ECLI:NL:RBNHO:2026:801

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/15/372040 / KG ZA 25-742
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over uitleg en handhaving erfdienstbaarheid recht van overpad na nalatenschap

Na het overlijden van hun vader hebben de kinderen het perceel verdeeld waarbij een erfdienstbaarheid van overpad werd gevestigd ten behoeve van eiser en haar zus over het perceel van gedaagde. De erfdienstbaarheid is vastgelegd in een notariële akte van 14 december 2021 met een bijgevoegde situatieschets die afwijkt van de feitelijke situatie.

Gedaagde sloot in november 2025 het pad af dat eiser gebruikte om haar woning te bereiken, waarna eiser een kort geding startte om het gebruik van het pad te herstellen. Gedaagde stelde dat het recht van overpad beperkt was en dat eiser een eigen brug moest aanleggen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de erfdienstbaarheid moet worden uitgelegd conform de akte en de feitelijke bestaande verharde paden, en dat gedaagde onrechtmatig handelde door het pad af te sluiten. Gedaagde werd veroordeeld het pad binnen 48 uur te openen en mocht het niet opnieuw afsluiten. Daarnaast werden beperkingen opgelegd aan het gebruik van het pad door eiser en haar bezoekers, en werd eiser verboden gedaagde en diens familie onheus te bejegenen. De proceskosten werden grotendeels aan gedaagde opgelegd, met een compensatie van kosten in de reconventie.

Uitkomst: Gedaagde moet het pad conform erfdienstbaarheid openstellen, mag het niet afsluiten, en eiser moet het pad op de minst bezwaarlijke wijze gebruiken.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/372040 / KG ZA 25-742
Vonnis in kort geding van 8 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] , [gemeente] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten: mrs. T.E. Deenik en I.F.R. Cox,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ( [land] ),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. de Haan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 28 november 2025, met producties 1-30 (inclusief USB stick);
- de akte overlegging producties (mede voorzien van een USB stick), tevens houdende een (voorwaardelijke) eis in reconventie van [gedaagde] , met producties 1-16;
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Cox en De Haan hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eiser] , [gedaagde] en [naam 1] zijn de kinderen en enige erfgenamen van wijlen de heer [naam 2] (hierna: vader). Vader woonde op een boerderij gelegen aan [adres] te [plaats 1] . Naast de boerderij was er op het perceel ook een aantal andere opstallen aanwezig waren. Een groot gedeelte van de grond betrof bovendien (landbouw)grond.
2.2.
Na het overlijden van vader hebben de kinderen ter afwikkeling van de nalatenschap het perceel van vader bij akte van 14 december 2021 gesplitst en aan de kinderen toegedeeld. [gedaagde] is daarbij eigenaar geworden van de bestaande boerderij met ondergrond (kadastraal nummer [nummer 1] ) en [eiser] en [naam 1] zijn ieder eigenaar geworden van een bouwkavel (respectievelijk kadastrale nummers [nummer 2] en [nummer 3] ). [eiser] en [naam 1] hebben na verdeling ieder een woning gerealiseerd op hun eigen perceel.
2.3.
In verband met de bereikbaarheid van de percelen van [eiser] en [naam 1] is in de genoemde akte van verdeling van 14 december 2021 ook een erfdienstbaarheid gevestigd die, voor zover van belang, luidt als volgt:

Voor zover er thans voor opgemelde onroerende goederen (…) een erfdienstbaarheid bestaat zijnde een recht van overpad om te komen van en te gaan naar de [straat] te [plaats 1] over de vanaf het onroerend goed sub 1 (toevoeging rechtbank: het perceel van [gedaagde] ) te bereiken brug naar die weg is tussen partijen afgesproken als volgt:
Afstand, vastlegging en wijziging van deze erfdienstbaarheid kan slechts geschieden met instemming van alle partijen in deze akte.
De verkrijger van onroerend goed sub 1, [gedaagde] (toevoeging rechtbank: [gedaagde] ) vestigt bij deze ten laste van het als voor hem verkregen perceel [nummer 1] en ten behoeve van de door de andere verkrijgers verkregen percelen [nummer 3] en [nummer 2] een recht van overpad om op de thans gebruikelijke wijze over perceel [nummer 1] middels dit overpad en deze brug de [straat] te bereiken en omgekeerd, zoals er daartoe ook een gelijk overpad wordt gevestigd in aansluiting op het alsvoor gevestigd overpad naar en over de brug ten behoeve van opgemeld perceel [nummer 2] en ten laste van opgemeld perceel [nummer 3] , zoals beide overpaden en brug zijn aangegeven op de aan deze akte gehechte situatieschets.
