Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
[betrokkene 1],
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de akte houdende eis in reconventie tevens akte houdende overlegging producties
- de spreekaantekeningen van [gedaagden]
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een executiegeschil tussen schoonouders en hun schoondochter over de verdeling van twee gezamenlijk eigendom zijnde woningen. De schoondochter wenst woning B, waarin zij woont, over te nemen omdat zij nu samen met haar dochter de financiering kan regelen. De rechtbank overweegt dat het bodemvonnis, dat de verkoop van woning B aan een derde voorschrijft, moet worden uitgevoerd, maar dat gewijzigde omstandigheden een beperkte schorsing van de executie rechtvaardigen.
De rechtbank stelt dat de belangenafweging van het bodemvonnis leidend is, maar erkent dat de nieuwe financieringsmogelijkheid een reële wijziging van omstandigheden kan zijn. Daarom wordt de executie geschorst tot 15 september 2026, zodat de schoondochter een onvoorwaardelijke financiering kan overleggen en een onderhands bod kan uitbrengen. Indien dit niet gebeurt, wordt de executie hervat.
Daarnaast wordt bepaald dat woning B getaxeerd moet worden door dezelfde makelaar die ook woning A taxeert, om een objectieve waardebepaling te waarborgen. De kosten van deze taxatie komen voor rekening van de bewindvoerder. De schoondochter wordt verplicht medewerking te verlenen aan het verkoopproces indien zij niet tijdig financiering rond krijgt, onder dreiging van een dwangsom.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vorderingen die verder gaan dan dit worden afgewezen.
Uitkomst: Executie bodemvonnis geschorst tot 15 september 2026 om financiering en onderhands bod mogelijk te maken, daarna hervatting executie bij uitblijven.