ECLI:NL:RBNHO:2026:805

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373960/KG ZA 26-30
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot afgifte sieraden en munten uit gezamenlijke kluis na beëindiging affectieve relatie

Partijen hadden een affectieve relatie en hielden in mei 2024 een Islamitisch huwelijksfeest waarbij zij geld, gouden munten en sieraden ontvingen. Deze sieraden en munten werden in een gezamenlijke kluis geplaatst. Na het beëindigen van hun relatie wilde de man de sieraden en munten verdelen, maar de vrouw weigerde mee te werken en had de sleutel van de kluis. De man verkreeg verlof voor beslaglegging op de inhoud van de kluis, maar bij opening bleek de kluis leeg.

De man vorderde in kort geding primair afgifte van de sieraden en munten aan de gerechtelijk bewaarder en subsidiair een voorschot op schadevergoeding. De vrouw betwistte het spoedeisend belang en eigendom, stelde dat de sieraden haar persoonlijk toekwamen volgens Islamitisch gebruik en dat de man zijn deel al had meegenomen of verkocht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van de man voldoende was, gelet op de leeg aangetroffen kluis en tegenstrijdige verklaringen van de vrouw. De eigendom van de sieraden en munten kon in kort geding niet definitief worden vastgesteld en moest in een bodemprocedure worden onderzocht. De vordering tot afgifte werd toegewezen met benoeming van de deurwaarder tot gerechtelijk bewaarder, met de mogelijkheid voor de vrouw om vervangende zekerheid te stellen. De proceskosten werden gecompenseerd en de dwangsom gematigd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt afgifte van de sieraden en munten aan de gerechtelijk bewaarder met mogelijkheid tot vervangende zekerheid en legt een dwangsom op bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373960 / KG ZA 26-30
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. Z. Taspinar,
tegen
[de vrouw],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.C. Rijnierse.
De zaak in het kort
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben in mei 2024 een huwelijksfeest gegeven. Tijdens dat feest hebben partijen geld, gouden munten en sieraden gekregen van familie, vrienden en kennissen. De sieraden en munten hebben partijen vervolgens ondergebracht in een door hen samen gehuurde kluis. Omdat de relatie is geëindigd wenst de man te komen tot verdeling van de sieraden en munten. De vrouw maakt hiertegen bezwaar. De man had niet langer een sleutel van de kluis in zijn bezit en heeft na daartoe verkregen verlof beslag doen leggen op de inhoud van de kluis. De kluis is leeg aangetroffen. De man vordert in deze procedure primair afgifte van de munten en sieraden aan de aangewezen gerechtelijk bewaarder. Subsidiair vordert hij een voorschot op schadevergoeding voor de waarde van zijn helft van de munten en sieraden. De vrouw heeft verschillende verklaringen afgelegd, die onderling tegenstrijdig zijn met elkaar. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man (gedeeltelijk) toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met verlof tot betekening op verkorte termijn met de producties 1 tot en
met 9
- de aanvullende producties 10 tot en met 15 van de man
- de aanvullende producties 16 en 17, alsmede een vertaling van productie 3 van de man
- de uitgeschreven tekst van de voice-memo overgelegd als productie 15 van de man
- de producties 1 tot en met 10 van de vrouw
- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026
- de pleitnota van de man
- de spreekaantekeningen van de vrouw.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 28 januari 2026 zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Taspinar voornoemd en de vrouw, bijgestaan door mr. Rijnierse voornoemd.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben van februari 2023 tot en met oktober 2025 een affectieve relatie gehad en hebben vanaf mei 2024 tot en met oktober 2025 samengewoond.
Uit hun relatie is op 10 september 2025 hun zoon [minderjarige] geboren.
2.2.
Op 1 mei 2024 hebben partijen een Islamitische huwelijksceremonie gehouden en een huwelijksfeest gegeven. Partijen zijn niet formeel gehuwd voor de Nederlandse wet. Tijdens het feest hebben familie, vrienden en kennissen van partijen hun een grote hoeveelheid geld, gouden munten en sieraden geschonken. De man heeft de munten en sieraden op 27 mei 2024 ondergebracht in een voor dat doel kort daarvoor door partijen gezamenlijk gehuurde kluis bij de Nederlandse Kluis B.V. te [plaats]. Hij heeft daarbij foto’s en een video gemaakt van de munten en sieraden die in de kluis waren gelegd.
2.3.
Na het verbreken van de relatie heeft de man de vrouw meermalen verzocht mee te werken aan verdeling van de munten en sieraden die zich in de kluis bevonden. De vrouw wilde niet meewerken aan verdeling. De man had zelf geen toegang meer tot de kluis omdat hij geen kluissleutel meer in zijn bezit heeft.
