ECLI:NL:RBNHO:2026:8313

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
HAA 26/3232
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 2:75a APV HaarlemArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verblijfsontzegging centrum Haarlem

Verzoeker is op 6 juni 2026 aangehouden wegens openlijke geweldpleging en kreeg daarop een verblijfsontzegging opgelegd voor het centrum van Haarlem voor twaalf weken. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de werking van het besluit te schorsen of te beperken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich noodzakelijkerwijs in het centrum moet bevinden, ondanks zijn werkzaamheden als maaltijdbezorger bij een restaurant buiten het centrum. De verblijfsontzegging is gebaseerd op een ernstige verstoring van de openbare orde en is gegrond op artikel 2:75a van de APV Haarlem.

De voorzieningenrechter concludeert dat de belangen van de openbare orde zwaarder wegen dan het belang van verzoeker en dat de verblijfsontzegging naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verblijfsontzegging wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3232

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Haarlem, verzoeker

(gemachtigde: mr. O. Saaliti),
en

de burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: B. Hoos).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met een opgelegde verblijfsontzegging. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.3.
Naar aanleiding van de aanhouding van verzoeker op 6 juni 2026 in verband met een op die dag, omstreeks 3.10 uur, gepleegd strafbaar feit in de zin van artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten openlijke geweldpleging, heeft verweerder met het besluit van 6 juni 2026 verzoeker een verblijfsontzegging opgelegd voor het centrum van Haarlem voor de duur van twaalf weken. De verblijfsontzegging is ingegaan op 6 juni 2026 en eindigt op 29 augustus 2026. Dat betekent dat het voor verzoeker verboden is om zich in deze periode in het centrum van Haarlem te bevinden, met uitzondering van het openbaar vervoer, voor zover verzoeker in het bezit is van een geldig vervoersbewijs.
1.4.
Op 23 juni 2026 heeft verzoeker tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende primair dat de werking van het besluit wordt geschorst en subsidiair dat de verblijfsontzegging wordt beperkt in duur en/of omvang waarbij verzoeker wordt toegestaan zich voor de duur van zijn werkzaamheden binnen het betreffende gebied te begeven.
1.5.
Verweerder heeft op 6 juli 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat van een spoedeisend belang niet is gebleken en de verblijfsontzegging naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar in stand zal kunnen blijven. Daartoe overweegt hij als volgt.
2.2.
Op grond van artikel 2:75a, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem (APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde aan degene die de openbare orde verstoort door een of meer, door de burgemeester nader te bepalen, wettelijke bepalingen te overtreden een verbod opleggen zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste twaalf weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.
2.3.
Op grond van artikel 2:75a, derde lid, van de APV, kan de burgemeester het verbod als bedoeld in het eerste lid beperken, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Van deze beperking dient in uitzonderingsgevallen gebruik te worden gemaakt. Bijvoorbeeld ingeval de betrokkene in het gebied waarin de ontzegging van kracht is, werkt, woont of zijn postadres heeft, noodzakelijk een bezoek moet brengen aan een hulpverleningsinstantie, huisarts e.d. Het is aan de betrokkene de noodzaak hiertoe aan te tonen. [1]
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker heeft aangegeven dat hij al vijf jaar werkt als allround medewerker bij [restaurant] in Haarlem en dat zijn werkzaamheden grotendeels bestaan uit het bezorgen van maaltijden. De mogelijkheid om zich vrij binnen het centrum van Haarlem te verplaatsen vormt een essentieel onderdeel van zijn functie. Dit standpunt wordt door verzoeker onderbouwd met een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring. Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat de verzoeker met ingang van 1 november 2021 in dienst is getreden als invalkracht-nuluren en dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op 1 mei 2022. Uit de werkgeversverklaring volgt dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 is omgezet naar een vast dienstverband van 28 uur per week en dat tot de werkzaamheden van verzoekers onder andere behoren het bezorgen van maaltijden, keukenwerkzaamheden en frontdeskwerkzaamheden.
