ECLI:NL:RBNHO:2026:8051

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
12014371 \ CV EXPL 25-3786
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 3 BWArt. 6:230v lid 7 BWArt. 22 RvArt. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing informatieplichten en oneerlijke bedingen in consumentenleaseovereenkomst

In deze civiele zaak vordert Friesland Lease B.V. betaling van een bedrag van €3.626,39 plus bijkomende kosten van de gedaagde partij, die verstek liet gaan. De vordering is gebaseerd op een op afstand gesloten consumentenleaseovereenkomst. De rechtbank voert een ambtshalve toetsing uit op de naleving van de wettelijke informatieplichten zoals neergelegd in de artikelen 6:230m en 6:230v BW.

De eisende partij heeft niet duidelijk gemaakt of in het bestelproces een bestelknop is gebruikt die ondubbelzinnig aangeeft dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Ook is onvoldoende aangetoond dat de consument vooraf expliciet is gewezen op belangrijke informatie over levering, herroepingsrecht en kosten bij uitoefening daarvan, die slechts in de algemene voorwaarden zijn opgenomen.

Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat een beding in de algemene voorwaarden dat ontbinding mogelijk maakt bij niet-betaling vermoedelijk oneerlijk is, omdat het afwijkt van de wettelijke redelijkheidstoets. De eisende partij krijgt daarom de gelegenheid om zich uit te laten over deze bevindingen en om aanvullende algemene voorwaarden te overleggen. De verdere beslissing wordt aangehouden tot nadere toelichting is ontvangen.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid tot nadere toelichting over informatieplichten en oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 12014371 \ CV EXPL 25-3786
Uitspraakdatum: 2 juli 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Friesland Lease B.V.
te Drachten
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 3.626,39, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
Ambtshalve toetsing van informatieplichten: de bestelknop
2.3.
Artikel 6:230v lid 3 BW bevat een bijzondere verplichting voor overeenkomsten die op elektronische wijze worden gesloten, zoals de onderhavige overeenkomst. Deze verplichting houdt in dat de handelaar het elektronische bestelproces zo moet inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien de overeenkomst wordt aanvaard door gebruik van een knop of soortgelijke functie, moet die knop of soortgelijke functie worden uitgerust met een goed leesbare, ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt.
2.4.
Om te beoordelen of de handelaar aan deze verplichting heeft voldaan, moet alleen rekening worden gehouden met de woorden op de bestelknop (of soortgelijke functie) waarmee de consument het bestelproces afrondt. Er mag geen acht worden geslagen op de verdere omstandigheden van het bestelproces. [2]
2.5.
Uit de stellingen van de eisende partij blijkt niet of zij in het bestelproces gebruikmaakt van een bestelknop (of soortgelijke functie). Evenmin heeft zij een schermafbeelding overgelegd van het proces om de overeenkomst te tekenen. In de e-mail bij de leaseovereenkomst (productie 2a) staat dat deze digitaal getekend kan worden “door op de bevestiging te klikken”. Daarmee is het onduidelijk of het hierbij gaat om een knop waarmee de consument de overeenkomst kan tekenen (en dus een betalingsverplichting aangaat) en hoe de tekst op deze eventuele knop luidt.
2.6.
De eisende partij zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om toe te lichten of bij het ondertekenen van de overeenkomst gebruik is gemaakt van een bestelknop (of soortgelijke functie) en hoe de tekst op deze eventuele knop luidt.
Ambtshalve toetsing van de overige precontractuele informatieplichten
2.7.
De eisende partij stelt ook te hebben voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW. Ter onderbouwing hiervan heeft zij schermafbeeldingen van het aanvraagproces op haar website en een afschrift van de overeenkomst en van haar algemene voorwaarden overgelegd, voorzien van een toelichting.
2.8.
Uit deze toelichting en stukken blijkt echter niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder g, h, en j BW heeft voldaan. De eisende partij stelt namelijk dat de informatie over de wijze van levering, het herroepingsrecht en de verplichting voor de consument om de handelaar redelijke kosten te vergoeden bij de uitoefening daarvan is opgenomen in de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat de gedaagde partij hiermee niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte is gebracht van deze informatie. De gedaagde partij had er vóór het sluiten van de overeenkomst tenminste expliciet op gewezen moeten worden dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Niet gesteld of gebleken is dat daaraan is voldaan. Voor deze schendingen zal een sanctie worden toegepast.
Ambtshalve toetsing van de contractuele informatieplicht
2.9.