2.4.
De man heeft, na daartoe verkregen verlof, op 15 januari 2026 beslag doen leggen op de inhoud van de kluis, waarna de toegang tot de kluis door de Nederlandse Kluis B.V. is geblokkeerd. Bij het verleende beslagverlof is tevens de deurwaarder benoemd tot gerechtelijk bewaarder. De vrouw heeft op 16 januari 2026 aan de deurwaarder medegedeeld niet mee te zullen werken aan afgifte van de munten en sieraden uit de kluis en verklaard dat zij de sieraden eerder al uit de kluis heeft gehaald en elders heeft ondergebracht. Na deze mededeling van de vrouw is op 20 januari 2026, in aanwezigheid van de deurwaarder, de advocaat van de man en de man zelf, het slot van de gezamenlijke kluis van partijen open geboord. De kluis is leeg aangetroffen.
2.5.
De man heeft een concept-dagvaarding voor een bodemprocedure overgelegd waarin hij verdeling vordert van de sieraden en de munten.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert - samengevat – om de vrouw te veroordelen tot afgifte ter bewaring van de gouden sieraden en muntstukken zoals opgenomen in punt 12 van de dagvaarding aan de als gerechtelijk bewaarder aangestelde deurwaarder, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom. Voorzover de vrouw niet tot afgifte van bovenvermelde sieraden en munten overgaat, vordert de man de vrouw te veroordelen om bij wijze van een voorschot op een schadevergoeding de helft van de waarde van de gouden sieraden en muntstukken ad € 68.833,- aan hem te betalen, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom. Een en ander met veroordeling de vrouw in de kosten van deze procedure, dan wel om een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
3.2.
De man stelt dat de vrouw onrechtmatig handelt jegens hem. Hij stelt dat de sieraden en munten gezamenlijk eigendom zijn van partijen en tussen partijen verdeeld moeten worden. Verder stelt hij dat zich in de kluis ook goud bevond dat hij van zijn overleden vader heeft gekregen en dat alleen zijn eigendom is. Hij stelt spoedeisend belang te hebben bij afgifte van de munten en sieraden aan de gerechtelijk bewaarder, omdat gebleken is dat de vrouw de kluis al heeft leeggehaald. Hij voert aan dat de vrouw al heeft gedreigd de sieraden en munten die partijen gezamenlijk toekomen alsmede het goud van zijn overleden vader te verkopen en dat hij bang is dat de vrouw dit daadwerkelijk zal doen. Hij stelt dat hij er daarom belang bij heeft om de sieraden en munten veilig te stellen en van hem niet gevergd kan worden dat hij eerst de uitkomst van een nog te voeren bodemprocedure afwacht.
3.3.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwist dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. In dat verband stelt zij dat de man zich de helft van het goud en de munten al heeft toegeëigend en dat hij het goud dat de vrouw nog bezat zo spoedig mogelijk te gelde heeft gemaakt door haar deze te laten ophalen uit de kluis en ze vervolgens te verkopen in Turkije. Zij betwist dat zij sieraden of munten heeft verduisterd, althans heeft de man dit niet aangetoond en betwist verder dat zij voornemens is het resterende goud te verkopen. Zij verklaart dat als zij dat zou willen, zij dat allang had kunnen doen.
3.4.
Inhoudelijk stelt de vrouw in de eerste plaats dat alle sieraden en gouden munten tijdens het feest aan haar persoonlijk zijn geschonken en dat zij daar als eigenaar vrij over mag beschikken. Zij wijst er op dat zij ook als enige de sieraden mag dragen omdat het onder de Islam voor mannen verboden is om goud te dragen en dat de sieraden daarom haar persoonlijke eigendom zijn geworden. Daarbij wijst zij er ook op dat het geld dat aan partijen werd geschonken tijdens het feest bij de man werd omgehangen en dat hij dat ook niet met haar gedeeld heeft, maar geheel zelf heeft gehouden en zij stelt dat de man geen bewijs heeft overgelegd dat hij het geld gebruikt heeft om de kosten van het feest te betalen.
Daarnaast voert zij aan dat de man de munten en de sieraden op 27 mei 2024 in de kluis heeft gelegd en daarvan opnamen heeft gemaakt, maar dat hij tegelijkertijd zijn helft van de munten en sieraden, alsmede het goud dat hij van zijn overleden vader heeft gekregen, heeft meegenomen uit de kluis.
