ECLI:NL:RBNHO:2026:8471

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/379757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 5 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor vakantie met minderjarige naar Turkije verleend

Partijen, de moeder en vader, hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige zoon, geboren in 2020. Na beëindiging van hun relatie in juli 2025 is een omgangsregeling vastgesteld, die in april 2026 voorlopig werd uitgebreid, maar een verzoek tot vakantieregeling door de vader werd toen afgewezen.

De moeder wil in juli 2026 met de zoon drie weken naar Turkije op vakantie, maar de vader weigert toestemming. De moeder vordert vervangende toestemming en stelt dat de vader onrechtmatig handelt door te weigeren. De vader vordert in reconventie dat de zoon de laatste drie weken van de zomervakantie bij hem verblijft en dat hij de ID-kaart of paspoort ontvangt, alsmede de teruggave van zijn eigendommen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het in het belang van het kind is om met de moeder op vakantie te gaan, zonder gegronde redenen om toestemming te weigeren. De vader kan de gemiste contactmomenten inhalen. De reconventionele vorderingen worden afgewezen omdat een ingrijpende wijziging van de omgangsregeling een diepgaander onderzoek vereist dat niet in kort geding kan plaatsvinden. De vader wordt veroordeeld in de proceskosten, de moeder krijgt vervangende toestemming en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming om met haar zoon drie weken naar Turkije te reizen; de reconventionele vorderingen van de vader worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379757 / KG ZA 26-394
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A. Sarioglu,
tegen
[de man],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. G. Çekiç.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in recnoventie met 2 producties
- de aanvullende producties 8 tot en met 15 van de moeder
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de moeder.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 9 juli 2026 zijn verschenen de moeder, bijgestaan door mr. Sarioglu en de vader, bijgestaan door mr. F. Brouwer, als waarneemster van mr. Çekiç.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is op 4 juli 2025 geëindigd.
2.2.
Uit de relatie tussen partijen is één, nu nog minderjarige zoon geboren, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [plaats 3]. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
Ter zitting van 13 november 2025 hebben partijen ten overstaan van de voorzieningenrechter in deze rechtbank de volgende zorgregeling afgesproken:
1. De omgang van de man met zijn zoon wordt op de navolgende wijze hervat:
a. De eerste omgangsdag is woensdag 19 november 2025: de man ziet [minderjarige] bij de zwemles op de Slag; [minderjarige] gaat na afloop van de les met de vrouw naar huis;
b. Vrijdag 21 november 2025: de man haalt [minderjarige] van school om 14.15 uur en brengt hem naar de zwemles om 17.00 uur; de man kan de zwemles desgewenst bijwonen, [minderjarige] gaat na afloop van de les met de vrouw naar huis;
c. Dinsdag 25 november 2025: De man haalt [minderjarige] om 14.15 uur van school, waarna [minderjarige] omgang met hem heeft en de vrouw om 17.30 uur [minderjarige] bij de man komt ophalen;
d. Vrijdag 28 november 2025 is het programma hetzelfde als de hiervoor vermelde vrijdag 21 november 2025;
e. Na deze vrijdag wordt het programma als omschreven voor de laatste twee omgangsdagen de weken erna herhaald;
f. Indien op de dagen waarop de man volgens genoemd schema omgang met [minderjarige] zou hebben er geen school is, zal de omgang aanvangen om 12.00 uur, de man haalt [minderjarige] bij de vrouw op en duren tot 17.30 uur, de vrouw haalt [minderjarige] bij de man op. Indien op de betrokken dag wel zwemles wordt gegeven, geldt het hiervoor gemelde programma voor dagen met zwemles.
