ECLI:NL:RBNHO:2026:8107

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
15/216369-24, 15/096955-25 (ter terechtzitting gevoegd) en 15/061796-25 (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld, afpersing en openlijk geweld

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten gepleegd in 2024 te Zaandam, waaronder medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld, afpersing en openlijk geweld in vereniging. De feiten betroffen onder meer het opsluiten, bedreigen en beroven van slachtoffers, waarbij verdachte samen met anderen handelde.

De rechtbank oordeelde dat verdachte nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten heeft gehad, wat medeplegen rechtvaardigt. De verklaringen van slachtoffers en medeverdachten, alsmede camerabeelden, ondersteunden de bewezenverklaring. De verdediging voerde onder meer vrijspraak aan voor bepaalde feiten en matiging van de straf, maar deze werden grotendeels verworpen.

De strafmaat werd bepaald op een werkstraf van 160 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals begeleiding door jeugdreclassering, medewerking aan behandeling en dagbesteding. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, persoonlijke omstandigheden van verdachte, en overschrijding van de redelijke termijn.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waarbij de vordering van de eerste benadeelde volledig werd toegewezen en die van de tweede benadeelde niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer kinderrechters op 1 juli 2026 na openbare terechtzittingen in juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur werkstraf, deels voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/216369-24, 15/096955-25 (ter terechtzitting gevoegd) en
15/061796-25 (ter terechtzitting gevoegd)
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres, [adres]
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
[officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam;
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)
naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

De rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.
Aan de verdachte is onder parketnummer 15/216369-24 (hierna:
feiten 1, 2 en 3)
ten laste gelegd dat:
Feit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1]
- in een kamer in een woning aan de [adres] op/in te sluiten
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!",
- te verhinderen die kamer te verlaten;
Feit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en/of een jas en/of een shirt en/of airpods en/of een hoeveelheid kleingeld en/of een telefoon en/of een vape en/of een aansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [de benadeelde partij 1]
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- hem [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 3
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en/of een jas en/of een shirt en/of airpods en/of een hoeveelheid kleingeld en/of een telefoon en/of een vape en/of een aansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1]
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- hem [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
aan de verdachte is onder parketnummer 15/096955-25 (hierna:
feit 4), na wijziging van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:
Feit 4
Primair
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en/of een ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2]
[de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan
het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen" en/of "Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je" en/of "Geef die ketting, anders sla ik je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan;
Subsidiair
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas en/of een ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] en/of een derde toebehoorde(n)
door
- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen" en/of "Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je" en/of "Geef die ketting, anders sla ik je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan.
aan de verdachte is onder parketnummer 15/061796-25 (hierna:
feit 5)ten laste gelegd dat:
Feit 5
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3]
- met één of meerdere personen te omsingelen en/of
- vast te pakken en/of te vast te houden en/of
- te duwen (in welk tumult de scooter is gevallen) en/of
- één of meermalen te slaan tegen het hoofd en/of het bovenlichaam, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en/of
- te trappen tegen één of meerdere knieën, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en/of
- met een kettingslot te slaan tegen één of meerdere benen, althans het lichaam;

