ECLI:NL:RBNHO:2026:8065

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
15/133684-25 en 09/120213-23 (TUL)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewapende overval en opzetheling met jeugddetentie en werkstraf

De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van een gewapende overval op een telefoonwinkel te Krommenie op 15 oktober 2024, waarbij telefoons werden gestolen onder bedreiging met een vuurwapen, en van opzetheling van een gestolen scooter die werd gebruikt bij de overval.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte samen met een medeverdachte de overval pleegde, waarbij hij het wapen droeg en de trekker meerdere malen overhaalde. Dit werd bewezen met camerabeelden, DNA-sporen op kleding, telefooncontacten en zendmastonderzoek. De verdachte voerde een alibi aan, maar dit werd onvoldoende concreet bevonden.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 150 dagen jeugddetentie, waarvan 106 dagen onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest en 44 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en tot een werkstraf van 60 uur. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan twee benadeelde partijen wegens materiële en immateriële schade, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

De rechtbank achtte de feiten ernstig vanwege het gebruik van geweld en het veroorzaken van psychische schade bij slachtoffers. Tegelijkertijd werd rekening gehouden met de positieve ontwikkeling van de verdachte tijdens schorsing en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie (gedeeltelijk voorwaardelijk) en een werkstraf van 60 uur wegens medeplegen van een gewapende overval en opzetheling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/133684-25 en 09/120213-23 (TUL)
Uitspraakdatum: 30 april 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 16 april 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
[officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
  • de verdachte en zijn raadsman, mr. P.R. van de Water, advocaat te Rotterdam;
  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
  • [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering);
  • de raadsman van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 2] , mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam;
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Krommenie, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse telefoons, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan (telefoonwinkel) [de winkel] en/of [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerker(s) van de (winkel) [de winkel] , te weten [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- in het donker gekleed en/of met gezichtsbedekking en/of met een helm op het hoofd de winkel binnen te komen en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of op voornoemde medewerker(s) te richten en/of
- daarbij tegen voornoemde medewerker(s) te roepen 'geef alle telefoons' en/of
- met voorgenoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meerdere keren op de vitrinetoonbank te slaan en/of
- (vervolgens) diverse telefoons uit de stuk geslagen vitrinetoonbank te pakken en/of
- (met de weggenomen telefoons) de winkel te verlaten en/of
- tijdens de vlucht te worstelen met medewerker [de benadeelde partij 2] en/of
- (vervolgens) het vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op medewerker [de benadeelde partij 2] te richten en/of meermalen de trekker over te halen en/of het een of meerdere malen te laten afvuren;
Feit 2:
hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Krommenie, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland een scooter (merk: [merk] , kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van feit 1 en feit 2. Daartoe is – samengevat – naar voren gebracht dat de verdachte een alibi heeft voor zijn aanwezigheid in (de omgeving van) Krommenie ten tijde van het delict en uit de dossierstukken de betrokkenheid van de verdachte bij de feiten niet zonder meer kan worden afgeleid.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmotivering
Bewezenverklaring
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage bij dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
Feit 1
Op de camerabeelden van de telefoonwinkel is de gepleegde overval in zijn geheel vastgelegd. Hierop is precies te zien wat zich tijdens de overval in de winkel heeft afgespeeld. Deze camerabeelden bevestigen de aangifte en de verklaringen van de getuigen over het wegnemen van de telefoons en het daarbij uitgeoefende geweld en de geuite bedreigingen. Dit geld ook voor wat betreft het richten met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (hierna te noemen: wapen), op het personeel en het daarbij overhalen van de trekker. Duidelijk is dat de overval is gepleegd door twee personen. De medeverdachte [de medeverdachte] (hierna te noemen: [de medeverdachte] ) heeft zijn betrokkenheid bekend en verklaard dat hij degene is, die in het dossier wordt aangeduid als “verdachte 1”. Hij heeft niet willen verklaren over de tweede persoon die op de camerabeelden is te zien, “verdachte 2”.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte degene is die in het dossier wordt aangeduid als “verdachte 2”. Voor het beantwoorden hiervan gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Uit voornoemde camerabeelden blijkt dat de tweede verdachte degene is, die het wapen bij zich droeg, dit op het personeel van de winkel heeft gericht en daarbij de trekker overhaalde. Deze verdachte droeg onder meer een rood-witte helm. Deze helm is, samen met een zwarte jas, een trainingsbroek en zwarte handschoenen, soortgelijk aan de wat verdachte 2 droeg tijdens de overval, gevonden door de politie in de bosjes in de buurt van de telefoonwinkel. Op de helm en de handschoen zijn DNA-sporen van de verdachte aangetroffen.