De vrouw erkent dat zij meerdere bezoeken heeft gebracht aan de kluis en stelt dat dit vaak was om in opdracht van de man goud uit de kluis te halen zodat de man dat goud in Turkije kon verkopen, waarna hij de opbrengst in zijn onderneming stopte. Volgens de vrouw heeft dit plaatsgevonden in de periode juli tot augustus 2024, alsmede in december 2024 en mei 2025. Zij stelt dat zij daarom ook niet meer kan voldoen aan afgifte van alle zaken waarvan de man thans afgifte vordert.
De vrouw verklaart dat zij alleen nog een halsketting met muntjes en een bijpassende armband onder zich heeft welke zij van haar ouders heeft gekregen en betwist dat zij de sieraden en munten uit de kluis heeft ondergebracht bij haar zwager. Zij erkent dat zij dit tegen de man heeft gezegd, maar stelt dat zij dit heeft gedaan omdat ze bang was voor de man. Tenslotte betwist de vrouw de door de man gestelde waarde van de sieraden en de munten en voert aan dat de gestelde waarde is gebaseerd op een eenzijdige taxatie die de man heeft laten verrichten, terwijl hij tegelijkertijd stelt niet over de sieraden en munten te beschikken, zodat het mogelijk is dat de man willekeurige bedragen heeft laten noteren door een mogelijk bevriende juwelier, om zo een hoger geldbedrag bij haar te kunnen claimen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Tijdigheid dagvaarding
4.1.
De vrouw heeft in de eerste plaats gesteld dat de man niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vorderingen omdat de dagvaarding niet tijdig aan haar is betekend.
Dit verweer gaat niet op. Voor zover zou moeten worden vastgesteld dat de dagvaarding niet tijdig binnen de daarvoor gegeven verkorte termijn aan de vrouw is betekend, is de eventuele nietigheid van de dagvaarding gedekt doordat de vrouw (met haar advocaat) ter zitting is verschenen en niet is gesteld of gebleken dat de vrouw in haar verdediging is geschaad. De man kan daarom worden ontvangen in zijn vorderingen.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.3.
De vrouw heeft gesteld dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering omdat hij niet heeft aangetoond dat zij de sieraden en munten heeft verduisterd. In deze stelling wordt de vrouw niet gevolgd. Uit de overgelegde stukken is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw de sieraden en de munten uit de gezamenlijke kluis heeft gehaald en deze buiten het bereik van de man heeft ondergebracht. Hieruit volgt dat de man een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.
Eigendom van de sieraden en munten
4.4.
Tussen partijen bestaat discussie over de eigendom van de sieraden en munten. De man stelt dat de door partijen op het feest gekregen munten en sieraden (naar Nederlands recht) gezamenlijk eigendom zijn, terwijl de vrouw stelt dat deze, naar Islamitisch gebruik, aan haar zijn geschonken als een soort bruidsgave/bruidsschat en bedoeld zijn als een soort zekerheid voor haar voor het geval het huwelijk zou mislopen.
4.5.
Vooropgesteld wordt dat partijen die beiden in Nederland wonen het voornemen hadden om te trouwen en dat zij in dat verband in mei 2024 ook een groot huwelijksfeest hebben gegeven overeenkomstig de Islamitische traditie. Partijen zijn echter niet gehuwd overeenkomstig de Nederlandse wet. Ook als partijen wel overeenkomstig de Nederlandse wet zouden zijn gehuwd, zou dit, anders dan de man heeft betoogd, niet zonder meer betekenen dat er een algehele gemeenschap van goederen tussen hen zou bestaan. Sinds 1 januari 2018 ontstaat bij een huwelijk naar Nederlands recht een beperkte gemeenschap van goederen, uitsluitend met betrekking tot goederen die partijen tijdens hun huwelijk verwerven. Omdat partijen echter niet voor de Nederlandse wet zijn gehuwd, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de verkregen sieraden en munten gezamenlijk eigendom zijn. Ook staat echter niet op voorhand vast dat de sieraden volgens Islamitisch gebruik uitsluitend aan de vrouw zijn gegeven als bruidsschat of bruidsgave, zoals zij aanvoert. Binnen de beperkte kaders van deze kort gedingprocedure valt de eigendom van de munten en sieraden dan ook niet vast te stellen. Daarvoor is nader onderzoek nodig naar de schenkingen en de intentie daarvan en voor dergelijk nader onderzoek leent een kort gedingprocedure zich naar zijn aard niet. Dit nadere onderzoek zal moeten plaatsvinden in de nog aanhangig te maken bodemprocedure.
Belang bij afgifte sieraden en munten
4.6.
