannen van [de minderjarige] . Daarnaast stelt zij dat aan de voorwaarden die de vader heeft gesteld voor zijn toestemming inmiddels is voldaan.
2.5.
De vader weigert de toestemming voor beide vakanties. Ten aanzien van de vakantie naar Servië voert hij aan dat deze vakantiereis in strijd is met artikel 3.1 van het ouderschapsplan en met artikel 1:247 lid 4 BW Pro. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de vakanties onderling worden verdeeld. Toewijzing van beide reizen leidt ertoe dat [de minderjarige] gedurende de vakantieperiode van 44 kalenderdagen 29 aaneengesloten dagen bij de moeder of onder haar aanwijzing zou verblijven, waardoor de zorg over [de minderjarige] niet meer gelijk tussen de ouders is verdeeld.
Voor wat betreft de reis naar Italië heeft de vader hoofdzakelijk bezwaren geuit die verband houden met het feit dat [de minderjarige] in een relatief korte periode drie keer een urineweginfectie heeft gehad en op 7 mei 2026 door de huisarts is verwezen naar een kinderarts. Het verdere verloop van dat traject is de vader onbekend. Voor het geval de voorzieningenrechter de vervangende toestemming voor deze reis zou verlenen verzoekt de vader in reconventie daaraan voorwaarden te verbinden.
2.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat het in het algemeen in het belang van een kind is als het op vakantie kan gaan. Uitzonderingen daarop kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder, wanneer de vakantiebestemming onveilig is of wanneer een vakantie in strijd is met de tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling.
2.7.
In dit geval is geen reden aanwezig is om de door de moeder verzochte toestemming te weigeren. Er zijn geen objectieve aanwijzingen dat deelname aan beide reizen niet in het belang is van [de minderjarige] . Uit het kindgesprek met [de minderjarige] blijkt dat zij beide reizen graag wil maken. Het is in het belang van [de minderjarige] dat zij met haar oma haar familie en vrienden in Servië kan bezoeken en dat zij met haar vriend en zijn familie naar Italië kan gaan. Daarbij speelt ook mee dat aan de voorwaarden die de vader in eerste instantie had gesteld voor de vakantie van [de minderjarige] met haar vriend is voldaan. Er heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden met de ouders van de vriend en er zijn afspraken gemaakt over alcoholgebruik en grenzen aan intimiteit.
2.8.
De vader voert aan dat het WhatsApp-gesprek met de vader van de vriend van [de minderjarige] aanleiding is voor zijn zorgen. De vader beoordeelt de positionering van deze begeleider als naïef ten aanzien van de actuele medische status en niet passend bij de zorgplicht die een reisbegeleider van een minderjarige tegenover de vader draagt. De voorzieningenrechter volgt de vader hierin niet. De WhatsApp-conversatie - die niet in het geding is gebracht - geeft op basis van de weergave daarvan in de conclusie van antwoord objectief gezien geen aanleiding voor de vrees dat de reisbegeleider zijn zorgplicht als begeleider van [de minderjarige] niet of niet goed zal nakomen. In algemene bewoording heeft de vader van de vriend van [de minderjarige] verwoord wat [de minderjarige] hem heeft verteld en heeft hij zich uitgelaten over zijn positie ten opzichte van (het conflict tussen) de ouders. Dat levert objectief bezien geen enkele grond voor de door de vader geuite zorgen.
2.9.
Naar aanleiding van het betoog van de vader over de verdeling van de zorg tussen hem en de moeder stelt de voorzieningenrechter vast dat de vakantiereizen op geen enkele wijze de moeder bij die verdeling bevoordelen. Het zijn immers allebei vakantiereizen die [de minderjarige] met andere begeleiders dan de moeder zal maken. Tot enige disbalans in de verdeling van de zorg gedurende de zomervakantie tussen beide ouders, leidt dit dus niet, wat daar verder ook van zij.
2.10.