Verder heeft de politie de telefoon van [de medeverdachte] uitgelezen. Hieruit blijkt dat de verdachte en [de medeverdachte] , zowel vlak voor als kort na de overval, veel contact hadden met elkaar. Ook is in de telefoon een snapchatgesprek van 15 oktober 2024 (de dag van de overval) gevonden, waarin [de medeverdachte] onder meer aan de verdachte vraagt of hij “spitss” (
ready) is en hem een adres stuurt gelegen naast de woonplek van [de medeverdachte] . De verdachte zegt hierbij tegen [de medeverdachte] “
de kleren niet te vergeten, geeft aan op “
zichtafstand” te zijn en stuurt om 09:44 uur aan [de medeverdachte] “
ik ben er”. Uit zendmastonderzoek blijkt tenslotte dat de telefoon van de verdachte op 15 oktober 2024 in Krommenie was en ten tijde van de overval een zendmast in de nabijheid van de overvallen telefoonwinkel aanstraalt.
De verdachte heeft zowel bij de politie als op zitting verklaard dat hij zijn telefoon nooit uitleent, hij die dag inderdaad in Krommenie was en contact heeft gehad met [de medeverdachte] , zijn beste vriend. De verdachte geeft aan dat hij ten tijde van de overval bij een dame in Krommenie was. Hij is kort na de overval gebeld door [de medeverdachte] , omdat [de medeverdachte] geschrokken was van wat er was gebeurd. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van de verdachte geen aanknopingspunten vindt in het dossier. De verdachte heeft ook niet willen aangeven wie de dame in Krommenie is, bij wie hij heeft gezegd te zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring aldus onvoldoende concreet en niet verifieerbaar is en dat de verdachte – anders dan de raadsman heeft betoogd - geen alibi had voor het moment van de overval. De verdachte heeft ook op tal van andere vragen van de rechtbank over voor hem belastende feiten en omstandigheden geen antwoord willen geven. De verdachte heeft aldus geen mogelijk verifieerbare ontlastende verklaring gegeven voor de uit de onderzoeksbevindingen naar voren gekomen belastende informatie, waardoor deze onweersproken is gebleven.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd tot geen andere conclusie leiden dan dat de verdachte een van de daders was van de overval op 15 oktober 2024 en hij daarbij degene was die het wapen had en de trekker daarvan heeft overgehaald.
Feit 2
Op grond van de bewijsmiddelen en wat hiervoor over de betrokkenheid van de verdachte bij feit 1 is overwogen, te weten dat hij bij de overval aanwezig was en de op de beelden aangegeven “verdachte 2” betreft, stelt de rechtbank vast dat de verdachte de bestuurder van de scooter was, die hij kort voor de overval van een onbekend gebleven persoon bij een flat in Alkmaar heeft gekregen. Volgens de verklaring van de medeverdachte [de medeverdachte] bij de politie moest de scooter worden gestart met de kickstarter omdat de cilinder en de sleutel ontbraken en wist [de medeverdachte] daardoor dat de scooter gestolen was. De rechtbank is van oordeel dat het de verdachte als de bestuurder nota bene degene die de scooter moest starten, ook moet zijn opgevallen dat de cilinder en de sleutel van de scooter ontbraken. Het had dus ook voor de verdachte duidelijk moeten zijn dat de scooter gestolen was. Hierbij klemt temeer dat de scooter aan de verdachte ter beschikking werd gesteld door een onbekende met als doel een telefoonwinkel te overvallen. De verdachte heeft daarom op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit het geval was.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1:
hij op 15 oktober 2024 te Krommenie, tezamen en in vereniging met anderen, diverse telefoons, die aan telefoonwinkel [de winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers van de winkel [de winkel] , te weten [de benadeelde partij 2] , [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 5] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- in het donker gekleed en met gezichtsbedekking en een helm op het hoofd, de winkel binnen te komen en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en op voornoemde medewerkers te richten en
- daarbij tegen voornoemde medewerkers te roepen 'geef alle telefoons' en
- met voorgenoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meerdere keren op de vitrinetoonbank te slaan en
- vervolgens diverse telefoons uit de stuk geslagen vitrinetoonbank te pakken en
- met de weggenomen telefoons de winkel te verlaten en
- tijdens de vlucht te worstelen met medewerker [de benadeelde partij 2] en
- vervolgens het vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op medewerker [de benadeelde partij 2] te richten en meermalen de trekker over te halen.