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
De raadsman heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), omdat het opzet van de verdachte daar niet op was gericht. Daarnaast is onduidelijk of de deur van de kamer waar aangever [de benadeelde partij 1] zich met de verdachte en zijn mededaders in bevond was afgesloten. Medeplegen kan evenmin worden vastgesteld.
Vastgesteld kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing voor wat betreft de schoenen van de aangever. Bij de afpersing/ diefstal ten aanzien van de overige goederen is de verdachte niet aanwezig geweest. Daarom dient hij van feit 2 te worden vrijgesproken en dient voor feit 3 partiële vrijspraak te volgen voor wat betreft het medeplegen en de afpersing ten aanzien van de overige tenlastegelegde goederen.
Ten aanzien van feit 4 primair en subsidiair
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 4. De aangifte is gedaan door de vader van aangever [de benadeelde partij 2] . Dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de aangifte. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de verdachte niet voldoet aan het signalement dat in de aangifte is opgegeven van de personen die de aangever hebben beroofd dan wel afgeperst. Gelet op de omschrijving in de aangifte zou de verdachte persoon 2 moeten zijn, maar die heeft volgens de aangifte lichtbruin haar. Dat heeft de verdachte niet. In de aangifte wordt daarnaast niet benoemd dat persoon 2 een snor had, terwijl de verdachte die toen wel had. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte persoon 2 is, die deel heeft uitgemaakt van de groep van vijf personen, die met de aangever uit de [restaurant] naar het fietsenhok zijn gelopen en hem daar hebben beroofd.
Ten aanzien van feit 5
De raadsman heeft aangevoerd dat het openlijk geweld in vereniging bewezen kan worden verklaard, maar dan alleen voor wat betreft de handelingen van de verdachte, namelijk het slaan en schoppen van aangever [de benadeelde partij 3] . Omdat de opzet van de verdachte op de overige ten laste gelegde geweldshandelingen ontbreekt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.
Vast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. Volgens de verdachte heeft hij alleen de schoenen van de aangever afgenomen. Ook heeft hij verklaard dat hij de aangever heeft geslagen, omdat de aangever hem eerst sloeg. Van de rest van het incident heeft de verdachte niets meegekregen, omdat hij al die tijd op de wc zat, aldus de verdachte.
De vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.
Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
Uit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.
De verklaring van de aangever vindt op cruciale onderdelen steun in de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] . Zo heeft [de medeverdachte 1] verklaard dat hij de aangever heeft gevraagd om mee terug te lopen naar zijn woning om zijn schoenen te halen. Toen zij weer in zijn slaapkamer waren, zag hij dat medeverdachte [de medeverdachte 2] de kamerdeur dicht en op slot deed. Hij zag dat de verdachte toen heel dicht en dreigend tegenover de aangever stond. [de medeverdachte 1] zag dat [de medeverdachte 2] de aangever bij zijn kleding vastpakte op een agressieve manier en dat hij hem meerdere harde klappen in zijn gezicht gaf. [de medeverdachte 1] heeft verklaard dat de jas van de aangever is afgenomen door [de medeverdachte 2] . Ook heeft [de medeverdachte 1] gezien dat de aangever zijn telefoon en wachtwoord moest geven aan [de medeverdachte 2] . [de medeverdachte 3] probeerde op dwingende wijze het wachtwoord van de telefoon te krijgen, waarbij de aangever ook met de dood werd bedreigd. De aangever mocht pas gaan als hij zijn wachtwoord zou geven. [de medeverdachte 1] heeft verder gezien dat [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] in de zakken van de aangever hebben gevoeld en daar spullen en geld hebben uitgehaald.
Gelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij, toen de aangever terugkwam naar de woning de hele tijd op de wc heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde. Van het moment dat de aangever terugkeerde in de woning totdat hij de woning verliet zat bovendien ongeveer dertig minuten. Ook dat maakt dat aan de verklaring van de verdachte geen waarde wordt gehecht.
De rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, aldaar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel de verdachte naderhand niet de grootste agressor lijkt te zijn geweest, is zijn bijdrage aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.
Anders dan door de raadsman is betoogd, is hiermee ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, maakt daarbij ook geen verschil. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 4 primair en subsidiair
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte medepleger is geweest van de tenlastegelegde beroving en afpersing met geweld. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar in de [restaurant] aanwezig is geweest, maar dat hij met de beroving die buiten heeft plaatsgevonden niets te maken heeft gehad. De rechtbank komt echter tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken volgt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van een groep van vijf personen, bestaande uit twee meisjes en drie jongens, die aangever [de benadeelde partij 2] in de [restaurant] hebben aangesproken. Twee jongens van die groep hebben de aangever buiten beroofd en afgeperst. De aangever heeft een signalement van de twee jongens gegeven. Persoon 1 heeft een donkere huidskleur en zwart haar. Persoon 2 wordt omschreven als een man met krullend lichtbruin haar, licht getint, Marokkaanse afkomst, gespierd postuur. Het signalement van persoon 2 past als enige signalement, bij de uiterlijke kenmerken van de verdachte. Op de camerabeelden van binnen in de [restaurant] is de verdachte herkend als de persoon die tegen de aangever praat. Ook is te zien dat de verdachte samen met een ander aan de ketting van de aangever zit.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat de verdachte de door de aangever genoemde persoon 2 is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal en afpersing met geweld. Uit de aangifte, in onderling samenhang bezien met de bevindingen in de [restaurant] , blijkt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep van vijf personen, waarvan hij de enige jongen is met een licht getinte huidskleur en krullend lichtbruin haar, die in de [restaurant] contact maakte met de aangever. Het is de verdachte geweest die in de [restaurant] aan de ketting van de aangever heeft gezeten en als onderdeel van de groep van vijf personen met de aangever naar buiten loopt. Volgens de verklaring van de aangever is hij vervolgens met dezelfde groep van vijf personen naar de fietsenstalling gelopen, waar de aangever door onder meer de licht getinte jongen met krullend haar uit de groep is beroofd van zijn tas en vervolgens werd gedwongen zijn ketting af te geven.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat zowel het onder 4 primair als subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 5
Anders dan door de raadsman is betoogd, is voor de tenlastegelegde openlijke geweldpleging niet vereist dat de verdachte alle geweldshandelingen zelf heeft verricht. De verdachte heeft verklaard dat hij geweldshandelingen tegen aangever [de benadeelde partij 3] heeft verricht, bestaande uit het slaan en schoppen van de aangever, waarmee hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde. De verdachte kan daarmee verantwoordelijk worden gehouden voor het plegen van openlijk geweld, en dus ook voor de handelingen die in hetzelfde incident (nadien) zijn verricht door anderen, zoals het slaan met het kettingslot.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het openlijk en in vereniging plegen van geweld ten aanzien van het geheel aan geweldshandelingen die door hemzelf en de medeverdachten zijn gepleegd.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1]
