Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
Rechtbank Noord-Holland
In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een huurwoning die hij verhuurt aan gedaagde, op grond van dringend eigen gebruik. Eiser stelt dat hij de woning dringend nodig heeft vanwege een beëindigde relatie, dreigende dakloosheid, verlies van inkomen en bedreiging van zijn mentale gezondheid. Gedaagde verzet zich tegen de ontruiming en vordert een verhuiskostenvergoeding en compensatie.
De kantonrechter overweegt dat een ontruiming in kort geding alleen kan worden toegewezen als met hoge waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de huurovereenkomst wordt beëindigd en ontruiming wordt bevolen. Dit is een hoge lat, mede vanwege de bescherming van huurders. In dit geval is onvoldoende aannemelijk dat de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
Daarnaast weegt de kantonrechter het belang van gedaagde mee, die met zijn gezin in de woning woont, een beperkt inkomen heeft, en voor wie een verhuizing grote gevolgen heeft, vooral voor zijn achttienjarige zoon met beperkingen die op een speciale school zit. Gezien deze omstandigheden wordt de vordering afgewezen.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De voorwaardelijke tegenvordering van gedaagde wordt niet inhoudelijk behandeld omdat de hoofdvordering wordt afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de huurwoning wegens dringend eigen gebruik wordt afgewezen.