ECLI:NL:RBNHO:2026:8245

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/15/371800 / JU RK 25-1613
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen

De kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 1 juni 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. De kinderen verblijven deels bij de vader en deels bij de oma vaderszijde, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming het verzoek tot verlenging indiende. De moeder was niet aanwezig bij de zitting en stemt niet in met de uithuisplaatsing bij de vader.

Tijdens de zitting gaf de Raad aan dat ondanks positieve signalen over de situatie bij de vader, er nog steeds zorgen zijn over de mentale toestand van de moeder en de veiligheid van de kinderen. De GI had de zaak op een wachtlijst geplaatst, waardoor geen vaste jeugdbeschermer was toegewezen en weinig actie was ondernomen. De kinderrechter veroordeelde dit gebrek aan handelen als kwalijk en benadrukte het belang van snelle en adequate hulpverlening.

De kinderen gaven aan tevreden te zijn met hun huidige woonplaatsen en contactmomenten met de ouders. De kinderrechter oordeelde dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371800 / JU RK 25-1613
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
-
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
-
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
-
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
hierna samen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.D. Balesar uit Heerhugowaard,
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
hierna samen met de vader te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. B. Kochheim-Bossink uit Aerdenhout,
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermerste Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de beschikking van 2 december 2025 mee in de beoordeling.
1.2.
Op 1 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De moeder is, zonder afbericht, niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wonen bij de vader. [de minderjarige 1] staat ingeschreven bij de vader, maar feitelijk verblijft zij bij de oma vaderszijde (vz).
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 maart 2025 is een verzoek van de Raad om de kinderen onder toezicht te stellen, afgewezen.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 2 december 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 2 december 2026. Ook is daarbij een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen bij de met het gezag belaste vader tot 2 juni 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden. De zitting is daarna gepland op 1 juni 2026.

3.Het resterende verzoek

3.1.
De Raad verzoekt – met wijziging en zoals de kinderrechter begrijpt – de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin (te weten: bij de oma (vz)) te verlenen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de met het gezag belaste vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat de moeder het niet eens is met de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader. De Raad heeft aanvullende stukken gelezen van de GI en met de GI gesproken. Ook heeft de Raad voorafgaand aan de zitting kort met de vader gesproken. De Raad begrijpt dat het goed gaat bij de vader en dat nog steeds zorgen zijn over de mentale situatie en het verwarde gedrag van de moeder. De Raad zal de komende maand een netwerkscreening doen bij de oma (vz) en de GI zal daar een veiligheidscheck doen. Ook gaat de Raad het uittreksel justitiële documentatie van de vader opvragen. Hoewel de Raad positieve signalen heeft ontvangen over de huidige situatie vanuit de kinderen en de vader, vindt de Raad het wel belangrijk om deze stappen te zetten.

4.De verdere standpunten

4.1.
De vader en zijn advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de vader het eens is met het resterende en gewijzigde verzoek, omdat dat meer rust geeft en [de minderjarige 1] bij de oma (vz) op haar plek zit. Het gaat goed met de kinderen in de huidige situatie. Wel was de afgelopen periode best zwaar voor de vader, omdat hij veel praktische en financiële zaken moest regelen voor de kinderen. Ook heeft hij contactmomenten tussen de kinderen en de moeder geregeld. De vader hoopt nu dan ook dat de GI snel hulpverlening inzet. De moeder stemt (nog) niet in met de inschrijving van [de minderjarige 3] op een school bij de vader in de buurt.
4.2.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij minimaal contact heeft met de moeder. Zij kan daarom geen standpunt innemen over het resterende en gewijzigde verzoek, maar zij weet wel dat de moeder de kinderen graag wil zien. Bij de vorige zitting gaf de moeder aan dat zij wil dat de kinderen weer bij haar komen wonen.
4.3.
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat de zaak op de wachtlijst stond, zodat geen stappen zijn gezet. De GI heeft alleen gesproken met de ouders en de kinderen. Tijdens de zitting heeft de GI aangegeven dat een vaste jeugdbeschermer de zaak direct zal oppakken. Er is een plan van aanpak opgesteld, ook voor de aanmelding van de vader voor opvoedondersteuning.

5.De (verdere) mening van de kinderen

5.1.
[de minderjarige 1] vindt het fijn om bij de oma (vz) te wonen en ziet de vader vaak. Zij ziet de moeder niet heel vaak, maar daarin hoeft van haar geen verandering te komen.
5.2.
[de minderjarige 2] vindt het fijn om bij de vader te wonen. Hij ziet de moeder ongeveer twee keer per week en dat vindt hij prima.
5.3.
[de minderjarige 3] vindt het ook fijn om bij de vader te wonen. Ook zij ziet de moeder ongeveer twee keer per week. [de minderjarige 3] heeft zin om naar de nieuwe school bij de vader in de buurt te gaan, omdat ze daar al vriendjes heeft.

6.De verdere beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] Ook voor [de minderjarige 1] is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Omdat [de minderjarige 1] eerst op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar vader verbleef, maar nu met een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar oma gaat verblijven, zal voor haar een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend. De zorgen ten aanzien van de kinderen zoals genoemd in de beschikking van 2 december 2025 zijn nog steeds aanwezig.
6.2.
De kinderrechter stelt vast dat de GI en de Raad de afgelopen maanden geen actie hebben ondernomen, terwijl in de beschikking duidelijk is vermeld wat van hen werd verwacht en de zaak daarvoor zelfs is aangehouden. De GI heeft intern de keuze gemaakt om de uitvoering van de ondertoezichtstelling op “oranje” te zetten, waardoor deze op wachtlijst bij de GI terecht is gekomen. Daardoor is geen vaste jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld en is, behalve een aanmelding voor opvoedondersteuning van de vader, niets gebeurd. Ook de Raad heeft, om voor de Raad moverende redenen, geen actie ondernomen in dit dossier, terwijl het de Raad zelf was die het van belang vond dat zicht zou komen op de thuissituatie bij de vader en oma (vz). De kinderrechter acht dat een kwalijke zaak. Niet alleen is geen gehoor gegeven aan de duidelijke opdracht van de kinderrechter, ook is dit gezin feitelijk aan zijn lot overgelaten, terwijl niet was gebleken dat de zorgen over de kinderen waren afgenomen. Nog steeds is geen zicht gekomen op de (opvoed)situatie bij de vader, terwijl daarover wel zorgen waren (zoals over zijn middelengebruik). Gelukkig lijkt het goed te gaan met [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader en met [de minderjarige 1] bij de oma (vz), maar het is nog steeds van belang dat de GI onderzoekt of het daar voldoende veilig is voor hen. Daarnaast is het belangrijk dat een vaste jeugdbeschermer snel en goed de regie oppakt en de nodige hulp en begeleiding inzet. Zo geeft de vader al een tijdje aan dat hij behoefte heeft aan ondersteuning en hulp bij het regelen van praktische zaken. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat na de zitting een vaste jeugdbeschermer direct contact zal opnemen met het gezin en met het gezin aan de slag zal gaan. De kinderrechter acht het positief dat de vertegenwoordigers van de GI en de Raad ter zitting het kwalijke van het gebrek aan handelen van hun zijde inzien en de GI heeft bevestigd dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling nu, met de vaste jeugdbeschermer, voortvarend zal worden opgepakt.
6.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma (vz), tot 2 december 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 2]en
[de minderjarige 3]bij de met het gezag belaste vader tot 2 december 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.