ECLI:NL:RBNHO:2026:8095

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/15/378972
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BWArt. 3:185 lid 1 BWArt. 3:300 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over verdeling en overname woning tussen deelgenoten

De zaak betreft een executiegeschil tussen schoonouders en hun schoondochter over de verdeling van twee gezamenlijk eigendom zijnde woningen. De schoondochter wenst woning B, waarin zij woont, over te nemen omdat zij nu samen met haar dochter de financiering kan regelen. De rechtbank overweegt dat het bodemvonnis, dat de verkoop van woning B aan een derde voorschrijft, moet worden uitgevoerd, maar dat gewijzigde omstandigheden een beperkte schorsing van de executie rechtvaardigen.

De rechtbank stelt dat de belangenafweging van het bodemvonnis leidend is, maar erkent dat de nieuwe financieringsmogelijkheid een reële wijziging van omstandigheden kan zijn. Daarom wordt de executie geschorst tot 15 september 2026, zodat de schoondochter een onvoorwaardelijke financiering kan overleggen en een onderhands bod kan uitbrengen. Indien dit niet gebeurt, wordt de executie hervat.

Daarnaast wordt bepaald dat woning B getaxeerd moet worden door dezelfde makelaar die ook woning A taxeert, om een objectieve waardebepaling te waarborgen. De kosten van deze taxatie komen voor rekening van de bewindvoerder. De schoondochter wordt verplicht medewerking te verlenen aan het verkoopproces indien zij niet tijdig financiering rond krijgt, onder dreiging van een dwangsom.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vorderingen die verder gaan dan dit worden afgewezen.

Uitkomst: Executie bodemvonnis geschorst tot 15 september 2026 om financiering en onderhands bod mogelijk te maken, daarna hervatting executie bij uitblijven.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/378972 / KG ZA 26-319
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
MEERVIDA B.V.,
te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
in hoedanigheid van bewindvoerder van
[betrokkene 1],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de bewindvoerder (q.q.),
advocaat: mr. F.J. Mascini.
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats],
hierna te noemen: [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats],
hierna te noemen: [gedaagde 2]
gedaagde partijen in conventie,
eisende partij in reconventie,
samen te noemen: [gedaagden] en/of schoonouders,
advocaat: mr. K. Tülü.

1.De zaak in het kort

De schoonouders en schoondochter zijn gezamenlijk eigenaar van twee woningen. Zij hebben een geschil over de tenuitvoerlegging van een bodemvonnis waarin de verdeling van de woningen is gelast. De schoondochter wenst alsnog de woning waarin zij woont (B) over te nemen, omdat zij stelt deze nu wel, samen met haar dochter, te kunnen financieren.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een redelijke uitleg van het bodemvonnis, in het licht van de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging, meebrengt dat de executie tot 15 september 2026 moet worden geschorst, teneinde de schoondochter met haar dochter in de gelegenheid te stellen een onvoorwaardelijke financiering over te leggen en een onderhands bod op woning B uit te brengen. Indien die financiering niet binnen die termijn wordt aangetoond en/of de schoondochter geen onderhands bod doet, bestaat geen aanleiding de verdere tenuitvoerlegging van het bodemvonnis nog langer op te houden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de akte houdende eis in reconventie tevens akte houdende overlegging producties
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de spreekaantekeningen van [gedaagden]