Aan de man was verlof verleend om conservatoir beslag te doen leggen tevens beslag tot afgifte in gerechtelijke bewaring, met benoeming van de deurwaarder tot gerechtelijke bewaarder. De deurwaarder heeft op 15 januari 2026 het beslag gelegd, waarna de toegang tot de kluis is geblokkeerd. Echter op 20 januari 2026 is gebleken dat de kluis al was leeggehaald. Dit betekent dat de sieraden en munten buiten bereik van de man zijn gebracht. De vordering van de man tot afgifte van de sieraden en munten aan een gerechtelijk bewaarder in afwachting van de uitkomst van de nog te voeren bodemprocedure over de verdeling is dan ook een logisch gevolg van het leeg aantreffen van de kluis. Daarom wordt geoordeeld dat de man voldoende belang heeft bij zijn vordering en dat deze zal worden toegewezen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter het volgende in overweging.
4.7.
In deze procedure heeft de vrouw verklaard dat de man zijn helft van de munten en sieraden al op 27 mei 2024 heeft meegenomen uit de kluis, maar dit is door de man nadrukkelijk betwist en door de vrouw niet nader onderbouwd. De man heeft bij zijn bezoek aan de kluis op 27 mei 2024 foto’s en een video gemaakt van de sieraden en de munten die hij toen in de kluis heeft gelegd en de vrouw heeft in een app-bericht van 3 november 2024 nog erkend dat deze zaken in de kluis liggen. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat de vrouw het standpunt dat de man zijn deel al heeft meegenomen in de eerdere communicatie met de man niet heeft ingenomen. Verder blijkt uit het overgelegde logboek van de Nederlandse Kluis dat de man de kluis na 27 mei 2024 niet meer heeft bezocht, terwijl de vrouw de kluis veelvuldig, namelijk 33 keer, heeft bezocht. Geconfronteerd met haar vele bezoeken aan de kluis heeft de vrouw verklaard dat zij dat deed om sieraden of munten op te halen voor de man, zodat hij ze kon verkopen in Turkije. Gelet op de hoeveelheid geregistreerde bezoeken aan de kluis door de vrouw komt deze uitleg de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor. Ook de verklaring van de vrouw dat zij de kluis vaak bezocht omdat zij in de kluis ook persoonlijke en emotioneel waardevolle goederen van haar kind, waaronder echofoto's en foto's van kraambezoek bewaarde en dat zij op 16 januari 2026 naar de kluis wilde gaan om aanvullende foto’s daarin te leggen maar toen geen toegang kreeg tot de kluis, is ongeloofwaardig in het licht van haar verklaring tegenover de deurwaarder dat zij de kluis eerder al had leeggehaald en het feit dat de kluis bij opening op 20 januari 2026 daadwerkelijk leeg is aangetroffen.
4.8.
In het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden komt de verklaring van de vrouw dat zij alleen maar een halsketting met muntjes en een bijpassende armband onder zich heeft die zij van haar ouders heeft gekregen, de voorzieningenrechter ongeloofwaardig voor. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat in verschillende overgelegde app-berichten tussen partijen wordt gesproken over ‘ons goud’ en dat de vrouw in de overgelegde geluidsopname van 26 januari 2026 op een vraag van de man waar ‘ons goud’ is heeft geantwoord dat het bij [betrokkene], een zwager van de vrouw, ligt. Dat de vrouw de sieraden en munten waar het hier om gaat ook daadwerkelijk bij haar zwager heeft ondergebracht blijkt ook uit het feit dat diezelfde zwager de man op 22 januari 2026, derhalve kort voor de mondelinge behandeling in deze zaak, heeft gevraagd om samen met hem en de vrouw in gesprek te gaan over de verdeling van de sieraden en munten. Dit alles maakt dat de verklaringen van de vrouw dat de man zijn helft van de munten en sieraden al had meegenomen op 27 mei 2024 of dat de munten en sieraden op verzoek van de man al zijn verkocht de voorzieningenrechter vooralsnog ongeloofwaardig voorkomen.
4.9.
Tenslotte bevindt zich bij de stukken een app-bericht van de vrouw van 7 februari 2025 (12:21 uur) waarin een foto zichtbaar is van de munten. Uit het logboek blijkt dat de vrouw diezelfde dag om 12:08 uur de kluis heeft bezocht. De vrouw heeft betwist dat de foto betekent dat de munten toen in de kluis lagen en heeft verklaard dat de foto een uitsnede is van een foto die de man eerder op 27 mei 2024 had gemaakt ter bevestiging van hetgeen partijen in de kluis hebben gelegd. In deze betwisting wordt de vrouw niet gevolgd, omdat de foto die zich bevindt bij het app-bericht in ieder geval geen uitsnede is van één van de foto’s die de man ter onderbouwing in het geding heeft gebracht en de vrouw haar stelling daarnaast onvoldoende heeft onderbouwd.
