Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de stukken van de vader
- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
Rechtbank Noord-Holland
De moeder en vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, dat bij de moeder woont. De moeder wenst in de zomer van 2026 met het kind op vakantie te gaan naar twee landen, waaronder een verblijf voor een driedaags congres van Jehovah’s Getuigen. De vader weigert toestemming voor de reis naar het land waar het congres plaatsvindt.
De moeder vordert in kort geding vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW. Tijdens de zitting bereiken partijen overeenstemming over de reis naar het eerste land, waardoor de vordering daarvoor komt te vervallen. De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens de vordering voor de reis naar het land met het congres.
De moeder motiveert haar verzoek met het belang van het kind om kennis te maken met haar geloofsovertuiging en de sociale activiteiten op het congres. De vader maakt bezwaar vanwege de intensiteit van het congres en de inhoudelijke impact op het kind. De voorzieningenrechter oordeelt dat de moeder niet onnodig mag worden belemmerd in haar godsdienstvrijheid en dat de vader onvoldoende feiten heeft aangevoerd die het belang van het kind zouden schaden.
De voorzieningenrechter verleent daarom vervangende toestemming voor de reis naar het congres, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: De moeder krijgt vervangende toestemming om met het minderjarige kind naar het religieuze congres te reizen.