ECLI:NL:RBNHO:2026:8443

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
HAA 26/2517 en 26/2492
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:68 AwbArt. 8:81 AwbArt. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijke opvanglocatie asielzoekers

Deze uitspraak betreft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen twee omgevingsvergunningen voor een tijdelijke opvanglocatie voor maximaal 255 asielzoekers voor een periode van maximaal vijf jaar. Verzoeker betwist de vergunningen en vordert onder meer schorsing van het besluit en stillegging van werkzaamheden.

De voorzieningenrechter beoordeelt of verzoeker belanghebbende is en of er sprake is van onverwijlde spoed. Hoewel de afstand tussen verzoekers woning en de opvanglocatie ongeveer 1,3 kilometer bedraagt, wordt verzoeker voorshands als belanghebbende aangemerkt. Het spoedeisend belang wordt erkend omdat de werkzaamheden reeds zijn gestart.

De voorzieningenrechter gaat niet in op alle aangevoerde bezwaren, zoals milieuzonering en veiligheid, vanwege het relativiteitsvereiste. Participatie van omwonenden is niet verplicht volgens de Omgevingswet en de gebrekkige participatie leidt niet tot vernietiging van de vergunning. Het college heeft voldoende onderzoek verricht naar verkeersveiligheid, leefbaarheid en sociale veiligheid, en de motivering is toereikend.

Verzoeker heeft geen concreet en gelijkwaardig alternatief aangetoond dat minder bezwaren oplevert. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen en dat de vergunningen in stand blijven. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunningen voor de tijdelijke opvanglocatie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/2517 en HAA 26/2492

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Breezand, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon

