Partijen hadden een affectieve relatie en hielden in mei 2024 een Islamitisch huwelijksfeest waarbij zij geld, gouden munten en sieraden ontvingen. Deze sieraden en munten werden in een gezamenlijke kluis geplaatst. Na het beëindigen van hun relatie wilde de man de sieraden en munten verdelen, maar de vrouw weigerde mee te werken en had de sleutel van de kluis. De man verkreeg verlof voor beslaglegging op de inhoud van de kluis, maar bij opening bleek de kluis leeg.
De man vorderde in kort geding primair afgifte van de sieraden en munten aan de gerechtelijk bewaarder en subsidiair een voorschot op schadevergoeding. De vrouw betwistte het spoedeisend belang en eigendom, stelde dat de sieraden haar persoonlijk toekwamen volgens Islamitisch gebruik en dat de man zijn deel al had meegenomen of verkocht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van de man voldoende was, gelet op de leeg aangetroffen kluis en tegenstrijdige verklaringen van de vrouw. De eigendom van de sieraden en munten kon in kort geding niet definitief worden vastgesteld en moest in een bodemprocedure worden onderzocht. De vordering tot afgifte werd toegewezen met benoeming van de deurwaarder tot gerechtelijk bewaarder, met de mogelijkheid voor de vrouw om vervangende zekerheid te stellen. De proceskosten werden gecompenseerd en de dwangsom gematigd.