3.De feiten

3.1.
[gedaagden] zijn met elkaar gehuwd.
3.2.
[betrokkene 1] (hierna: de schoondochter) was getrouwd met de zoon van [gedaagden] (hierna: de zoon).
3.3.
Na het overlijden van de zoon in 1998, is de schoondochter met haar kinderen bij de schoonouders gaan wonen.
3.4.
De schoonouders en schoondochter hebben in 1999 respectievelijk 2003 de volgende twee woningen gekocht en ieder voor één/derde aandeel in eigendom verkregen:
[adres 1] te [plaats] (hierna ook: woning A)
[adres 2] te [plaats] (hierna ook: woning B)
3.5.
De schoonouders bewonen woning A en de schoondochter woont met haar meerderjarige dochter in woning B.
3.6.
In 2019 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan de schoondochter onder bewind gesteld. MeerVida is de huidige bewindvoerder.
3.7.
Tussen de schoonouders en de bewindvoerder q.q., althans hun advocaten, heeft vanaf 2021 divers overleg plaatsgevonden over de verkoop of verdeling van één of beide woningen. De schoondochter wilde graag woning B overnemen, maar had daar de financiën niet voor.
3.8.
In een tweetal kort gedingen en een bodemzaak die de schoonouders jegens de bewindvoerder q.q. hebben gestart, is het partijen niet gelukt om tot afspraken te komen.
3.9.
Bij vonnis van 11 maart 2026 van deze rechtbank (hierna: het bodemvonnis) is een wijze van verdeling gelast waarbij kort gezegd eerst woning B verkocht wordt en daarna woning A aan de schoonouders wordt toegedeeld. De relevante passages van het dictum van het bodemvonnis luiden als volgt:
[adres 2]
6.1
gelast partijen de woning de [adres 2] te verkopen aan een derde. Bij deze verkoop aan een derde geldt het volgende:
(…);
als partijen over de vaststelling van de vraag- en laatprijs geen overeenstemming bereiken, zal ieder van hen gerechtigd zijn een bindend advies aan de makelaar te vragen. Partijen zullen gehouden zijn aan dat advies uitvoering te geven;
als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning en elke rechtshandeling te verrichten die daartoe nodig is zoals het tekenen van de koopovereenkomst en de akte van levering (of een volmacht tot het tekenen van de akte van levering);
(…).
(…)
[adres 1]
6.4
gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres 1] als volgt:
a. (…)
b. [gedaagden] zullen binnen zes weken na de notariële levering van de woning aan de [adres 2], onderbouwd met een ondertekende verklaring van de hypotheekverstrekker, moeten aantonen dat zij het onverdeelde aandeel van [betrokkene 1] in de woning aan de [adres 1] kunnen overnemen tegen de door de makelaar bepaalde waarde, (…)
(…)
6.6
Gelast partijen de woning aan de [adres 1] te verkopen aan een derde als niet uiterlijk (…). Bij verkoop aan een derde geldt het volgende:
(…)
als partijen over de vaststelling van de vraag- en laatprijs geen overeenstemming bereiken, zal ieder van hen gerechtigd zijn een bindend advies aan de makelaar te vragen. Partijen zullen gehouden zijn aan dat advies uitvoering te geven;
als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning en elke rechtshandeling te verrichten die daartoe nodig is zoals het tekenen van de koopovereenkomst en de akte van levering (of een volmacht tot het tekenen van de akte van levering);
(…)
3.10.
Begin april 2026 is de in het vonnis genoemde makelaar voor de verkoop van woning B ingeschakeld.
3.11.
De advocaat van de bewindvoerder heeft op 15 april 2026 aan de advocaat van de schoonouders geschreven dat inmiddels wel vaststaat dat de schoondochter woning B kan overnemen, samen met haar dochter.
3.12.
De makelaar heeft op 3 april 2026 voor de verkoop van woning B een offerte uitgebracht en advies gegeven over de verkoopprijs. Medio april 2026 is tussen de schoonouders en de makelaar discussie ontstaan over de vraag- en verkoopprijs. De schoonouders vonden de geadviseerde prijs te laag. Na uitleg over het advies heeft de makelaar in een e-mail van 15 mei 2026 aan de advocaat van de schoonouders geschreven dat hij bereid is een vraagprijs van € 575.000,- k.k. te hanteren.
3.13.
Na het verzoek van de schoonouders om de verkoopprijs op € 590.000 te zetten, heeft de makelaar op 10 juni 2026 per e-mail geschreven dat hij bij zijn eerdere advies blijft.
3.14.
De advocaat van de bewindvoerder heeft naar aanleiding van dit laatste bericht diezelfde dag aan de makelaar geschreven met de verkoop te wachten, omdat de schoondochter bereid en in staat is de woning over te nemen. Hij schrijft het volgende :
Als gevolg van nadere ontwikkelingen kan ik u melden dat het prudent is om nog te wachten met het überhaupt aanbieden van deze woning.
(…)
De taxatie van de woning is conform de verwachting van cliënte (Mevrouw [betrokkene 1]) en zij is bereid en in staat om de woning voor dat bedrag over te nemen.
3.15.
De makelaar heeft vervolgens per e-mail bevestigd dat hij nog geen verdere actie zal ondernemen met betrekking tot het opstarten van de verkoop van de woning.
3.16.
De advocaat van de schoonouders heeft op 12 juni 2026 aan de makelaar geschreven dat het opstarten van het verkoopproces niet afhankelijk is van de wil van de bewindvoerder en hij verzoekt de verkoop op grond van het bodemvonnis op te starten.
3.17.
De makelaar heeft op 15 juni 2026 bevestigd dat hij zal overgaan tot het opstarten en uitvoeren van de aan hem verstrekte opdracht met betrekking tot het verkoopproces van de woning. Er zijn op dit moment nog geen foto’s gemaakt en de woning staat nog niet op Funda.
3.18.
Op 11 juni 2026 heeft de advocaat van de schoonouders aan de advocaat van de bewindvoerder gevraagd te bevestigen dat de taxatie van de [adres 1] (woning A) door [bedrijf 1] zal worden verricht, omdat de in het bodemvonnis aangewezen taxateur de opdracht niet kan uitvoeren. Op dit verzoek is niet gereageerd.
3.19.
De bewindvoerder heeft hoger beroep ingesteld tegen het bodemvonnis.