2.4.
Aan de notariële akte van 14 december 2021 is een situatieschets gehecht, zie onderstaande afbeelding. Deze situatieschets is ten tijde van de verdeling en het vestigen van de erfdienstbaarheid door de notaris handmatig (met een stippellijn) ingetekend op de kadastrale kaart. De situatieschets is niet bij het Kadaster ingeschreven.
De ingetekende route wijkt af van de wijze waarop de percelen op dat moment in de praktijk waren ontsloten. Ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid waren de percelen alleen ontsloten via een brug op het perceel van de buren aan de linkerzijde (perceel [nummer 4] ), vervolgens liep er een verhard pad over het perceel van [naam 1] (perceel [nummer 3] ) en met een bocht over het perceel van [gedaagde] (perceel [nummer 1] ). Direct achter de boerderij van [gedaagde] was verharding aanwezig tot aan het perceel van [eiser] (perceel [nummer 2] ).
De door de notaris ingetekende stippellijn loopt aan de zijde van de openbare weg door het water en vervolgens door de tuin van het perceel van [gedaagde] . De stippellijn loopt verder grotendeels over het perceel van [naam 1] achter perceel [nummer 1] langs naar het perceel van [eiser] . In ieder geval aan de achterzijde van het perceel van [naam 1] was ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid geen pad aanwezig waarmee het perceel van [eiser] bereikt kon worden.
2.5.
Het pad achter de boerderij van [gedaagde] langs richting het perceel van [eiser] is op den duur vervangen, omdat het oude pad verzakt was en een oude keldermuur van of bij de boerderij verwijderd moest worden. Er zijn toen stelconplaten aangebracht.
2.6.
Bij brief van 26 augustus 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] [eiser] gesommeerd, kort gezegd, om binnen tien dagen na dagtekening te bevestigen dat zij geen gebruik meer zou maken van het pad achter de boerderij van [gedaagde] langs. Vervolgens hebben partijen over en weer gecorrespondeerd over de uitleg van de invulling van de gevestigde erfdienstbaarheid.
2.7.
Bij e-mail van 6 oktober 2025 heeft [gedaagde] meegedeeld dat hij [eiser] vanaf vier weken na deze e-mail geen toegang meer zou verlenen tot het pad achter zijn boerderij langs. Op 12 november 2025 heeft [gedaagde] zijn perceel afgesloten met een hekwerk, waardoor [eiser] niet langer van haar perceel naar de openbare weg kan komen met haar auto, en andersom.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de (erf)afscheiding c.q. erfafscheidingen, geplaatst op het pad dat tot aan 11 november 2025 door [eiser] gebruikt werd om haar perceel te bereiken, verwijdert (houdt), zodoende dat [eiser] vanaf de [straat] via de brug en vervolgens via het perceel van [gedaagde] en het aanwezige pad aan de achterzijde van de boerderij gelegen op het perceel van [gedaagde] haar woning kan bereiken, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag(deel) dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft en met een maximum van € 40.000,00;
II. [eiser] machtigt om - indien [gedaagde] niet binnen vijf dagen na betekening van het vonnis een aanvang heeft gemaakt met het voldoen aan het onder I. genoemde - de onder I. bedoelde (erf)afscheiding zelf te doen verwijderen en [gedaagde] veroordeelt in de vergoeding van de kosten die [eiser] daarvoor moet maken;
III. [gedaagde] verbiedt om het pad op zijn perceel waarmee [eiser] naar haar perceel kan komen en gaan, af te sluiten of te blokkeren en daar zaken op te plaatsen of op andere wijze het gebruik daarvan te beperken, waarbij dit verbod zal gelden totdat in een onherroepelijke uitspraak gewezen in een bodemprocedure tussen partijen is komen vast te staan dat [eiser] geen gebruik van het hier bedoelde pad mag maken, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag(deel) dat [gedaagde] dit verbod overtreedt en met een maximum van € 40.000,00;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voorwaardelijk, voor het geval [eiser] gebruik mag blijven maken van het perceel van [gedaagde] :
I. bepaalt dat [eiser] binnen zes maanden na betekening van dit vonnis ofwel zelf een brug dient te realiseren, die haar vanaf de [straat] toegang geeft tot haar eigen perceel, zulks in overeenstemming met de daarvoor verleende vergunning, althans dat zij binnen die termijn zelf een doorgang dient te creëren, op straffe van een dwangsom indien zij die toegang tot haar perceel niet heeft gerealiseerd binnen die termijn en [gedaagde] daarop zijn perceel voor [eiser] weer volledig mag afsluiten;
II. bepaalt dat huisdieren, waaronder honden en paarden, aangelijnd dienen te worden meegenomen over het perceel van [gedaagde] , en dat zij deze niet hun behoeftes laat doen op het perceel van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom;
III. bepaalt dat [eiser] en haar bezoek zich - al dan niet met een aangelijnd huisdier - uitsluitend in een rechte lijn dienen te begeven over het perceel van [gedaagde] , zulks maximaal drie keer op een dag heen en weer, op straffe van een dwangsom;
IV. [eiser] verbiedt om zelf of bezoekers en/of leveranciers te laten keren en/of te parkeren op het perceel van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom;
onvoorwaardelijk:
V. [eiser] verbiedt [gedaagde] of een lid van zijn familie uit te schelden of door hem en/of zijn familieleden anderszins onheus te bejegenen door zich bijvoorbeeld provocerend te gedragen, op straffe van een dwangsom;
voorwaardelijk en onvoorwaardelijk:
VI. [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
3.5.