De eisende partij stelt te hebben voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW. Zoals hiervoor overwogen bevat de afschrift van de overeenkomst niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie. Daarin ontbreekt namelijk in ieder geval de informatie over de wijze van levering, het herroepingsrecht en de verplichting voor de consument om de handelaar redelijke kosten te vergoeden bij de uitoefening daarvan. Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.10.
De kantonrechter moet, gelet op het Dexia-arrest [3] , onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.11.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene Voorwaarden Privé Leasefiets’ van januari 2020 (hierna: de algemene voorwaarden).
Artikel 8.6 van de algemene voorwaarden luidt als volgt: ‘
Indien u het termijnbedrag of andere bedragen niet tijdig betaalt, kan de overeenkomst ontbonden worden. Indien Leasefiets de Leaseovereenkomst ontbindt wegens niet-betaling wordt de reeds bestaande vordering op u verhoogd met de ontbindingsvergoeding. Deze ontbindingsvergoeding is gelijk aan de opzeggingsvergoeding zoals beschreven in artikel 15. De ontbindingsvergoeding bent u verschuldigd naast de andere bedragen. (…)’
2.12.
Artikel 18.1 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:
‘Leasefiets mag de overeenkomst ontbinden als u het termijnbedrag of andere bedragen niet hebt betaald, ook niet nadat u daartoe in de gelegenheid bent gesteld. Leasefiets waarschuwt u voorafgaand aan de ontbinding tijdig. (…)’
2.13.
Deze bedingen wijken ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling omdat in de wettelijke regeling is bepaald dat alleen mag worden ontbonden als de tekortkoming zodanig ernstig is dat dit de ontbinding rechtvaardigt. Daar zit een redelijkheidstoets in die de bedingen niet kennen. Integendeel, op grond van de bedingen kan de eisende partij bij het onbetaald laten van een leasetermijn of andere bedragen tot ontbinding overgaan en een ontbindingsvergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Weliswaar staat in artikel 18 van Pro de algemene voorwaarden dat de wettelijke ontbindingsmogelijkheden daarnaast van toepassing blijven, maar in dit beding is niet opgenomen dat ook gebruik moet worden gemaakt van de wettelijke vereisten in het kader van ontbinding. Daarom zijn deze bedingen vermoedelijk oneerlijk.
2.14.
De kantonrechter is voornemens om deze bedingen te vernietigen. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat deze vernietiging tot gevolg zal hebben dat de gevorderde ontbindingsvergoeding niet toewijsbaar is. De verschuldigdheid van deze vergoeding is in de algemene voorwaarden immers aan deze bedingen gekoppeld. De eisende partij zal in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over dit voornemen en de gevolgen daarvan voor (de hoogte van) de vordering.
2.15.
De overige bedingen uit de algemene voorwaarden die verband houden met de vordering, te weten de artikelen 8.4 en 8.5 zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.16.
Uit de overgelegde stukken blijkt daarnaast dat op de overeenkomst(en) de ‘Aanvullende Voorwaarden VanMoof Abonnement’, de ‘VanMoof Peace of Mind Voorwaarden’ en de ‘verzekeringsvoorwaarden van King Polis’ van toepassing zijn verklaard. De eisende partij heeft die algemene voorwaarden echter niet bij de dagvaarding gevoegd. Bij gebreke van alle toepasselijke algemene voorwaarden kan de ambtshalve taak om onderzoek te doen naar mogelijk oneerlijke bedingen niet uitvoeren.
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat dit in eventuele vervolgzaken kan leiden tot afwijzing van (een gedeelte van) de vordering. [4]
2.17.
In dit geval en bij wijze van uitzondering zal de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid worden gesteld om de ‘Aanvullende Voorwaarden VanMoof Abonnement’, de ‘VanMoof Peace of Mind Voorwaarden’ en de ‘verzekeringsvoorwaarden van King Polis’ te overleggen en toe te lichten welke bedingen uit die voorwaarden op haar vorderingen van toepassing zijn. Daarbij kan zij zich ook uitlaten over de (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen die op haar vorderingen van toepassing zijn.
Conclusie
2.18.
De eisende partij krijgt de gelegenheid om bij akte de onder 2.6 en 2.17 bedoelde toelichting en stukken te verstrekken. Daarbij krijgt zij ook de gelegenheid om te reageren op het voorlopige oordeel over de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen en de gevolgen daarvan voor (de hoogte van) de vordering.
2.19.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 30 juli 2026 om de eisende partij de gelegenheid te geven om bij akte de onder 2.6 en 2.17 bedoelde toelichting en stukken te verstrekken en om te reageren op het voorlopige oordeel over de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen en de gevolgen daarvan voor (de hoogte van) de vordering;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 7 april 2022, ECLI:EU:C:2022:269 (Fuhrmann), punt 28.
3.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
4.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 augustus 2026