4.Het geschil in conventie

4.1.
De bewindvoerder vordert I) te bepalen dat de schoonouders zich hebben te onthouden van stappen die tot een onomkeerbare situatie zouden leiden die bovendien onnodige kosten met zich brengen en II) te bepalen dat de ontvlechting van de eigendomsverhoudingen voor beide woningen zal plaatsvinden volgens gelijke processen.
4.2.
De bewindvoerder q.q. legt aan de vordering ten grondslag dat de schoondochter woning B inmiddels, samen met haar dochter, over kan nemen. Zij moet - zo begrijpt de voorzieningenrechter - de kans krijgen om woning B over te nemen tegen de getaxeerde waarde, omdat het belang van de schoondochter bij behoud van woning B, waar zij al decennia lang woont, groter is dan het belang van de schoonouders om op de in het bodemvonnis gelaste wijze tot verdeling van de woning te komen.
4.3.
De schoonouders voeren verweer en verzoeken om de vorderingen van de bewindvoerder af te wijzen, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van deze procedure.
4.4.
De schoonouders voeren aan dat de vorderingen te vaag en onbepaald zijn en al om die reden afgewezen moeten worden. Inhoudelijk voeren zij aan dat de bewindvoerder probeert om uitvoering van het bodemvonnis tegen te houden, maar dat dit uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en woning B verkocht moet worden. De bodemrechter heeft de belangen van de schoondochter al gewogen en heeft haar belang niet groter geacht dan het belang van de schoonouders bij verkoop van de woning. In dit kort geding is geen plaats voor een nieuwe belangenafweging, aldus de schoonouders. Ook heeft de bewindvoerder op geen enkel wijze onderbouwd dat [betrokkene 1] woning B nu wel (samen met haar dochter) over kan nemen, aldus nog steeds de schoonouders.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.Het geschil in reconventie