[eiser] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.3.
De voorzieningenrechter leidt de spoedeisendheid van de zaak af uit het feit dat [eiser] (en haar bezoekers en leveranciers) sinds begin november 2025 niet anders dan te voet haar woning kan (en kunnen) bereiken.
Kader kort geding
4.4.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Uitleg erfdienstbaarheid
4.5.
In de kern draait het geschil om de uitleg van de in de akte van 14 december 2021 gevestigde - al dan niet tijdelijke - erfdienstbaarheid (zie hiervoor onder 2.3).
4.6.
De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend. [1]
4.7.
Bij de uitleg van de akte van 14 december 2021 komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van partijen. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte. De rechtszekerheid vergt dat voor de vaststelling van het recht van erfdienstbaarheid slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven vestigingsakten kenbaar zijn. Indien de ingeschreven vestigingsakte voor verschillende uitleg vatbaar is, moet de rechter vaststellen welke uitleg naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. Indien een vestigingsakte voor verschillende uitleg vatbaar is en verwijst naar feitelijke kenmerken, dient de vestigingsakte mede aan de hand van waarneming van die feitelijke kenmerken te worden uitgelegd.
4.8.
[eiser] verwijst voor de uitleg van de erfdienstbaarheid naar de tekst van de vestigingsakte van 14 december 2021, waarin is opgenomen dat de erfdienstbaarheid uitgeoefend zal worden op de “
thans gebruikelijke wijze”. Volgens [eiser] komt dit neer op het volgen van het aanwezige pad inclusief de verharding achter de boerderij van [gedaagde] , en daar is er maar één van. Dit pad loopt vanaf de brug over het perceel van zus [naam 1] , over het perceel van [gedaagde] met een bocht naar rechts direct achter zijn boerderij langs naar het perceel van [eiser] . Volgens [eiser] wordt dit pad al sinds jaar en dag gebruikt door verschillende partijen, waaronder in het verleden door huurders van de (landbouw)gronden van de vader van partijen.
4.9.
Volgens [gedaagde] moet de erfdienstbaarheid zo uitgelegd worden dat deze niet recht geeft op een doorgang naar [eiser] haar erf pal achter zijn boerderij. Volgens [gedaagde] blijkt uit de tekening bij de akte van 14 december 2021 dat het overpad loopt over het perceel van [naam 1] achter het perceel van [gedaagde] langs. [gedaagde] heeft tijdelijk gedoogd dat [eiser] de doorgang direct achter zijn boerderij gebruikte totdat er een nieuwe brug of uitweg zou worden gerealiseerd. Daar waren de gezamenlijke erven al enige jaren mee bezig, en die eigen ontsluiting zou in ieder geval voor 1 januari 2024 gerealiseerd worden. Nu deze nieuwe brug of uitweg niet op tijd gecreëerd is terwijl dit wel de afspraak was en [eiser] zich bovendien onbehoorlijk heeft gedragen, is [gedaagde] gerechtigd om zijn eigen perceel af te sluiten.
4.10.
