ECLI:NL:RBNHO:2026:8077

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/15/374163
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking verkoop woning en afwijzing reconventionele vordering hypotheekverhoging

Partijen, ex-partners zonder huwelijk of samenlevingsovereenkomst, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. De man vordert in kort geding dat de vrouw medewerking verleent aan de verkoop van de woning vanwege zijn spoedeisend belang, omdat hij financieel moeilijk rondkomt. De vrouw wil de woning aan zich toedelen en voert verweer, met een reconventionele vordering dat het bedrag van € 89.000 waarmee de hypotheek is verhoogd, alleen voor rekening van de man moet komen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de man voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. De rechtbank overweegt dat het hypotheekbedrag van € 89.000 oorspronkelijk een lening van de ouders van de man was, die na verkoop van zijn vorige woning is gebruikt voor de gezamenlijke aankoop van de huidige woning. Omdat de woning gemeenschappelijk eigendom is en partijen geen afspraken maakten dat deze schuld alleen voor rekening van de man zou blijven, is de vrouw mede aansprakelijk voor dit deel van de hypotheek. De reconventionele vordering wordt daarom afgewezen.

De vrouw wordt veroordeeld om binnen twee weken alle medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, met een dwangsom bij niet-nakoming. Tevens wordt een makelaar aangewezen indien partijen geen overeenstemming bereiken. De vrouw moet ook medewerking verlenen aan de verkoopovereenkomst en notariële levering, waarbij het vonnis in de plaats treedt van haar medewerking bij weigering. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning en de reconventionele vordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/374163 / KG ZA 26-40
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Wernik,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.B. Chylinska.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1 tot en met 3
- aanvullende productie aan zijde van de man
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026
- de pleitnota van de man
- de pleitnota van de vrouw.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 5 maart 2026 zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Wernik voornoemd en de vrouw, bijgestaan door mr. Chylinska voornoemd.
1.3.
Vervolgens is de zaak pro forma aangehouden tot 14 mei 2026 om de vrouw in staat te stellen te onderzoeken of zij een financiering kon krijgen om de woning aan zich te laten toedelen. Op verzoek van de vrouw is de pro forma termijn nog een keer verlengd.
Bij brief van 23 juni 2026 heeft de man de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen.
1.4.
Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij waren niet gehuwd en hadden ook geen samenlevingsovereenkomst gesloten. De relatie is in december 2024 geëindigd.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning). De vrouw bewoont de woning nog.
2.3.
Op 5 maart 2024 hebben partijen een tweede recht van hypotheek gevestigd op hun woning voor een bedrag van € 89.000,-. Met dit bedrag is een lening van de ouders van de man afgelost.
2.4.
Toen de man de woning verliet heeft de vrouw verklaard hem te willen uitkopen. Tot nu toe heeft de vrouw de woning nog niet aan zich (kunnen) laten toedelen.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
De man vordert in conventie – samengevat – dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan verkoop van de woning op straffe van een dwangsom en met indeplaatsstelling van het vonnis voor de benodigde medewerking van de vrouw aan de rechtshandelingen, een en ander met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.
3.2.
De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning verdeeld moet worden. Hij voert aan dat hij met zijn inkomen in de praktijk uiterst moeizaam de noodzakelijke kosten voor zijn levensonderhoud volledig kan dekken, zodat hij belang heeft bij een spoedige verkoop van de woning. Hij stelt dat van hem niet gevergd kan worden om langer in onzekerheid te verkeren over de financiële afwikkeling van de woning.
3.3.
De vrouw voert verweer. In de eerste plaats betwist zij dat de man spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Zij wijst erop dat zij de woning aan zich wil laten toedelen en dat zij daarover al in gesprek is met een financieel adviseur. Voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat de man voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, vordert de vrouw in reconventie dat wordt bepaald dat zij niet draagplichtig is voor het bedrag van € 89.000,- waarmee de hypotheek is aangevuld. Zij stelt dat de man de enige begunstigde was van dit bedrag, omdat met dat bedrag een persoonlijke schuld van de man aan zijn ouders is afgelost en dat daarom bij verdeling van de overwaarde op de woning dit bedrag van € 89.000,- volledig ten laste van de man moet komen. Daarnaast doet de vrouw een beroep op ongerechtvaardigde verrijking van de man, terwijl zij met dit bedrag is verarmd en stelt dat de man gehouden is haar te vrijwaren voor het gedeelte van de hypothecaire geldlening ad € 89.000,-.
3.4.
De man voert verweer. Hij voert aan dat, toen zijn vorige relatie was verbroken, hij in zijn toenmalige woning wilde blijven. Om dit mogelijk te maken hebben zijn ouders hem een lening verstrekt van € 89.000,- waarmee de helft van de toenmalige hypotheek is afgelost. Verder verklaart hij dat hij samen met de vrouw vervolgens in 2013 de huidige woning heeft gekocht en dat zijn ouders er toen mee hebben ingestemd dat de lening in stand bleef voor partijen samen. Daarbij benadrukt hij dat partijen de woning anders niet hadden kunnen kopen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna voorzover relevant nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om in een kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering is nodig dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man het spoedeisend belang bij zijn vordering voldoende aannemelijk gemaakt.
in conventie en in reconventie
4.3.
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk beoordeeld worden.
4.4.
De vraag die partijen vooral verdeeld houdt, is of het bedrag van € 89.000,- waarmee partijen hun hypotheek op 5 maart 2024 hebben verhoogd door hen samen moet worden gedragen of dat dit deel van de hypotheek alleen ten laste van de man gebracht moet worden.