(gemachtigde: mr. M.J.P. Kamp).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COA) uit Den Haag,
(gemachtigde: mr. J. Zweers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over twee omgevingsvergunningen voor een tijdelijke opvanglocatie voor maximaal 255 personen, voor een periode van maximaal 5 jaar. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het COA heeft op 15 september 2025 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers op de Balgweg 105 in Breezand.
Op 2 februari 2026 heeft het COA de aanvraag aangevuld. Het college heeft op 8 april 2026 aan het COA een omgevingsvergunning verleend voor een Bouwactiviteit (omgevingsplan buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) (met kenmerk Z-572886) en een omgevingsvergunning Bouwactiviteit (omgevingsplan en techniek) (met kenmerk Z-585913). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door [naam 1] , voor verweerder
[naam 2] en diens gemachtigde en voor het COA [naam 3] en diens gemachtigde.
2.3
Na het onderzoek op zitting heeft verzoeker bij emails van 29 en 30 juni 2026 nog nader gereageerd. De inhoud van deze emails laat de voorzieningenrechter evenwel buiten beschouwing. Vast staat dat de hoorzitting in het kader van de bezwaarschriftenprocedure inmiddels op 29 juni 2026 heeft plaatsgevonden zodat de beslissing op het bezwaar van verzoeker binnenkort valt te verwachten. Procedureel ligt het daarom niet in de rede om het onderzoek in deze spoedprocedure onder toepassing van artikel 8:68 van Pro de Awb te heropenen. Zo nodig kan verzoeker – indien hij ook na de hoorzitting en de daaropvolgende beslissing op bezwaar met het college van mening blijft verschillen – na die beslissing opnieuw hangende een eventuele beroepsprocedure om een voorlopige voorziening verzoeken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om a) het bestreden besluit te schorsen, b) de werkzaamheden per direct stil te leggen en c) een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht.
Is verzoeker belanghebbende?
4.1
Uitgangspunt van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat uitsluitend een ‘belanghebbende’ bezwaar kan maken tegen een besluit [1] . In de Awb [2] wordt onder ‘belanghebbende’ verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende.
4.2.
Degene die geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteit die de omgevingsvergunningen toestaan, heeft geen persoonlijk belang bij die besluiten. Die persoon onderscheidt zich onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zijn, wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.3
Vast staat dat de afstand tussen de woning van verzoeker en de opvanglocatie ongeveer 1,3 kilometer bedraagt. Dit roept de de vraag op of verzoeker wel aangemerkt kan worden als belanghebbende. Vooralsnog is niet geheel duidelijk of, en zo ja, in welke omvang verzoeker van het gewijzigde gebruik van de locatie ruimtelijke gevolgen zal kunnen ondervinden. In het kader van deze voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter verzoeker evenwel het voordeel van de twijfel gunnen en hem voorshands als belanghebbende aanmerken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter dus het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk zal beoordelen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat het primair aan het college is om op dit punt in het kader van de bezwaarprocedure te beslissen. Het college is niet gebonden aan het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter.
Spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang in dit geval gegeven, omdat de werkzaamheden gestart zijn.
Relativiteitsvereiste
6. In het bestuursrecht geldt het uitgangspunt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven regel of een algemeen rechtsbeginsel, als die regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degen die zich daarop beroept. Dit is het relativiteitsvereiste. Op grond van dit vereiste, gaat de voorzieningenrechter in deze uitspraak niet verder in op de argumenten van verzoeker over de milieuzonering, geluid op de opvanglocatie en veiligheid op de opvanglocatie. Deze aspecten raken de belangen van degenen die op de opvanglocatie verblijven, niet de belangen van verzoeker.
Participatie
7. Volgens verzoeker heeft het college op 16 juli 2024 een voorlopig besluit genomen over de aangewezen opvanglocaties. Verzoeker stelt dat de informatie- en participatieovereenkomsten veel later zijn georganiseerd en vooral betrekking hadden op uitvoeringsaspecten zoals verlichting. Omwonenden konden weliswaar reageren op de uitvoering van het plan maar niet op de fundamentele keuzes die daaraan ten grondslag lagen.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat participatie bij omgevingsvergunningen in de Omgevingswet is gericht op de aanvrager. Daarbij is het uitgangspunt dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is, maar gesteld nog gebleken is dat dit in dit geval is gebeurd. Ook bevat de Omgevingswet geen verplichting voor het college om aan participatie te doen. Kortom; de wet bevat geen verplichting om omwonenden vooraf te betrekken bij dit project. Nu participatie voor dit project dus niet verplicht is, kan de gestelde omstandigheid dat de participatie gebrekkig was, ook als dat inderdaad zo is, niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning om die reden niet verleend had mogen worden. Daarbij komt dat uit de huidige rechtspraak volgt dat participatie niet betekent dat er ook overeenstemming moet zijn bereikt.
Verkeersveiligheid, leefbaarheid en effecten op de leefomgeving
9. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er geen integraal onderzoek is verricht naar veiligheid, leefbaarheid en effecten op de omgeving. Wat veiligheid betreft, doelt verzoeker op verkeersveiligheid en openbare orde. Volgens verzoeker zijn de gevolgen voor hem disproportioneel (onevenredig).
10. Het college bestrijdt dat er onvoldoende onderzoek naar deze aspecten zou zijn verricht. In het bestreden besluit en de onderliggende stukken is gemotiveerd waarom de tijdelijke opvanglocatie, gelet op aard, omvang, duur, inrichting, constructie en voorschriften, ruimtelijk aanvaardbaar is. De Goede Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (GoFlo), inclusief bijlagen, maakt deel uit van het besluit en onderbouwt dat aan de eisen wordt voldaan.
11. Voor de verkeersveiligheid geldt het volgende. In de GoFlo zijn de effecten van de tijdelijke opvanglocatie op verkeersgeneratie, ontsluiting en parkeren afzonderlijk beoordeeld. Daarin staat dat er sprake is van beperkte verkeersaantrekkende werking, waardoor zowel de verkeerssituatie als de ontsluiting niet verslechterd. Bij gebreke van verifieerbare en controleerbare informatie welke op het tegendeel wijst ziet de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende reden om deze conclusie wezenlijk in twijfel te trekken.
12. Paragraaf 4.14 van de GoFlo gaat over het aspect sociale veiligheid. Hierin staat dat factoren zoals informeel toezicht op de openbare ruimte, persoonlijke controle over de (‘eigen’) omgeving en het imago van het (totale) gebied kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid. Ook staan daarin de maatregelen genoemd die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang. Verder is op zitting betoogd dat dit gemonitord gaat worden er eventueel een nadere uitwerking plaats gaat vinden, al naar gelang de dan geldende situatie. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee ook dit element voldoende gemotiveerd.
Alternatieve locaties?
13. Verzoeker stelt dat alternatieve locaties of minder belastende varianten onvoldoende kenbaar zijn onderzocht.
14. De voorzieningenrechter kan het college volgen in het standpunt dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het college heeft naar voorlopig oordeel voldoende gemotiveerd waarom vergunningverlening aanvaardbaar is. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het COA een concreet, beschikbaar en gelijkwaardig alternatief voorhanden heeft waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Voor het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt is daarom onvoldoende aanleiding.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat beide vergunningen in stand blijven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.