ECLI:NL:RBNHO:2026:8049

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
1521642124
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing

Op 9 juni 2024 heeft de verdachte samen met anderen de benadeelde partij wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd in een woning te Zaandam, waarbij hij werd geslagen, bedreigd en gedwongen in een kamer te blijven. Tevens werden persoonlijke bezittingen van het slachtoffer met geweld en bedreiging weggenomen.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt vanwege zijn nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten gedurende het gehele incident. De tenlastegelegde feiten van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing werden wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, de positieve ontwikkeling van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd de volledige immateriële schadevergoeding van €1.600 aan de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van een hoofdelijkheidsclausule en schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur werkstraf, waarvan 50 uur voorwaardelijk, en volledige schadevergoeding aan benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/216421-24
Uitspraakdatum: 1 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
[officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J.C. Verlaan, advocaat te Amsterdam;
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij]
- in een kamer in een woning aan de [adres] op/in te sluiten
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!",
- te verhinderen die kamer te verlaten;
Feit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en/of een jas en/of een shirt en/of airpods en/of een hoeveelheid kleingeld en/of een telefoon en/of een vape en/of een aansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [de benadeelde partij]
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- hem [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 3
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en/of een jas en/of een shirt en/of airpods en/of een hoeveelheid kleingeld en/of een telefoon en/of een vape en/of een aansteker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij]
- in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te duwen/slaan en/of
- hem [dreigend] de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en/of "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het eerste feit, het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving dient te worden vrijgesproken. De verdachte wist niet dat de deur op slot was gedraaid en maakte geen onderdeel uit van het groeps-chatgesprek tussen de medeverdachten. Hij heeft de aangever bovendien niet geduwd of geslagen. Dat hij heeft gezien dat de aangever van de deur werd weggeduwd, op het moment dat deze de kamer probeerde te ontvluchten, is onvoldoende om tot een nauwe en bewuste samenwerking te komen. De enkele aanwezigheid van de verdachte in de kamer levert onvoldoende bewijs voor het onder feit 1 ten last gelegde.
De feiten 2 en 3 kunnen worden bewezen. Daarbij is sprake van eendaadse samenloop.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
Ten aanzien van feit 1
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. [de medeverdachte 1] heeft de aangever gevraagd om in de middag van 9 juni 2024 bij hem thuis te chillen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning van de verdachte gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand, maar op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever onder meer geslagen, werden zijn schoenen gestolen en is zijn jas afgenomen. De aangever heeft de woning verlaten, maar is kort daarna door [de medeverdachte 1] gebeld die hem vroeg terug te komen. De aangever is vervolgens teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. Vanaf dat moment is de aangever van zijn vrijheid beroofd (gehouden), waarbij hij wederom door meerdere jongens geïntimideerd, geslagen, bedreigd en van zijn spullen is beroofd.
De verdachte is, samen met medeverdachten [de medeverdachte 3] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 1] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte ook als medepleger kan worden aangemerkt van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
De rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren en daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest. De verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd, maar heeft, ook nadat het de aangever werd belet de woning te verlaten, dreigende woorden geuit richting aangever en nog goederen van aangever afgenomen. De verdachte en de medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.
Hiermee is ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij]
- in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en
- tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en
- dreigend de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!", en
- te verhinderen die kamer te verlaten;
Feit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij]
- tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en
- hem dreigend de woorden toe te voegen: "als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!" en "Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!";
Feit 3
hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij] toebehoorde door die [de benadeelde partij] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
Ten aanzien van feit 2:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 3:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte nu twee jaar in een schorsing heeft gelopen en zich in positieve zin heeft ontwikkeld. Hij schaamt zich voor wat hij heeft gedaan en hij is niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Het risico op recidive is dan ook laag. Daarnaast dient bij de bepaling van de strafmaat de overschrijding van de redelijke termijn te worden meegewogen. Omdat de op te leggen straf een pedagogisch effect dient te hebben, is, gelet op voorgaande omstandigheden, de eis van de officier van justitie te hoog.
Daarom heeft de raadsman verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van één jaar.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan.
Dit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van het slachtoffer, waarbij hij bij hem veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 10 juni 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .
Daaruit komt naar voren dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden, zijn afspraken is nagekomen en niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij heeft afstand genomen van vrienden die een slechte invloed op hem hadden, hij werkt, gaat naar de sportschool en volgend schooljaar gaat hij starten met een nieuwe opleiding.
Daarentegen is het hulpverleningstraject bij De Waag vroegtijdig gestopt en vindt de Raad het zorgelijk dat de verdachte veel blowt. De Raad zou het de verdachte gunnen om op een andere manier rust in zijn hoofd te krijgen.
Gelet op het lage recidive risico en de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet, heeft de Raad geadviseerd een werkstraf op te leggen. Begeleiding door de jeugdreclassering vindt de Raad niet langer noodzakelijk, gezien het feit dat de risicofactoren laag zijn en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de Waag van 7 mei 2026, opgesteld door [naam] en [naam] , en het evaluatieverslag van de jeugdreclassering van 28 mei 2026, opgesteld door [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , gezinsmanager.
De conclusies in het rapport en het verslag zijn in overeenstemming met de conclusies van de Raad. Na overleg met de Raad is ook de jeugdreclassering tot het advies gekomen om de verdachte geen verder toezicht en begeleiding op te leggen.
Ter zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de raad] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing/diefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte het bewezenverklaarde feit in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens het slachtoffer hebben toegepast.
Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.
Deze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.
Gelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderd (100) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (50) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7.Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]

Namens [de benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
ingediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernst van de feiten de hoogte van de vordering redelijk is en voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de geringe rol van de verdachte bij het plegen van de feiten heeft hij verzocht niet het volledige bedrag met de hoofdelijkheidsclausule aan alle verdachten op te leggen, maar een onderlinge verdeling tussen de verdachten te maken, waarbij een bedrag van € 100 recht doet aan de bijdrage die de verdachte heeft geleverd bij het plegen van de feiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van Pro het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.
De rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van
HONDERD (100) urentaakstraf, in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door
vijftig (50) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
vijftig (50) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
vijfentwintig (25) dagenjeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op
één (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[de benadeelde partij]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.