Ook de omstandigheid dat de moeder in strijd met afspraken in het ouderschapsplan geen of onvoldoende (adequaat) informatie zou geven over de vervolgafspraak met de kinderarts geeft geen aanleiding om de vervangende toestemming voor de beide reizen niet te verlenen. De voorzieningenrechter acht het in belang van [de minderjarige] dat zij de geplande vakantiereizen kan maken. Dat belang kan niet worden ondermijnd omdat de moeder de afspraken in het ouderschapsplan niet of niet voldoende zou nakomen, wat zij overigens betwist. Dat geldt in dit geval nog meer, omdat de vervangende toestemming niet wordt verzocht voor een vakantie met de moeder. Bovendien heeft de moeder de vader ter zitting op de hoogte gesteld van de laatste stand van zaken in het medisch traject en het vervolg daarvan.
2.11.
De vader heeft in voorwaardelijke reconventie verzocht om bij het verlenen van vervangende toestemming voor de reis naar Italië voorwaarden op te leggen. De voorzieningenrechter stelt vast dat een aantal van deze voorwaarden rechtstreeks betrekking hebben op de reisbegeleider(s) van [de minderjarige] . Omdat deze niet in deze procedure zijn betrokken kan de vordering op die punten niet worden toegewezen. De moeder heeft het immers niet in haar macht om deze voorwaarden na te komen. Daarnaast is de vordering geformuleerd als een conclusie in conventie en is onduidelijk hoe deze zelfstandig in reconventie tot een toegewezen vordering zou kunnen leiden. De vordering in voorwaardelijke reconventie zal om die reden worden afgewezen.
2.12.
De voorzieningenrechter zal de voorwaardelijke reconventionele vordering - zoals ter zitting aan partijen gemeld - beoordelen als verweer tegen het verlenen van de vervangende toestemming. De door de vader gestelde voorwaarden zullen daarom hierna worden besproken.
A. Kinderarts consultatie afgerond vóór vertrek
2.13.
De voorwaarde die de vader stelt ten aanzien van het behandeltraject bij de kinderarts is te verstrekkend. De moeder heeft het niet in haar macht om aan deze voorwaarden te voldoen. Ter zitting is gebleken dat het laatste (echo-)onderzoek nog vóór het vertrek van [de minderjarige] plaatsvindt, maar onduidelijk is of de bespreking met de kinderarts ook nog voor het beoogde vertrek kan plaatsvinden. Belangrijker is nog dat inmiddels is vastgesteld dat [de minderjarige] geen blaasontsteking heeft. Alleen al dit maakt dat er geen noodzaak bestaat dat er voorafgaand aan deze reis een door de kinderarts opgesteld behandelplan is of dat er op voorhand instructies worden gegeven voor een eventuele nieuwe urineweginfectie tijdens de reis.
B. Medicatie fysiek meegenomen
2.14.
De vader heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die grond geven voor het stellen van deze voorwaarde aan de vervangende toestemming. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de moeder er niet op zal toezien dat [de minderjarige] eventueel voorgeschreven medicatie in voldoende mate zal meenemen naar Italië.
C. Geo-medische bereikbaarheid schriftelijk bevestigd
2.15.
De voorzieningenrechter vindt het in de gegeven omstandigheden te verstrekkend om van de moeder te verlangen dat zij zeven dagen voor vertrek adresgegevens en telefoonnummer e.d. verstrekt van het dichtstbijzijnde ziekenhuis, de kinderarts en over de reistijd tussen de vakantielocatie en deze voorzieningen. In de eerste plaats moet het ervoor worden gehouden dat de vader deze gegevens zelf gemakkelijk kan achterhalen. Voorts is niet gebleken dat de medische situatie van [de minderjarige] zodanig is dat deze gegevens op voorhand bekend zouden moeten zijn.
D. Verzekeringsbewijs specifiek voor pre-existente UWI-status
2.16.
Aangezien vaststaat dat [de minderjarige] geen blaasontsteking heeft is er geen pre-existente UWI-status die aan de reisverzekeraar gemeld zou moeten worden. Ter zitting heeft de moeder onweersproken gesteld dat het bewijs van de reisverzekering aan de vader is toegezonden. Voor nadere voorwaarden op dit punt bestaat dus geen grond.