2.4.
In een vonnis van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 is de hiervoor vermelde zorgregeling voorlopig uitgebreid met anderhalf uur tot 19:00 uur op dinsdag en vrijdag na de zwemles van [minderjarige]. De door de vader verzochte vakantieregeling is toen afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:
(…)
De door de man verzochte uitbreiding met een weekend eenmaal per 14 dagen met overnachtingen en een verdeling van de vakanties betreft evenwel een ingrijpendere wijziging van de bestaande omgangsregeling. Een beslissing hierover vergt wel een meer diepgaande beoordeling en onderzoek naar de opvoedsituatie en de belastbaarheid van [minderjarige]. Een dergelijk onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. De voorzieningenrechter acht het treffen van een dergelijk vergaande voorziening in het kader van dit kort geding, daarom niet verantwoord en zal de vordering van de man in zoverre afwijzen.
2.5.
Er is geen bodemprocedure aanhangig over een eventuele aanpassing van de zorgregeling.
2.6.
De moeder is voornemens gedurende drie weken met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Turkije in de periode van 13 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026. De vader heeft de daarvoor gevraagde toestemming tot op heden geweigerd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De moeder vordert dat haar vervangende toestemming wordt verleend om in de periode van 13 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026 met [minderjarige] naar Turkije te reizen en daar te verblijven voor de duur van drie aaneengesloten weken, met veroordeling van de vader in de kosten van het geding.
3.2.
De moeder legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de vader onrechtmatig handelt jegens haar en jegens [minderjarige] door zijn toestemming te weigeren voor haar vakantie met [minderjarige]. Verder stelt zij dat zij schade lijdt omdat zij gedwongen wordt kort voor vertrek dure tickets te kopen en dat de vader aansprakelijk is voor die schade. Zij benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat hij met zijn moeder vakantie kan vieren in het buitenland.
3.3.
De vader voert verweer. Hij voert aan dat hij ook drie aaneengesloten weken vakantie met [minderjarige] wil hebben, maar dat de moeder dit met de door haar geplande vakantie onmogelijk maakt.
in reconventie
3.4.
In reconventie vordert de vader dat wordt bepaald dat [minderjarige] in de laatste 3 weken van de zomervakantie bij hem zal verblijven, dus vanaf 27 juli 2026, met veroordeling van de moeder om [minderjarige] op 27 juli 2026 aan hem over te dragen en daarbij een geldige ID-kaart of paspoort van [minderjarige] aan de vader af te geven. Daarnaast vordert hij veroordeling van de moeder tot afgifte van zijn eigendom die zich nog in de voorheen gezamenlijke woning bevinden, waaronder zijn kleding, werkkleding en spullen, telefoon en laptop.
Een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de moeder in de kosten van de reconventie.
3.5.
De moeder voert verweer. Zij voert aan dat een aaneengesloten periode van drie weken in het geding komt met haar vakantie die zij niet kan verschuiven, dat een dergelijke verdeling van de vakantieweken bij vonnis van 29 april 2026 door de voorzieningenrechter is afgewezen en dat eerst in kaart moet worden gebracht wat de belastbaarheid van [minderjarige] is voordat de omgang met de vader kan worden uitgebreid. Door toestemming aan de moeder te weigeren maakt de vader misbruik van zijn ouderlijk gezag, wat niet in het belang is van [minderjarige]. Voor de vordering tot afgifte van de zaken ontbreekt het volgens de moeder aan spoedeisen belang. Bovendien heeft zijn geen spullen van de vader onder zich.