Standpunt van verweerder
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker geen zwaarwegend belang heeft om zich in het centrum te begeven tot en met 29 augustus 2026. Verzoeker is niet werkzaam in het centrum van Haarlem. Dat er bij het restaurant waar hij werkzaam is soms bestellingen worden geplaats die in het centrum moeten worden afgeleverd, is naar het oordeel van verweerder geen zwaarwegend belang. Het is ook niet mogelijk om voor iedere bestelling uitzonderingen te maken (waarvoor men eventueel in het centrum moet zijn) voor werkgerelateerde verplaatsingen, omdat het op voorhand niet duidelijk is op welke locatie de bestellingen afgeleverd zullen gaan worden. Voor de bezorging van bestellingen voor locaties in het centrum, kan [restaurant] ook gebruik maken van de bezorgers van Thuisbezorgd, aangezien zij zich hierbij heeft aangesloten. Verzoeker kan dus wel nog bestellingen leveren bij alle klanten buiten het centrum van Haarlem. Daarbij komt dat verzoeker in dienst was bij zijn werkgever als invalkracht op basis van een nulurencontract. Deze arbeidsovereenkomst lijkt op 1 mei 2022 al van rechtswege te zijn beëindigd (zie hiervoor artikel 1.2 van de door verzoeker overgelegde arbeidsovereenkomst). Hoewel uit de werkgeversverklaring blijkt dat verzoeker per 1 februari 2026 een vast contract heeft gekregen voor 28 uur per week, is deze arbeidsovereenkomst niet overgelegd. Uit de werkgeversverklaring blijkt echter dat verzoeker, naast het bezorgen van maaltijden, ook keukenwerkzaamheden en frontdeskwerkzaamheden verricht. Dit kan verzoeker ook gewoon blijven doen, omdat deze werkzaamheden op locatie (en dus buiten het centrum) worden verricht.
Oordeel voorzieningenrechter
5.1.
Verweerder heeft afdoende gemotiveerd waarom verweerder verzoeker een verblijfsontzegging heeft opgelegd. Artikel 2:75a, eerste lid, van de APV biedt hiervoor de grondslag. Verweerder heeft naar voorlopig oordeel het belang van de verblijfsontzegging zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoeker om in het centrum van Haarlem te verblijven.
5.2.
De verblijfsontzegging is opgelegd wegens een aannemelijk te achten ernstige verstoring van de openbare orde in het centrum in Haarlem door verzoeker. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in zijn geval niet tot een verblijfsontzegging over had mogen gaan. Vast staat dat verzoeker niet woonachtig is en ook niet naar school gaat in het centrum van Haarlem en dat het restaurant waar verzoeker voor werkt gevestigd is in Schalkwijk. De door verzoeker overgelegde informatie toont onvoldoende de noodzaak voor verzoeker aan om zich voor 29 augustus 2026 in het centrum van Haarlem te begeven. De verblijfsontzegging is op 6 juni 2026 aangevangen, terwijl het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan op 23 juni 2026. Verzoeker heeft gesteld dat zijn werkzaamheden grotendeels bestaan uit het bezorgen van maaltijden en dat de mogelijkheid om zich vrij binnen het centrum van Haarlem te verplaatsen een essentieel onderdeel van zijn functie vormt. Dat dit ook zo is, is niet aannemelijk gemaakt. Uit de werkgeversverklaring volgt immers dat verzoeker, naast het bezorgen van maaltijden, ook keukenwerkzaamheden en frontdeskwerkzaamheden verricht. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waarom verzoeker deze werkzaamheden niet gewoon kan blijven doen, omdat deze werkzaamheden op locatie (en dus buiten het centrum) worden verricht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het door verzoeker gestelde nadeel voor hem van de verblijfsontzegging een omstandigheid is die is verdisconteerd in de aard van dit besluit en – behoudens uitzonderlijke omstandigheden welke niet zijn gebleken – voor zijn rekening en risico moeten worden gelaten.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie van de voorzieningenrechter is daarom dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening en dat de verblijfsontzegging in bezwaar naar alle waarschijnlijkheid in stand zal kunnen blijven. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de Beleidsregel ex artikel 2:75a van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlem (verblijfsontzegging).