- in een kamer in een woning aan [adres] , op te sluiten en
- tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en
- dreigend de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", en
- te verhinderen die kamer te verlaten;
Feit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1]
- tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en
- hem dreigend de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!";
Feit 3
hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.
Feit 4
hij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen" en "Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
en
hij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een ketting, die aan die [de benadeelde partij 2] toebehoorde, door
- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Als je nu niet meeloopt dan krijg je klappen" en "Geef die ketting, anders sla ik je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Feit 5
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, op de [adres] , in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3]
- met meerdere personen te omsingelen en
- vast te pakken en te houden en
- te duwen in welk tumult de scooter is gevallen en
- te slaan tegen het hoofd en het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 3] en
- te trappen tegen één knie, en
- met een kettingslot te slaan tegen de benen,;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
Ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan , vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 3:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 4:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 5:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.
Bij bepaling van de hoogte van de werkstraf heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van (de hoogte van) de strafmaat rekening houden met de geringe rol van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten en zijn belaste verleden. Daarnaast is een forse overschrijding van de redelijke termijn aan de orde. Bovendien heeft de verdachte de afgelopen twee jaar in een schorsing onder strenge voorwaarden gelopen en is hij niet meer in contact gekomen met politie en justitie. Daarom is in dit geval een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, een passende straf. Omdat de verdachte te kampen heeft met de verwerking van traumatische ervaringen uit zijn verleden, is het van belang dat de bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad zijn geadviseerd, worden verbonden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen taakstraf.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in vier maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten.
Hij heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Drie maanden later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld op een schoolplein, waarbij de verdachte met een grote groep andere jongeren [de benadeelde partij 3] in elkaar heeft geslagen. Een maand later heeft de verdachte, met een ander, [de benadeelde partij 2] beroofd en afgeperst van een tas en een ketting.
Dit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 28 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .
In dit rapport komt onder meer naar voren dat de verdachte in zijn leven veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en daardoor psychisch trauma heeft opgelopen. Op achtjarige leeftijd is de verdachte met zijn familie van Syrië naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog. De verdachte heeft thuis veel huiselijk geweld meegemaakt. Inmiddels is de situatie thuis rustiger, omdat de ouders zijn gescheiden. De verdachte heeft thuis bij zijn moeder veel verantwoordelijkheden, waardoor hij weinig ruimte ervaart voor school of werk
De Raad vindt het positief dat de verdachte sinds de laatste verdenking van oktober 2024 geen politiecontacten meer heeft gehad en dat hij afstand heeft gedaan van bepaalde vrienden met wie hij destijds regelmatig in de problemen is gekomen.
Daarnaast heeft de Raad gesignaleerd dat, ondanks de langdurige betrokkenheid van de jeugdreclassering en de IFA coach, er nog meerdere doelen zijn die behaald moeten worden.
Omdat de eerder geboden hulp bij de Waag destijds niet goed van de grond is gekomen, is het van belang dat deze hulp opnieuw wordt geboden, maar dan met extra ondersteuning vanuit de IFA c oach. De jeugdreclassering en de IFA coach kunnen de verdachte ook hulp en steun bieden bij het vinden van een zinvolle dagbesteding.
De Raad heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdachte heeft op dit moment geen zinvolle dagbesteding waardoor hij nu voldoende tijd en ruimte heeft om dit uit te voeren. Het voorwaardelijke deel van de werkstraf is een stok achter de deur zodat hij gedurende de proeftijd niet recidiveert en meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, meewerkt met de IFA coach en aan behandeling bij de Waag.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het evaluatieverslag van de jeugdreclassering, opgesteld door [gezinsmanager] , gezinsmanager. De conclusie en het advies van de jeugdreclassering zijn in overeenstemming met de conclusie en het advies van de Raad, waarbij tevens wordt geadviseerd dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing/diefstal met geweld en openlijk geweld in vereniging, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte de bewezenverklaarde feiten steeds in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.
Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 en met een periode van 3 maanden ten aanzien van de feiten 4 en 5. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.
Deze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om naast een aanzienlijke werkstraf tevens een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen. Wel is de rechtbank met de Raad en de officier van justitie van oordeel dat het zowel ten behoeve van de ontwikkeling van verdachte als ter vermindering van het recidiverisico van groot belang is dat hij behandeling ondergaat bij de Waag en hij wordt ondersteund en begeleid door de jeugdreclassering en de IFA coach, ook bij het vinden van een passende dagbesteding. Nu de noodzaak tot toezicht en begeleiding via het opleggen van bijzondere voorwaarden kan worden gewaarborgd, zal de rechtbank de op te leggen werkstraf in een deels voorwaardelijke vorm opleggen.
Gelet hierop en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdzestig (160) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door tachtig (80) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van tachtig (80) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering noodzakelijk. Verder dient de verdachte mee te werken aan zijn behandeling bij de Waag, mee te werken met zijn IFA coach en mee te werken aan het vinden en behouden van passende dagbesteding in de vorm van school en/ of werk.
Ten aanzien van de op te leggen bijzondere voorwaarden en het toezicht overweegt de rechtbank tot slot dat zij, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, van oordeel is dat deze niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard. De omstandigheden dat verdachte nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij in de periode van twee jaar tussen de bewezenverklaarde feiten en de inhoudelijk behandeling niet nogmaals in aanraking is gekomen met politie en justitie, ondanks zijn complexe persoonlijke omstandigheden, maken dat geen sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