E. Geen medische behandeling zonder voorafgaand overleg
2.17.
De vader heeft geen belang bij deze voorwaarde omdat deze al voortvloeit uit zijn ouderlijk gezag. De vervangende toestemming voor de vakantie voorziet immers niet in de bevoegdheid om - behoudens acuut medisch gevaar - namens de ouders en zonder overleg met hen te beslissen over een medische behandeling van [de minderjarige] .
F. Machtiging directe communicatie met behandelaars
2.18.
De vader heeft ook geen belang bij een machtiging van de moeder om direct met behandelaars van [de minderjarige] in contact te treden. De vader heeft deze bevoegdheid immers al op basis van het ouderlijk gezag. Voor zover vader alleen samen met moeder informatie kan opvragen, staat dit zodanig los van de geplande vakanties dat vader zijn toestemming niet kan laten afhangen van een dergelijke machtiging. Bovendien is niet gesteld en ook niet gebleken dat de vader in het verleden vanwege het ontbreken van toestemming van de moeder geen direct contact met behandelaars heeft kunnen leggen.
G. Contactmoment gedaagde-minderjarige
2.19.
De voorzieningenrechter zal aan de vervangende toestemming geen voorwaarde verbinden voor verplicht contact tussen [de minderjarige] en haar vader. Het is niet in het belang van [de minderjarige] dat aan de vervangende toestemming voor haar vakanties deze voorwaarde wordt verbonden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] momenteel moeizaam verloopt. Dit blijkt ook uit het kindgesprek met [de minderjarige] . Van de reisbegeleiders kan daarom niet worden verwacht dat zij [de minderjarige] dwingen om contact met de vader te hebben. De vader heeft ook niet voldoende onderbouwd waarom een (dagelijks) contactmoment tussen hem en [de minderjarige] nodig is. Zijn zorgen over haar gezondheid zijn gelet op de uitkomst van het medisch onderzoek op dit moment onvoldoende gegrond. Aannemelijk is dat [de minderjarige] gedurende deze vakantie contact met haar moeder onderhoudt. Bovendien staat zij de gehele reis onder begeleiding van (andere) volwassenen. Van hen mag en kan worden verwacht dat zij de vader informeren als het niet goed gaat met [de minderjarige] .
H. Repatriëringsprotocol
2.20.
De voorzieningenrechter vindt het in de gegeven omstandigheden te verstrekkend om van de moeder te verlangen dat op voorhand een repatriëringsprotocol wordt vastgesteld tussen de ouders en de reisbegeleiders. Niet gebleken is dat de medische situatie van [de minderjarige] zodanig is dat op voorhand afspraken moeten worden vastgelegd over repatriëring. Dat geldt nog meer omdat uit onderzoek is gebleken dat [de minderjarige] geen urineweginfectie heeft.
I. Aan- en terugkomstbevestiging
2.21.
Het is begrijpelijk dat de vader wil weten of [de minderjarige] veilig in Italië is aangekomen en in Nederland is teruggekeerd en ook dat hij aan zijn toestemming de voorwaarde verbindt dat hij daarover wordt geïnformeerd. De voorzieningenrechter zal daarom bij het verlenen van de vervangende toestemming bepalen dat de vader per WhatsApp- of e-mailbericht door de moeder op de hoogte moet worden gesteld van de aankomst van [de minderjarige] in Italië op haar vakantieverblijf en van haar terugkomst in Nederland bij de moeder.
J. Herbevestiging toezeggingen 29-04-2026 en 05-05-2026 door de moeder
2.22.
De moeder moet de vader tijdig en adequaat van informatie voorzien over het medische behandeltraject van [de minderjarige] . Van haar had in dat verband eerder een reactie mogen worden verwacht op het e-mailbericht van de vader aan haar van 1 juli 2026. De vader kan zijn toestemming voor de vakantie naar Italië echter niet afhankelijk maken van de nakoming van deze verplichting van de moeder. Dat is niet in het belang van [de minderjarige] .
K. Aanvullende Face-to-face kennismaking met de begeleiders
2.23.