5.1.
De schoonouders vorderen – na eiswijziging – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de schoondochter te gebieden binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan alle feitelijke handelingen die de verkoop en levering van de woning aan de [adres 2] te [plaats] dienen, waaronder het toelaten van de makelaar en gegadigden ten behoeve van opname, fotografie en bezichtigingen;
II. te bepalen dat de schoondochter bij gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van het onder I gevorderde een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 15.000,00;
III. te bepalen dat, ter vervanging van [bedrijf 2], [bedrijf 1] (gevestigd aan de [adres 3] te [plaats]) wordt benoemd tot het verrichten van een gevalideerde NWWI-taxatie van de woning aan de [adres 1] te [plaats], althans de bewindvoerder q.q. te gebieden binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van de opdracht aan deze makelaar, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag of dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;
IV. te bepalen dat, voor zover de bewindvoerder q.q. haar medewerking aan de onder III. bedoelde opdrachtverstrekking niet verleent, het te wijzen vonnis ingevolge artikel 3:300 lid 1 BW Pro in de plaats treedt van haar wilsverklaring;
V. de bewindvoerder q.q. te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.
5.2.
De schoonouders leggen aan hun vordering ten grondslag dat volgens r.o. 6.2 van het bodemvonnis de schoondochter de makelaar en potentiële kopers in de woning dient toe te laten, maar dat daaraan geen dwangsom is verbonden. De kans is volgens de schoonouders reëel dat zij geen medewerking aan het verkoopproces zal verlenen. Zij hebben er spoedeisend belang bij dat de verkoop van de woning B zonder verdere belemmering kan worden uitgevoerd, omdat de schoonouders dan hun aandeel in woning B te gelde kunnen maken en de waarde van het aandeel van de schoondochter in woning A aan haar kunnen uitkeren. Zolang dit niet gebeurt blijven zij hoofdelijk verbonden. Daarnaast is in r.o. 6.4. sub a van het bodemvonnis bepaald dat partijen opdracht verstekken aan [bedrijf 2] voor de taxatie van woning A. Omdat [bedrijf 2] de taxatie niet kan verrichten, moet een andere taxateur worden benoemd, maar de bewindvoerder werkt daar niet aan mee.
5.3.
De bewindvoerder voert verweer.
5.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6.De beoordeling