Feit 2:
hij op 15 oktober 2024 te Krommenie, een scooter, merk: [merk] , kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2:opzetheling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen, waarvan 76 (zesenzeventig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 (twee) jaren, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad op de zitting geadviseerd, met dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoon van de verdachte, zijn positieve ontwikkeling gedurende de afgelopen periode en het feit dat hij lange tijd in een stevig schorsingskader heeft gelopen. Gelet op deze omstandigheden, heeft de verdediging verzocht geen onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan het voorarrest aan de verdachte op te leggen en de door de officier van justitie gevorderde werkstraf aanzienlijk te matigen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de beslissing over de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank hierbij het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft op klaarlichte dag samen met een ander een telefoonwinkel overvallen en een groot aantal telefoons weggenomen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn daartoe de telefoonwinkel in gelopen, hebben de vitrines stuk geslagen en de aldaar aanwezige medewerkers bedreigd met een wapen. De verdachte heeft daarbij het wapen ook gericht op de medewerkers en de trekker meermalen overgehaald.
Dit soort feiten leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook binnen de samenleving in het algemeen. Zoals uit de slachtofferverklaring van [de benadeelde partij 2] blijkt, vreesde hij bij elke klik van het wapen voor een fatale afloop van de overval en het einde van zijn leven en heeft hij hierdoor een posttraumatische-stressstoornis opgelopen. Ook de impact op het slachtoffer [de benadeelde partij 5] is groot. Hij ondervindt nog steeds psychische en lichamelijke klachten als gevolg van de keuzes van de verdachte. Het gevoel van veiligheid van hen beide is ernstig aangetast. De verdachte heeft zich bij zijn handelen louter en alleen laten leiden door geldelijk gewin en zich op geen enkele wijze rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Dit rekent de rechtbank hem aan.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een scooter. Dit is een vervelend feit, wat voor benadeelden hinder en schade met zich meebrengt. Door het plegen van dit delict heeft de verdachte wederom zijn eigen behoeften boven die van een ander geplaatst.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 maart 2026;
  • het voorlichtingsrapport van de Raad van 25 augustus 2025;
  • de actualisatiebrief van de Raad van 12 maart 2026;
  • de evaluatie van de jeugdreclassering van 16 december 2025.
Uit het rapport en de actualisatiebrief van de Raad komt naar voren dat de verdachte gedurende zijn schorsing een positieve ontwikkeling laat zien en gemotiveerd is om zijn leven te beteren, zonder verdere politiecontacten. De kans op herhaling wordt, mede door het strakke kader van de schorsingsvoorwaarden, als laag ingeschat. Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan ziet de Raad wel risicofactoren in de ontkennende houding van de verdachte en het daaruit voortvloeiende gebrek aan verantwoordelijkheid. De Raad adviseert in dat geval tot oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Dit onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering, zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachte, meewerkt aan begeleiding door een jongerencoach vanuit E25 (of een soortgelijke instelling) en een dagbesteding heeft.
Op de zitting heeft de Raad hieraan de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden toegevoegd. Desgevraagd heeft de Raad verder aangegeven een contactverbod met de medeverdachte niet meer nodig te vinden. Mocht de rechtbank naast het voorarrest nog een onvoorwaardelijke strafdeel passend vinden, dan adviseert de Raad tot oplegging van een werkstraf, zodat de verdachte niet terug naar de jeugdgevangenis hoeft.
Verder adviseert de Raad toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
De jeugdreclassering heeft zich achter het gewijzigde advies van de Raad geschaard. De verdachte staat nog steeds op de wachtlijst voor behandeling bij E25. De jeugdreclassering vindt, gezien zijn positieve ontwikkeling in de afgelopen periode, behandeling op dit moment niet noodzakelijk, maar acht het wel wenselijk dat de behandeling bij E25 als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen, als stok achter de deur. De jeugdreclassering adviseert aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van twee jaar te verbinden.
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte verder meegewogen dat hij zich in de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft gehouden aan ingrijpende voorwaarden, waaronder huisarrest en elektronische monitoring (enkelband).
