ECLI:NL:RBNHO:2026:8455

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/15/377839
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing kinderen in pleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De kinderen verblijven in een perspectief biedend pleeggezin. De vader is wisselend betrokken en heeft aangegeven afstand te willen doen van het gezag, terwijl de moeder achter de plaatsing staat maar meer omgang wenst.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de GI, de moeder, de pleegouders en de partner van de moeder aanwezig. De vader was niet verschenen. De kinderrechter heeft met [de minderjarige 1] gesproken en haar wensen meegenomen in de beoordeling.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is om het perspectiefbesluit uit te voeren en het verblijf bij de pleegouders te waarborgen. Er blijven zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, met name over het gedrag van [de minderjarige 1] dat mogelijk voortkomt uit haar verleden. De GI moet zicht houden op de hulpverlening en de omgang tussen de kinderen en de moeder monitoren en waar nodig uitbreiden.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen worden verlengd tot 6 juni 2027.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377839 / JU RK 26-733
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna samen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de pleegouder 1]en
[de pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026;
  • de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 12 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de pleegouders;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [de partner van de moeder] , de partner van de moeder, om tijdens de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
De vader is, zonder afmeldbericht, niet verschenen.
1.5.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven samen in het perspectief biedende pleeggezin van de pleegouders.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 8 juni 2018 is [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 8 juni 2019. Die ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot
8 december 2019.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 6 juni 2023 zijn [de minderjarige 1] en de toen nog ongeboren [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Die ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 6 juni 2026.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 juli 2023 is een machtiging verleend om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2024 (bekrachtigd bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 mei 2024) is deze machtiging verlengd en is ook een machtiging verleend om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen. De machtigingen om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen zijn daarna verlengd en duren nu nog tot 6 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar. Zij verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek als volgt. Er zijn nog steeds grote zorgen over de kinderen op verschillende leefgebieden. [de minderjarige 1] is gevoelig voor veel prikkels en heeft behoefte aan structuur en voorspelbaarheid. Zij vertoont gedrag dat mogelijk voortkomt uit haar belaste verleden. Het is daarom positief dat zij hulp krijgt. In de komende periode moet onderzocht worden of vervolghulp nodig is. De vader is wisselend over het willen van contact met de kinderen en zijn betrokkenheid als gezaghebbende vader. Hij is slecht bereikbaar voor zaken waarover hij als gezaghebbende ouder geraadpleegd dient te worden, waardoor de hulpverlening vastloopt. De vader heeft aangegeven “afstand te willen doen” van het gezag over de kinderen. Zolang de vader nog gezag heeft, blijft de inzet van het gedwongen kader noodzakelijk. De moeder is niet in staat om samen met de vader, mede gelet op zijn houding, gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel de moeder achter de plaatsing van de kinderen bij de pleegouders staat, wil zij graag meer omgang met de kinderen. Voor [de minderjarige 1] kan deze omgang emotioneel belastend zijn. Zo laat zij na een omgangsmoment met de moeder vaak zichtbaar spanning zien, ook op school. Het is dan ook noodzakelijk dat de GI het komende jaar regie blijft voeren op de (begeleide) omgang tussen de kinderen en de moeder. De belastbaarheid van [de minderjarige 1] moet goed in de gaten worden gehouden.
3.3.
De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat zij nog wacht op de informatie uit de onderzoeken van de hulpverlening, zodat daarna kan worden bekeken wat [de minderjarige 1] daadwerkelijke behoefte is voor de omgang met de moeder. Er wordt niet meer geprobeerd de vader te betrekken in het leven van de kinderen, maar de kinderen moeten wel over hem worden geïnformeerd. Tijdens de omgangsmomenten vertelt de moeder [de minderjarige 1] op een fijne manier over de vader. De GI zal het komende jaar onderzoeken of het nodig is dat zij het gezag krijgt over de kinderen, om de moeder te ontlasten van regelzaken.

4.De standpunten

4.1.
Uit wat tijdens de zitting is besproken, leidt de kinderrechter af dat de moeder het eens is met de verzoeken. Tijdens de omgangsmomenten heeft de moeder moeite om bij [de minderjarige 1] aan te sluiten, vooral door [de minderjarige 1] drukke en snel afgeleide gedrag. Hoewel de moeder het liefst wil dat de begeleide omgang met de kinderen wordt uitgebreid, begrijpt zij dat de GI op dit moment nog moet onderzoeken wat nodig is voor [de minderjarige 1] in de omgang.
4.2.
De pleegouders hebben aangegeven dat zij alleen voor [de minderjarige 1] een extra zorgvraag hebben. Sinds de omgangsmomenten tussen [de minderjarige 1] en de moeder bij de pleegouders plaatsvinden, gaat het beter met de spanning die [de minderjarige 1] rond de omgangsmomenten ervaarde. Een gezin uit het netwerk van de pleegouders kan de kinderen nu af en toe in het weekend opvangen.

5.De mening van [de minderjarige 1]

5.1.
vindt het fijn om bij de pleegouders te wonen. Wel wil zij de moeder graag wat vaker zien.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
In de beschikking van de kinderrechter van 5 juni 2024 staat dat de moeder zich heeft neergelegd bij het perspectiefbesluit van de GI en dat het perspectief van de kinderen bij hun pleeggezin ligt.
6.3.
Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is nodig om het perspectiefbesluit uit te voeren en om het verblijf van de kinderen bij de pleegouders te behouden. Het is positief dat de kinderen bij de pleegouders de nodige structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid krijgen. Toch zijn er nog steeds zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. [de minderjarige 1] laat specifiek gedrag zien wat mogelijk het gevolg is van gebeurtenissen die zij in het verleden heeft meegemaakt. Zij krijgt hulp van het Kinder- en Jongerentraumacentrum en is sinds februari 2026 gestart met Psychomotorische therapie (hierna: PMT). Het is belangrijk dat de GI hier zicht op houdt en mogelijk vervolghulp inzet. Ook is het belangrijk dat de GI zich richt op de omgang tussen de kinderen en de moeder. De kinderen hebben nu allebei afzonderlijk begeleide omgang met de moeder, wat inmiddels best goed gaat. Het is alleen nog onduidelijk of [de minderjarige 1] meer omgang met de moeder wil, of dat zij meer uit het huidige omgangsuur met de moeder wil halen. Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat daarom eerst via PMT onderzocht moet worden wat [de minderjarige 1] specifieke behoefte is voor de omgang met de moeder. Pas daarna kan worden bekeken of de omgang kan worden uitgebreid. De kinderrechter geeft de GI mee zich het komende jaar met name te richten op twee doelen: 1) de veiligheid en positieve ontwikkeling van de kinderen waarborgen en 2) de omgang tussen de kinderen en de moeder monitoren en waar dat in het belang van de kinderen is, uitbreiden. Daarnaast moet de GI zich (blijven) richten op de kennis van de kinderen over de vader, omdat het voor de kinderen belangrijk is dat zij weten wie hun vader is.
6.4.
Tijdens de zitting heeft de GI naar voren gebracht zich te beraden over de vraag of niet alleen gezagsbeëindiging ten aanzien van de vader, maar ook gezagsbeëindiging ten aanzien van de moeder nodig is. Op dit moment ligt een dergelijk verzoek nog niet voor bij de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter heeft de GI meegegeven goed te onderzoeken of dat traject in dit geval, met een moeder die zich heeft neergelegd bij het perspectief van de kinderen, goed in beeld is bij de GI en goed met de hulpverlening meewerkt, noodzakelijk is in het belang van de kinderen.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]tot 6 juni 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]in een pleeggezin tot 6 juni 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.