4.10.
Omdat de vrouw de sieraden en munten buiten het bereik van de man heeft gebracht en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over dit goud, wordt geoordeeld dat de man voldoende belang heeft bij toewijzing van zijn vordering tot afgifte ter bewaring in afwachting van de uitkomst van een nog te voeren bodemprocedure over de verdeling.
Dit geldt niet alleen voor de sieraden en munten waarvan nog niet kan worden vastgesteld of deze gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen, maar ook van het goud dat de man van zijn overleden vader heeft gekregen. Dat de vrouw de betreffende sieraden nog onder zich heeft blijkt voldoende uit het app-bericht van 28 oktober 2024 waarin de vrouw zegt
“Ik ga jou, dat setje van je vader, ook niet geven”.De verklaring van de vrouw dat zij dit alleen maar heeft gezegd om de man te raken, is niet geloofwaardig en verhoudt zich niet met haar stelling dat zij bang is voor de man.
Gerechtelijke bewaring
4.11.
Bij het verlof tot het leggen van beslag is de deurwaarder tevens benoemd tot gerechtelijk bewaarder. Op basis van de overgelegde stukken blijkt dat niet kan worden vastgesteld of het gelegde beslag doel getroffen heeft. Wel kan worden vastgesteld dat op 20 januari 2026, derhalve vijf dagen na de beslaglegging, de kluis leeg is aangetroffen. Bovendien heeft de vrouw tegen de deurwaarder verklaard dat zij de spullen eerder al uit de kluis had gehaald. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de benoeming van de gerechtelijk bewaarder zonder effect is gebleven. Wel is voldoende aannemelijk geworden dat de deurwaarder die eerder het beslag heeft gelegd nog altijd bereid is op te treden als gerechtelijk bewaarder. Daarom zal de vordering tot afgifte worden toegewezen met benoeming van de deurwaarder tot gerechtelijke bewaarder.
Vervangende zekerheid
4.12.
De vrouw heeft verklaard dat zij niet meer beschikt over alle munten en sieraden waarvan de man afgifte vordert, omdat een deel van de sieraden en munten door de man zou zijn verkocht. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de vrouw hierin niet wordt gevolgd, ook omdat deze verklaring in het licht van de overige omstandigheden ongeloofwaardig voorkomt. Voor zover de vrouw (toch) niet tot afgifte in staat is, bestaat voor haar de mogelijkheid om in plaats van over te gaan tot afgifte van de sieraden en munten waar het hier om gaat vervangende zekerheid te stellen ten behoeve van de man voor de helft van de getaxeerde waarde van het goud. Als in de nog te voeren bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van het goud, heeft de man immers uitsluitend aanspraak op de helft van (de waarde van) het goud. Weliswaar heeft de vrouw de juistheid van de taxatie waarop de man zich beroept betwist, maar zij heeft hier niets tegenover gesteld, zodat van de juistheid van de onderbouwde taxatie en de daaruit voortgekomen waarde wordt uitgegaan in deze procedure.
Dwangsom
4.13.
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze als bij de beslissing vermeld.
Proceskosten
4.14.
Gelet op de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt de vrouw om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis de gouden sieraden en muntstukken, zoals opgenomen onder punt 12 van de dagvaarding, ter bewaring af te geven aan deurwaarder mr. [deurwaarder] van [bedrijf] B.V. ([bedrijf] B.V. [adres]), die zich bereid verklaard heeft als gerechtelijk bewaarder op te treden, totdat de bodemrechter een beslissing heeft genomen dan wel partijen anderszins overeenstemming bereiken over de verdeling van deze gouden sieraden en munten,
5.2.
wijst deurwaarder mr. [deurwaarder] van [bedrijf] B.V. ([bedrijf] B.V. [adres]) aan tot bewaarder,
5.3.
bepaalt dat de vrouw niet aan de hiervoor in 5.1 gegeven bevel hoeft te voldoen als zij binnen drie werkdagen na betekening van het vonnis ten behoeve van de man vervangende zekerheid stelt voor een bedrag gelijk aan de helft van de waarde van de sieraden en munten, te weten voor een bedrag van € 68.833,-,
5.4.
bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag dat zij na ommekomst van de genoemde termijn niet ofwel aan het onder 5.1 gegeven bevel voldoet of de onder 5.3 bedoelde zekerheid heeft gesteld, met een maximum van € 25.000,00,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
1155