Op te leggen straf
Bij ernstige strafbare feiten als het medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld tegen personen, waarbij bovendien sprake is van het gebruik van een wapen, geldt in zijn algemeenheid dat onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte en de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering echter aanleiding om deze deels in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen. Om de positieve ontwikkeling van de verdachte niet te doorkruisen zal de rechtbank de aan de verdachte onvoorwaardelijke jeugddetentie beperken tot de periode die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken.
De rechtbank acht daarnaast een werkstraf op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte een vol weekprogramma heeft, bestaande uit school, stage, (onbetaald) werk, sport en begeleiding. Om te voorkomen dat de verdachte wordt overvraagd, zal de rechtbank een lagere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevraagd. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak.
Alles afwegende veroordeelt de rechtbank de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen, met aftrek van het voorarrest, en bepaalt dat hiervan een gedeelte van 106 (honderdzes) dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden, onder
de voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten diefstal met (bedreiging van) geweld. Gelet op de over de verdachte uitgebrachte rapportage en de door de Raad als hoog ingeschatte kans op herhaling zonder begeleiding en behandeling, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Vordering benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregel

7.1.1. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met de oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 3.000,00 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het meer gevorderde heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.1.3. Standpunt van de verdediging
Vanwege de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag significant te matigen.
7.1.4. Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank overweegt dat het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte(n) een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. De aard en ernst van die normschending en de gevolgen voor de benadeelde partij, zoals onderbouwd in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding, zijn zodanig geweest dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een aantasting in persoon ‘op andere wijze’.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Daarbij bepaalt de rechtbank dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken. Op dit moment is niet vast komen te staan dat de benadeelde partij daarvoor kosten heeft gemaakt. De rechtbank begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding voor het toegewezen deel van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
7.2.1. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5590,83 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade, ter grootte van € 590,83, en immateriële schade, ter grootte van € 5.000,00, die hij als gevolg van feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met de oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de
benadeelde partij geheel, hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.3. Standpunt van de verdediging
Vanwege de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag aan immateriële schade significant te matigen. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.2.4. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 bewezenverklaarde. Dit deel van de vordering is door de verdediging niet betwist. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 590,83, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Ook een vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering, de voorgedragen slachtofferverklaring en het verder verhandelde op de zitting. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte(n) de benadeelde partij hebben geconfronteerd met forse dreiging met geweld door het richten van het wapen op hem en het overhalen van de trekker, als gevolg waarvan de benadeelde partij psychische schade in de vorm van een posttraumatische-stressstoornis heeft opgelopen.
Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde immateriële vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend, samen met (een) ander(en) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk. Voor zover een (van de) medeverdachte(n) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen en zal hij in zoverre zijn bevrijd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging nog moet maken. Op dit moment is niet vast komen te staan dat de benadeelde partij daarvoor kosten heeft gemaakt. De rechtbank begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 11 juli 2024 in de zaak met parketnummer 09/120213-23 heeft de rechtbank Den Haag de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren en hierbij een proeftijd van twee jaren vastgesteld. Aan die proeftijd heeft de rechtbank Den Haag de algemene voorwaarde, inhoudende dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en bijzondere voorwaarden, verbonden. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 31 juli 2024 aan de verdachte toegezonden.
De rechtbank stelt vast dat de kinderrechter in de rechtbank Den Haag op 2 juli 2025 de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde werkstraf heeft bevolen, te weten voor de duur van 20 (twintig) uren, en dat deze beslissing onherroepelijk is.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijk opgelegde werkstraf, waarvan 60 (zestig) uren resteren, ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
De rechtbank heeft bij het onderzoek op de zitting vastgesteld dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde, dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
150 (honderdvijftig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
106 (honderdzes) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte gedurende de proeftijd:
zich meldt bij de jeugdreclassering van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, zo frequent en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
meewerkt aan de begeleiding door een jongerencoach van E25 of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
meewerkt aan behandeling vanuit E25 of een soortgelijke instelling, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
een vorm van dagbesteding heeft, zoals onderwijs, werk en/of een andere vorm van dagbesteding, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voornoemde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
  • medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
60 (zestig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 5]geleden immateriële schade tot een bedrag van
€ 3.000,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 5] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten voor de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel voor slachtoffer [de benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan al door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 5.590,83, bestaande uit € 590,83 aan materiële schade en
€ 5.000,00 aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel voor slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.590,83, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan al door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09/120213-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van
60 (zestig) uren, subsidiair 30 (dertig) dagen jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2024.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Cuvelier, voorzitter,
mr. B.M.A. Bataille en mr. E.K.A. van den Bos, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 30 april 2026.