Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de moeder.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen, de moeder en vader, hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige zoon, geboren in 2020. Na beëindiging van hun relatie in juli 2025 is een omgangsregeling vastgesteld, die in april 2026 voorlopig werd uitgebreid, maar een verzoek tot vakantieregeling door de vader werd toen afgewezen.
De moeder wil in juli 2026 met de zoon drie weken naar Turkije op vakantie, maar de vader weigert toestemming. De moeder vordert vervangende toestemming en stelt dat de vader onrechtmatig handelt door te weigeren. De vader vordert in reconventie dat de zoon de laatste drie weken van de zomervakantie bij hem verblijft en dat hij de ID-kaart of paspoort ontvangt, alsmede de teruggave van zijn eigendommen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het in het belang van het kind is om met de moeder op vakantie te gaan, zonder gegronde redenen om toestemming te weigeren. De vader kan de gemiste contactmomenten inhalen. De reconventionele vorderingen worden afgewezen omdat een ingrijpende wijziging van de omgangsregeling een diepgaander onderzoek vereist dat niet in kort geding kan plaatsvinden. De vader wordt veroordeeld in de proceskosten, de moeder krijgt vervangende toestemming en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming om met haar zoon drie weken naar Turkije te reizen; de reconventionele vorderingen van de vader worden afgewezen.