in conventie en reconventie
Spoedeisend belang
6.1.
Tussen partijen is sprake van een geschil over de wijze van verdeling van de woning aan de [adres 2] te [plaats], waar de schoondochter met haar dochter woont. De bewindvoerder wenst dat de schoonouders meewerken aan onderhandse verkoop (toedeling) van de woning aan de schoondochter, terwijl de schoonouders willen dat de bewindvoerder meewerkt aan uitvoering van de in het bodemvonnis gelaste verkoop. Hierdoor is sprake van een impasse en is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vordering in conventie als reconventie.
Beoordeling geschil
in conventie
6.2.
De vorderingen van de bewindvoerder moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van het lichaam van de dagvaarding en het bodemvonnis. Dan zijn ze volstrekt duidelijk. De bewindvoerder wil op grond van de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd – de schoondochter kan nu toedeling van woning B op korte termijn wél financieren – dat de verdeling van beide gemeenschappelijke woningen op gelijke voet plaatsvindt en dat de voorzieningenrechter in het lopende verdelingsproces ingrijpt om dat te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter volgt de schoonouders dan ook niet in hun stelling dat de vorderingen te vaag zijn en alleen daarom al afgewezen moeten worden.
6.3.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen verder gezamenlijk worden behandeld.
in conventie verder en in reconventie verder
Standpunten partijen
6.4.
De bewindvoerder stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat de schoondochter woning B, samen met haar dochter, nu wel kan financieren en toedeling van die woning aan haar nu wel mogelijk is. Het belang van de schoondochter bij behoud van woning B, waar zij al decennia lang woont, is volgens de bewindvoerder groter dan het belang van de schoonouders om op de in het bodemvonnis gelaste wijze tot verdeling van de woning te komen.
6.5.
De schoonouders stellen zich op het standpunt dat de bodemrechter de belangen van de schoondochter al heeft gewogen en dat in dit kort geding geen plaats is voor een nieuwe belangenafweging. Daarnaast hebben zij een spoedeisend belang bij verkoop van woning B, omdat zij anders hoofdelijk verbonden blijven voor de hypotheken op beide woningen. Zij vrezen dat dit kort geding een poging is om de verdeling van de woningen opnieuw te vertragen. Een executie- of schorsingsgeschil mag geen verkapt rechtsmiddel zijn tegen het bodemvonnis, aldus de schoonouders.
6.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij in een executiegeschil de juistheid van het bodemvonnis tot uitgangspunt heeft te nemen. Het is in beginsel niet aan hem om de in dat vonnis vastgestelde rechtsverhouding tussen partijen opnieuw te beoordelen of de door de bodemrechter gekozen wijze van verdeling te vervangen door een andere, hem juister voorkomende oplossing. Dat geldt ook indien tegen het bodemvonnis hoger beroep is ingesteld.
6.7.
Daarmee is echter niet gegeven dat iedere na het bodemvonnis opgekomen wijziging van omstandigheden zonder betekenis is voor de wijze waarop dat vonnis ten uitvoer wordt gelegd. De in het bodemvonnis gelaste verdeling is een constitutieve beslissing als bedoeld in artikel 3:185 BW Pro, waarbij de bodemrechter de wijze van verdeling naar billijkheid heeft vastgesteld na afweging van de belangen van partijen en het algemeen belang. De bodemrechter heeft dat ook uitdrukkelijk tot uitgangspunt genomen. De gekozen modaliteiten van de verdeling zijn derhalve niet los te zien van de feitelijke omstandigheden die aan die belangenafweging ten grondslag lagen en de billijkheid van de verdeling is mede een resultante van die feitelijke omstandigheden.
6.8.
Uit de motivering van het bodemvonnis volgt dat de verkoop van de woning waarin de schoondochter woont niet als zelfstandig doel van de verdeling is aangemerkt, maar noodzakelijk is geacht om tot verdeling te komen: toedeling van die woning aan haar is niet mogelijk wanneer zij haar mede-gerechtigden niet kan uitkopen. Het dictum sluit daarbij aan. Daarin is voor beide woningen voorzien in een objectieve waardebepaling door een onafhankelijke makelaar indien partijen daarover geen overeenstemming bereiken, waarna de verdere afwikkeling van de verdeling plaatsvindt aan de hand van de aldus vastgestelde waarde. Daaruit volgt dat de objectieve waardering centraal staat, terwijl de verkoop aan een derde is gekozen als middel om de verdeling te kunnen realiseren in de destijds bestaande omstandigheden.
6.9.
De schoondochter heeft zich in dit executiegeschil beroepen op een wijziging van die omstandigheden. Volgens haar is inmiddels, mede doordat haar dochter na verkoop van haar voormalige echtelijke woning over eigen middelen beschikt, alsnog een reële mogelijkheid ontstaan om de woning over te nemen. Ter onderbouwing daarvan is een door een hypotheekadviseur vervaardigde financieringsberekening overgelegd. Een onvoorwaardelijke financieringstoezegging van een geldverstrekker ontbreekt nog.
6.10.