4.De beoordeling

spoedeisend belang
4.1.
Op grond van artikel 254 Rv Pro is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Omdat de geplande vakantie op korte termijn begint hebben partijen een spoedeisend belang bij hun vorderingen. Dat geldt ook voor de vordering van de vader tot teruggave van zijn eigendommen, omdat hij recht heeft op het ongestoorde bezit en gebruik daarvan.
in conventie
4.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt. Alvorens te beslissen moet de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproeven.
4.3.
Op de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders niet mogelijk is.
4.4.
De moeder verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Turkije te reizen en daar te verblijven van 13 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026. De moeder voert aan dat de vader tijdig schriftelijk op de hoogte is gebracht van de (oorspronkelijke) vakantieplannen van de moeder met [minderjarige] in de periode van 20 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026. Na bericht van de vader dat hij ook drie weken vakantie wil met [minderjarige], heeft de moeder via haar advocaat meegedeeld dat zij de vakantieperiode aanpast naar 13 juli 2026 tot en met 3 augustus 2026.
4.5.
De vader weigert de toestemming voor deze vakantie omdat de moeder niet heeft gezorgd voor een verdeling van de vakantie bij helfte, waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij elk van de ouders verblijft, maar met haar planning het voor de vader onmogelijk maakt om ook drie aaneengesloten weken vakantie te houden met [minderjarige].
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat het in het algemeen in het belang van een kind is als het op vakantie kan met (één van) zijn ouders. Uitzonderingen daarop kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder, wanneer de vakantiebestemming onveilig is of wanneer een vakantie in strijd is met de tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling.
4.7.
In dit geval is geen gegronde reden aanwezig om de door de moeder verzochte toestemming te weigeren. Er zijn geen objectieve aanwijzingen dat deelname aan deze reis niet in het belang is van [minderjarige]. Het is in het belang van [minderjarige] en van de moeder dat zij drie aaneengesloten weken vakantie kunnen houden op de wijze zoals zij dat nu wensen. Dat daarmee de afspraken over de omgang van [minderjarige] met de vader worden doorkruist, maakt dit niet anders. De moeder heeft immers aangeboden dat de vader de gemiste contactmomenten na de bewuste vakantie in Turkije kan inhalen. Onder die omstandigheden wegen de belangen van [minderjarige] en de moeder bij een aaneengesloten vakantie in Turkije van drie weken zwaarder dan het belang van de vader bij een ongewijzigde uitvoering van de omgangsregeling. De periode is ook niet zo lang dat daarmee zodanig afbreuk wordt gedaan aan het regelmatige contact van de vader met [minderjarige] dat dit in redelijkheid niet van de vader kan worden gevergd.
4.8.
De voorzieningenrechter zal daarom de verzochte toestemming voor de vakantie, die de vader weigert te geven, in plaats van de vader verlenen.
4.9.
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als een partij daartegen hoger beroep instelt.
4.10.
De vader is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De moeder is door de vader onnodig op kosten gejaagd omdat - mede gelet op het vonnis van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 - op voorhand duidelijk was dat er geen enkele goede reden voor de weigering van de toestemming was. De vader heeft de weigering van zijn toestemming gebruikt om alsnog een verruiming van de omgang met [minderjarige] af te dwingen, die recent door de voorzieningenrechter was geweigerd. De proceskosten van moeder worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02
in reconventie
de vakantie, de overdracht van [minderjarige] en de afgifte van een ID-kaart of paspoort
4.11.
De vader vordert dat wordt bepaald dat [minderjarige] de laatste drie weken van de zomervakantie, vanaf 27 juli 2026 bij hem zal verblijven en dat [minderjarige] op 27 juli 2026 aan hem wordt overgedragen. Daarnaast vordert hij voor die periode afgifte van een geldige ID-kaart of paspoort van [minderjarige].
4.12.
Deze vorderingen zullen worden afgewezen. De omgang van de vader van [minderjarige] gedurende een aaneengesloten periode van drie weken betekent tijdelijk een ingrijpende intensivering van de bestaande omgangsregeling. Evenals de voorzieningenrechter in het vonnis van 29 april 2026 heeft overwegen geldt ook nu dat een beslissing hierover een meer diepgaande beoordeling en onderzoek vraagt naar de opvoedsituatie en de belastbaarheid van [minderjarige]. Zo’n onderzoek kan niet plaatsvinden in dit kort geding. De voorzieningenrechter acht het treffen van een dergelijk vergaande voorziening in het kader van dit kort geding, daarom niet verantwoord. Daar komt bij dat door de vader geen feiten en omstandigheden zijn aangedragen over de omgang tussen hem en [minderjarige] in de periode na het vonnis van 29 april 2026, zodat er ook geen aanleiding is om nu anders te oordelen.
4.13.
Voor zover de vordering tot overdracht van [minderjarige] aan de vader op 27 juli 2026 zelfstandige betekenis toekomt, zal deze worden afgewezen. [minderjarige] verblijft op dat moment met de moeder in Turkije en een overdracht op deze datum past ook niet in de geldende omgangsregeling.
4.14.
Voor de vordering tot afgifte van een ID-kaart of paspoort geldt dat de vader geen concrete plannen heeft genoemd waarvoor hij met [minderjarige] naar het buitenland moet reizen. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat hij nu geen belang heeft bij zijn vordering. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de moeder een ID-kaart of paspoort niet kan achterhouden omdat de vader het bsn-nummer van [minderjarige] niet zou mogen weten.
De afgifte van kleding, werkkleding en spullen, telefoon en laptop
4.15.
Ook deze vordering zal worden afgewezen omdat onvoldoende vast staat dat de moeder deze zaken onder zich heeft. Ter zitting heeft de moeder toegezegd dat zij de spullen van de vader die zij onder zich heeft zal klaarzetten, zodat de vader deze kan ophalen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de moeder deze toezegging zal nakomen. Voor toewijzing van de vordering moet echter vaststaan dat de moeder de gevorderde zaken onder zich heeft. Omdat zij dat ter zitting heeft betwist, is hiervoor nadere bewijslevering nodig waarvoor dit kort geding geen ruimte biedt.
4.16.
De proceskosten in conventie zullen zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
verleent aan de moeder vervangende toestemming, welke toestemming in de plaats treedt van de vereiste toestemming van de vader, om met de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [plaats 3]
in de periode van 13 juli 2026 tot en met 03 augustus 2026 naar Turkije te reizen en aldaar te verblijven gedurende drie aaneengesloten weken,
5.2.
veroordeelt vader in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als vader niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen af,
5.5.
compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
1155