4.5.
Het bedrag van € 89.000,- is door de ouders van de man ooit aan hem geleend toen zijn vorige relatie was gestrand, om hem in de gelegenheid te stellen zijn toenmalige woning te kunnen overnemen. Na verkoop van die woning hebben partijen in 2013 samen de onderhavige woning gekocht. De ouders van de man hebben er toen mee ingestemd dat de lening nog niet zou worden afgelost, maar zou worden gebruikt door partijen voor de aankoop van deze woning. Dit betekent dat dit bedrag onderdeel was van het vreemd vermogen waarmee partijen de woning in 2013 hebben kunnen aankopen. Als de ouders van de man er niet mee hadden ingestemd deze lening nog in stand te laten hadden partijen een hogere hypotheek moeten afsluiten. De vrouw heeft ook niet betwist dat partijen zonder dit bedrag de woning niet hadden kunnen kopen. Partijen hebben bij de aankoop van de woning geen afspraken gemaakt dat deze schuld aan de ouders volledig voor rekening van de man zou blijven. Dit betekent dat, omdat de woning gemeenschappelijk eigendom is, partijen ook gezamenlijk aansprakelijk zijn voor het aflossen van het vreemd vermogen waarmee de woning is gefinancierd. Inmiddels hebben partijen de hypotheek verhoogd en is de lening aan de ouders van de man afgelost. Dat het geld oorspronkelijk afkomstig was uit een lening van de ouders van de man, maakt -zeker onder de hiervoor geschetste omstandigheden- niet dat de vrouw in de interne verhouding niet mede draagplichtig is voor dit deel van de schuld aan de bank. Haar vordering in reconventie wordt dan ook afgewezen.
4.6.
De vorderingen van de man die er toe strekken om de vrouw te veroordelen mee te werken aan een spoedige verkoop van de woning worden toegewezen. De vrouw heeft aangevoerd dat zij de woning aan zich wil laten toedelen, maar ondanks een ruime aanhoudingstermijn, die op haar verzoek nogmaals is verlengd, is de vrouw er niet in geslaagd bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat zij (voldoende) financiering heeft kunnen krijgen om het aandeel van de man in de woning over te nemen en de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld op de woning.
4.7.
De voorzieningenrechter zal, zoals verzocht, een naam noemen van een makelaar die partijen kunnen inschakelen als zij het daarover in onderling overleg niet eens kunnen worden. Partijen dienen zelf de opdracht te geven aan de makelaar.
4.8.
De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming van uitvoeringshandelingen ten behoeve van de verkoop wordt toegewezen, maar zal wel worden gematigd en er zal een maximum verbonden worden aan de te verbeuren dwangsommen.
4.9.
De gevorderde indeplaatsstelling van het vonnis zal worden toegewezen voorzover het gaat om de benodigde medewerking van de vrouw aan de rechtshandelingen van verkoop en levering.
4.10.
Aangezien partijen ex-partners zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning staande en gelegen aan de aan de [adres] te [postcode] [plaats 2], inhoudende:
  • het geven van een opdracht aan [bedrijf] Makelaars te [plaats 2], dan wel een andere makelaar waarover partijen het in onderling overleg eens worden om als verkopend makelaar op te treden;
  • het toelaten van de makelaar in de woning;
  • het afgeven van een sleutel aan de makelaar;
  • het zonodig toelaten van een taxatie van de woning ten behoeve van kopers;
  • het verlenen van toestemming voor het maken van foto’s van de woning;
  • het toestaan van het plaatsen van (een) te koop bord(en) en/of biljet(ten) in en bij de woning en deze te laten staan en/of hangen;
  • het verlenen van toestemming voor het publiceren van de woning op de website van Funda;
  • het plegen van het door de makelaar aan te wijzen onderhoud van de woning;
  • het tot genoegen van de makelaar opruimen en opgeruimd houden van de woning ten behoeve van het maken van foto’s en ten behoeve van bezichtigingen;
  • het toelaten van bezichtigingen;
  • het afwezig zijn bij bezichtigingen;
  • het opvolgen van de aanwijzingen van de makelaar in verband met (bespoediging van) de verkoop;
  • het beschikbaar zijn voor overleg met de makelaar op diens verzoek,
met bepaling dat als de vrouw na daartoe concreet te zijn gesommeerd niet haar medewerking verleent aan de handelingen hierboven vermeld vanaf de tweede bulletpoint, zij een dwangsom zal verbeuren van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat zij hieraan niet haar medewerking verleent, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 5.000,-,
5.2.
bepaalt dat, als de aangezochte makelaar zich onverhoopt terugtrekt, partijen binnen een week gezamenlijk opnieuw een verkoopopdracht moeten geven aan een andere makelaar en dat de vrouw vervolgens ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het hiervoor onder 5.1 bepaalde,
5.3.
bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om haar medewerking te verlenen aan het verlenen van een verkoopopdracht aan de makelaar voor de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor die rechtshandeling benodigde medewerkingvan de vrouw,
5.4.
veroordeelt de vrouw om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst ten aanzien van de woning aan (een)
derde(n), waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald en bepaalt dat als de vrouw op eerste verzoek van de makelaar weigert hieraan haar medewerking te verlenen dit vonnis in de plaats treedt van de voor die rechtshandeling benodigde handtekening van de vrouw,
5.5.
veroordeelt de vrouw om op eerste schriftelijk verzoek van de notaris, met medeneming van een geldig legitimatiebewijs, te verschijnen bij de door de koper(s) gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen datum en tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, dan wel aan de notaris daarvoor een toereikende volmacht te verstrekken, en bepaalt dat als de vrouw weigert hieraan haar medewerking te verlenen dit vonnis in de plaats treedt van de voor die rechtshandeling benodigde medewerking van de vrouw,
5.6.
bepaalt dat de vrouw de notaris de opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte tussen partijen te verdelen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-,
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
5.9.
wijst het gevorderde af,
5.10.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
1155