Aldus staat op dit moment (nog) niet vast dat de feitelijke grondslag waarop de bodemrechter de verkoop heeft gebaseerd daadwerkelijk is komen te vervallen. Anderzijds kan evenmin worden gezegd dat de gestelde financieringsmogelijkheid iedere realiteitswaarde ontbeert. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat namens de schoondochter ter zitting is verklaard dat binnen een termijn van twee maanden een definitieve financiering kan worden verkregen en dat zij, indien zij de verzochte twee maanden krijgt, bereid is een aanzienlijke contractuele boete te betalen indien zij de financiering dan niet rond heeft (op welk voorstel de schoonouders niet zijn ingegaan).
6.11.
Van belang is verder dat namens de schoonouders ter zitting is verklaard dat de schoondochter en haar dochter daadwerkelijk en op een reële wijze in de gelegenheid zullen worden gesteld de woning in het verkoopproces tegen de marktwaarde te verwerven indien zij de financiering tijdig rond krijgen. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat het belang van de schoonouders niet is gelegen in verkoop aan een derde als zodanig, maar in een voortvarende beëindiging van de gemeenschap.
6.12.
Niet kan worden ontkend dat verkoop aan een derde een stap vormt die, indien die plaatsvindt vóórdat financiering rond is, niet meer ongedaan kan worden gemaakt, terwijl daarmee dan een wijze van afwikkeling verloren gaat die evenzeer, ja zelfs beter, strookt met de door de bodemrechter gekozen systematiek van objectieve waardering en beëindiging van de gemeenschap.
6.13.
Namens de schoonouders is onder verwijzing naar de lange historie van het onderhavige geschil aangevoerd dat zij er “helemaal klaar mee zijn” en dat “het krediet op is”. Partijen hebben inderdaad geruime tijd in een slopend proces tegenover elkaar gestaan. Daarbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat de schets van het verleden die daarbij door en namens de schoondochter in de bodemprocedure niet als waarheid is vastgesteld, niet uitsluit dat elementen daarvan door de schoondochter oprecht als waarheid zijn beleefd.
6.14.
De belangen van de schoonouders brengen inderdaad mee dat zij niet gedurende langere tijd in onzekerheid behoeven te verkeren over de afwikkeling van de verdeling, maar aan die belangen kan ook recht worden gedaan door, zij het beperkt, ruimte in te bouwen om de mogelijkheid van afwikkeling door toedeling van woning B aan de schoondochter op de wijze waarop toedeling van woning A aan de schoonouders plaatsvindt, op haalbaarheid te onderzoeken. Dat geldt temeer nu de woning nog niet op Funda staat en niet te verwachten is dat dat een makelaar midden in de zomervakantie geneigd is om het tempo van het verkoopproces tot grote hoogten op te voeren. Afwikkeling van de verdeling door verkoop van woning B aan een derde op een moment waarop de schoondochter nog niet kan meebieden, gevolgd door toedeling van woning A aan de schoonouders, zal al gauw een maand of vier/vijf langer duren dan een afwikkeling waarbij over en weer toedeling plaatsvindt. En wat betreft de vraag hoe wordt omgegaan met een bod van de schoondochter onder voorbehoud van financiering, indien dit hoger is dan andere biedingen, biedt het bodemvonnis geen uitsluitsel, waarmee een volgend executiegeschil geboren zou kunnen zijn.
Tussenconclusie
6.15.
Onder deze omstandigheden brengt een redelijke uitleg van het bodemvonnis, mede in het licht van de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging als bedoeld in artikel 3:185 BW Pro, mee dat de executie gedurende een beperkte en strikt afgebakende periode moet worden geschorst, te weten tot 15 september 2026, teneinde de schoondochter met haar dochter in de gelegenheid te stellen een onvoorwaardelijke financiering over te leggen en een onderhands bod op woning B uit te brengen. Indien die financiering niet binnen die termijn wordt aangetoond en de schoondochter geen onderhands bod doet, bestaat geen aanleiding de verdere tenuitvoerlegging van het bodemvonnis nog langer op te houden.
Als dat bod er ligt en in overeenstemming is met de hierna sub 6.17 vermelde taxatie dient de afwikkeling van de verdeling door toedeling van beide woningen plaats te vinden.
Taxatie
6.16.
Hoewel namens beide partijen op de zitting is verklaard dat de woningen een redelijk vergelijkbare waarde hebben, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te gelasten dat ook woning B zal worden getaxeerd. Daarvoor is alleen al aanleiding omdat de schoondochter onder bewind staat en de kantonrechter dus toestemming zal moeten verlenen voor zowel het uitbrengen van een onderhands bod als voor de aankoop zelf, respectievelijk voor overname van het aandeel van de schoonouders in de woning. Het ligt voor de hand dat daarvoor een taxatierapport nodig is. De gelijkheid van de deelgenoten wordt daarbij het meest gediend door beide woningen door dezelfde makelaar te laten taxeren.
6.17.
De voorzieningenrechter zal daarom de schoonouders gelasten om op zo kort mogelijke termijn de door hen aangedragen taxateur, [bedrijf 1] te [plaats], mede namens de bewindvoerder, opdracht te verstrekken tot het verrichten van een gevalideerde NWWI-taxatie van de woning aan de [adres 2] (woning B). Deze taxatie zal met enige voortvarendheid moeten worden uitgevoerd, omdat de schoondochter deze nodig heeft voor de financieringsaanvraag. Datzelfde geldt voor de taxatie van de [adres 1] (woning A), omdat die het aandeel van de schoondochter in de overwaarde van die woning bepaalt en van invloed is op haar financieringsbehoefte.