Vast staat dat de vader in het kader van een eerdere reis naar Duitsland al kennis heeft gemaakt met de ouders van de vriend van [de minderjarige] . De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de vervangende toestemming de voorwaarden te verbinden dat er weer een kennismakingsgesprek plaatsvindt. Hiervoor is al geoordeeld dat het WhatsApp-gesprek tussen de vader en de vader van de vriend van [de minderjarige] geen aanleiding geeft voor de door vader genoemde zorgen. Andere redenen waarom een nadere kennismaking nodig zou zijn, zijn niet gegeven.
L. Het actief niet-faciliteren van seksuele intimiteitM. Aparte slaapkamers minderjarige en vriendjeN. Alcohol nul-verbod minderjarigeO. verklaring begeleiders bekend met vaders-gezagP. Rapportageverplichting na terugkeer
2.24.
De voorzieningenrechter kan aan de verleende toestemming geen voorwaarden verbinden waar derden aan gehouden zijn. De door vader onder L tot en met P gestelde voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Conclusie
2.25.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter de verzochte toestemming voor de beide vakanties, die de vader weigert te geven, in plaats van de vader zal verlenen en daarbij zal bepalen dat de vader door de moeder op de hoogte wordt gesteld van de aankomst van [de minderjarige] in Italië en van haar terugkomst in Nederland.
2.26.
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als een partij daartegen hoger beroep instelt.
2.27.
Ook de door de moeder gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden toegewezen. De moeder is door de vader onnodig op kosten gejaagd omdat het de vader op voorhand duidelijk moest zijn dat er geen enkele goede reden voor de weigering van de toestemming was. Het enkele feit dat wel wordt bepaald dat de vader van de aankomst en terugkeer van [de minderjarige] door de moeder op de hoogte wordt gesteld maakt dit niet anders. Er is geen grond om te veronderstellen dat de moeder aan die voorwaarde niet zou hebben willen voldoen als de vader alleen nog die aanvullende voorwaarde zou hebben gesteld.
2.28.
De kosten aan de zijde van de moeder worden in conventie begroot op:
- griffierecht € 93,00
- verschotten € 0,89
- salaris advocaat € 760,00
- nakosten
€ 189,00
Totaal € 1.042,89
2.29.
De moeder procedeert op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht (€ 93). Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij, in dit geval de moeder. Deze partij behoeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten te voldoen (artikel 40 eerste Pro lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de vader veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en ten slotte tot vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
2.30.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026: € 189). In geval van betekening wordt een extra bedrag aan salaris (per 1 februari 2026: € 98) toegekend. Omdat de moeder op toevoegingsbasis procedeert komen de explootkosten bij betekening van het vonnis niet voor vergoeding in aanmerking.
2.31.
In reconventie worden de kosten van de moeder begroot op nihil.
2.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
verleent vervangende toestemming, welke toestemming in de plaats treedt van de vereiste toestemming van de vader, voor de vakanties van de minderjarige
[de minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum]
in de periode van 17 juli 2026 tot en met 30 juli 2026 naar Servië en om aldaar in die periode te verblijven met de begeleider(s) vermeld in een door de moeder ondertekend formulier
Toestemming voor reizen met een minderjarige naar het buitenland.
en
in de periode van 1 augustus 2026 tot en met 15 augustus 2026 naar Italië en om aldaar in die periode te verblijven met de begeleider(s) vermeld in een door de moeder ondertekend formulier
Toestemming voor reizen met een minderjarige naar het buitenland.
3.2.
bepaalt dat de vader per WhatsApp- of e-mailbericht door de moeder op de hoogte moet worden gesteld van de aankomst van [de minderjarige] in Italië op haar vakantieverblijf en van haar terugkomst in Nederland bij de moeder.
3.3.
veroordeelt de vader in de proceskosten, aan de zijde van de moeder tot op heden begroot op € 1.042,89, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en bij uitblijven van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele betaling,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
wijst de vorderingen af,
3.6.
veroordeelt de vader in de proceskosten die aan de zijde van de moeder worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
1949