7.Vorderingen van de benadeelde partijen

7.1
Vorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2]
Namens [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] zijn ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 respectievelijk feit 4 vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Zij werden daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.
7.1.1
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om het te vergoeden bedrag te matigen naar wat in vergelijkbare zaken aan schadevergoedingen wordt toegekend, wat zou betekenen dat een vergoeding tussen de € 500 en € 1.000 op zijn plaats is. Ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft de raadsman verzocht om deze te laten gelden vanaf het moment dat deze wordt begroot, dus vanaf de datum van de uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
7.1.2
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 900 ingediend tegen de verdachte die hij als gevolg van feit 4 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
Deze schade bestaat uit vermogensschade ad € 350, te weten een vergoeding voor een gestolen zilveren (imitatie) koningsketting en immateriële schade ad € 550.
Ter zitting is door Slachtofferhulp Nederland, onder verwijzing naar een uitspraak (ECLI:RBNHO:2024:7551), verzocht het immateriële deel te verhogen naar een bedrag van € 1.250, met als gevolg dat in totaal een bedrag van € 1.600 wordt gevorderd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de vermogensschade toewijsbaar is. Ten aanzien van de immateriële schade dient aansluiting te worden gezocht bij het oorspronkelijke bedrag van
€ 550 dat ook in de zaak van de medeverdachte is gevorderd. Het verzoek tot schadevergoeding dient daarom te worden toegewezen voor een bedrag van € 900, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de vordering ten aanzien van de vermogensschade niet ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft hij verzocht om het gevorderde bedrag aan vermogensschade te matigen.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman tevens om matiging verzocht en bij de bepaling van de hoogte daarvan aansluiting te zoeken bij het bedrag dat in de zaak van de medeverdachte is toegekend, namelijk € 200.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vermogensschade onvoldoende is onderbouwd waardoor dit deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In dit geval ging het om een imitatie ketting en was ter onderbouwing van de schade geen aankoopnota van de ketting overgelegd. Daarbij is namens de benadeelde partij meegedeeld dat de waarde die de ketting vertegenwoordigde met name een emotionele waarde was.
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in zijn geval van toepassing is. Immers is niet gebleken dat sprake is geweest van lichamelijk letsel, anders dan een aantal blauwe plekken. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit psychische klachten heeft ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid heeft gekregen – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de diefstal met geweld en afpersing voor de benadeelde zodanig voor de hand ligt dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen.
De vordering van de benadeelde partij zal daarom ook ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van
HONDERDZESTIG (160) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
tachtig (80) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte van deze straf, groot
tachtig (80) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
veertig (40) dagenjeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
twee (2) jaren.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht;
- een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van scholing en/of werk;
- meewerkt met de IFA coach van Levvel zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- meewerkt aan behandeling van De Waag, of een soortgelijke instelling, gericht op trauma en emotieregulatie, zolang de Jeugdreclassering dit nodig acht.
Geeft opdracht aan
De Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.