6.18.
De schoondochter wordt overigens aangespoord om de financieringsaanvraag zo spoedig en voortvarend mogelijk in gang te zetten en ervoor te zorgen dat die niet door vakantie van betrokkenen vertraging oploopt.
Een voorlopige indicatie van de zijde van ING in samenhang met opgave van liquiditeit die de dochter van schoondochter uit afwikkeling van de verkoop van haar woning nu al ter beschikking zou moeten hebben, tezamen sluitend op € 575.000 lijkt een nuttig hulpmiddel om bij de schoonouders enig geloof op een spoedige afronding van de verdeling te doen ontstaan. Die documentatie is ook een goed hulpmiddel om de toereikendheid van de over te leggen financieringstoezegging later in het proces vlot inzichtelijk te maken.
Bij een en ander is de vraag of overdrachtsbelasting is verschuldigd wellicht nog een aandachtspunt.
6.19.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de kosten van de taxatie van woning B voor rekening van de bewindvoerder q.q. komen. Deze worden namelijk gemaakt met het oog op toedeling van de woning aan de schoondochter. Dat is in lijn met de wijze van verdeling van woning A in het bodemvonnis, waarbij de kosten in verband met de toedeling aan de schoonouders, door de schoonouders moeten worden gedragen.
6.20.
Omdat beide taxaties in het belang van de schoondochter zijn, mag van de bewindvoerder verwacht worden dat zij haar medewerking daaraan verleent. Er is dan ook geen aanleiding om in deze fase van het proces een dwangsom op te leggen of het vonnis in de plaats te laten treden van haar wilsverklaring.
6.21.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat de verdeling van woning B, die de bewindvoerder namens de schoondochter beoogt, betekent dat de extra werkzaamheden die nodig zijn omdat de dochter meefinanciert voor rekening van de schoondochter (of haar dochter) blijven. De dochter is immers geen deelgenoot in de onverdeeldheid.
in reconventie verder
6.22.
De schorsing die in conventie wordt bevolen brengt mee dat het verkoopproces van woning B, zoals gelast in 6.1, 6.2 en 6.3 van het bodemvonnis, tot 15 september 2026 wordt opgeschort. Voor het geval de schoondochter er niet in slaagt om tijdig en inzichtelijk een voor toedeling toereikende onvoorwaardelijke financieringstoezegging van een Nederlandse bank over te leggen en een onderhands bod op woning B uit te brengen, zal de vordering in reconventie onder I worden toegewezen. Executie van het bodemvonnis kan dan niet langer worden opgehouden (zie 6.15). De voorzieningenrechter acht de vrees dat de schoondochter dan niet zonder meer zal meewerken aan uitvoering van het bodemvonnis niet ongegrond.
6.23.
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, maar beperkt als in de beslissing vermeld,
6.24.
De vordering in reconventie onder III om [bedrijf 1] in plaats van [bedrijf 2] Makelaardij te stellen, zal worden toegewezen als in de beslissing vermeld. Gelet op de overweging hiervoor onder 6.20, zullen de gevorderde dwangsom en het in de plaats treden van het vonnis voor de wilsverklaring, worden afgewezen.
in conventie verder en in reconventie verder
Proceskosten
6.25.
Gelet op de relatie tussen partijen en het feit dat zij over en weer gedeeltelijk gelijk hebben gekregen, zullen de proceskosten in conventie en reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
beveelt [gedaagden] de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 maart 2026 tot 15 september 2026 te schorsen,
7.2.
gelast [gedaagden] om, mede namens de bewindvoerder q.q., op zo kort mogelijke termijn [bedrijf 1] te [plaats] (gevestigd aan de [adres 3] te [plaats]) opdracht verstrekken tot het verrichten van een gevalideerde NWWI-taxatie van de woning aan de [adres 2] te [plaats] (woning B),
7.3.
bepaalt dat de kosten van taxatie van de woning aan de [adres 2] te [plaats] (woning B) voor rekening van de bewindvoerder q.q. komen,
7.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
7.5.
gebiedt de schoondochter na betekening van dit vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan alle feitelijke handelingen die de verkoop en levering van de woning aan de [adres 2] te [plaats] dienen, waaronder het toelaten van de makelaar en gegadigden ten behoeve van opname, fotografie en bezichtigingen, als zij niet vóór 15 september 2026 inzichtelijk een voor toedeling toereikende onvoorwaardelijke financieringstoezegging van een Nederlandse bank heeft overgelegd en een onderhands bod op woning B heeft uitgebracht,
7.6.
bepaalt dat de bewindvoerder q.q. bij gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van het gebod onder 7.5 een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,00,
7.7.
bepaalt dat [gedaagden], mede namens de bewindvoerder q.q., op zo kort mogelijke termijn in plaats van aan [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] (gevestigd aan de [adres 3] te [plaats]) opdracht zullen verstrekken tot het verrichten van een gevalideerde NWWI-taxatie van de [adres 1] te [plaats] (woning A),
7.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
7.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
1621