De voorzieningenrechter volgt de uitleg van [eiser] . De bewoordingen van de erfdienstbaarheid in samenhang met de door de notaris opgestelde situatieschets, laten geen andere conclusie dan dat de erfdienstbaarheid loopt over de destijds reeds bestaande verharde paden. De situatieschets heeft geen zelfstandige betekenis, maar dient slechts ter verduidelijking van de bewoordingen in de akte. De uitleg die [gedaagde] geeft aan de akte ligt ook niet voor de hand. Die zou namelijk betekenen dat - louter op basis van de wijze waarop de situatieschets is gemaakt - er achter zijn perceel een weg/pad gerealiseerd moest worden. Daarvoor biedt de verdere akte geen enkel aanknopingspunt, mede omdat die voor de loop van het overpad verwijst naar “
op de thans gebruikelijke wijze”. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] , in afwijking van de akte tijdelijk achter zijn boerderij mocht rijden totdat zij een eigen brug naar of toegang tot haar perceel heeft aangelegd, of dat de erfdienstbaarheid slechts beperkte duur zou hebben, blijkt niet uit de akte van 14 december 2021 en volgt verder ook nergens anders uit.
4.11.
Door het afsluiten van het overpad aan twee zijdes van zijn perceel, handelt [gedaagde] in strijd met de erfdienstbaarheid en daarmee onrechtmatig tegenover [eiser] . Hij moet [eiser] weer in de gelegenheid stellen het overpad te gebruiken conform de erfdienstbaarheid. Omdat er voor [eiser] geen andere reële ontsluitingsmogelijkheid bestaat, dient [gedaagde] de afsluitingen op zijn perceel binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te verwijderen. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] verder verbieden om het pad op zijn perceel opnieuw af te sluiten of te blokkeren en daar zaken te plaatsen of op andere wijze het gebruik van het pad te beperken. De gevorderde dwangsommen onder I. en III. zullen bovendien toegewezen worden.
4.12.
[eiser] wordt daarnaast gemachtigd om de erfafscheiding zelf te (doen) verwijderen, indien [gedaagde] dit zelf niet binnen vijf dagen na betekening van het vonnis heeft gedaan. Omdat nog niet duidelijk is of die kosten gemaakt gaan worden en hoeveel die zullen bedragen, zal de voorzieningenrechter [gedaagde] niet veroordelen de kosten hiervan te betalen.
Vorderingen van [gedaagde]
4.13.
Omdat aan de voorwaarde wordt voldaan waaronder [gedaagde] zijn voorwaardelijke vorderingen heeft ingesteld - namelijk dat een of meer vorderingen van [eiser] zouden worden toegewezen - komt de voorzieningenrechter hierna toe aan alle vorderingen van [gedaagde] .
4.14.
In het verlengde van het hiervoor bepaalde, wijst de voorzieningenrechter de vordering van [gedaagde] onder I. af. Weliswaar is aannemelijk geworden dat het de bedoeling van partijen was dat het perceel van [eiser] via een nieuw aan te leggen brug ontsloten zou worden, maar dat [eiser] een rechtens afdwingbare verplichting op zich heeft genomen, blijkt niet. En al helemaal niet dat daaraan een termijn verbonden was.
4.15.
Voor wat betreft de vorderingen van [gedaagde] onder II., III. en IV. ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te bepalen dat [eiser] haar dieren aangelijnd dient mee te nemen of om het aantal keer dat [eiser] het overpad mag gebruiken te beperken. De vorderingen onder II. en III. worden in zoverre afgewezen.
4.16.
Wel dient [eiser] het pad over het perceel van [gedaagde] te gebruiken op de minst bezwaarlijke wijze. Ze dient dan ook in een rechte lijn door te rijden of te lopen over het perceel van [gedaagde] en zij of haar bezoek mogen niet op het perceel van [gedaagde] parkeren of keren. In zoverre overlappen de vorderingen onder III. en IV. Hoewel [eiser] heeft betwist dat haar bezoekers parkeren en keren op het perceel van [gedaagde] , maken de door [gedaagde] overgelegde camerabeelden aannemelijk dat dit wel heeft plaatsgevonden. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat [eiser] en haar bezoekers de erfdienstbaarheid anders gebruiken dan hoe deze bedoeld is. [eiser] dient er dan ook op toe te zien dat bezoekers en leveranciers het overpad gebruiken om in een rechte lijn te komen en te gaan van en naar haar perceel en niet om te keren of parkeren op het terrein van [gedaagde] . De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. Voor iedere keer dat een bezoeker en/of leverancier keert en/of parkeert op het terrein van [gedaagde] , verbeurt [eiser] een dwangsom van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 40.000,00.
4.17.
De onvoorwaardelijke vordering van [gedaagde] onder V. wordt ook toegewezen. Het is op basis van de overgelegde camerabeelden vast komen te staan dat [eiser] [gedaagde] en zijn familieleden onheus heeft bejegend. Wellicht als reactie op gedrag van [gedaagde] of zijn familieleden (de voorzieningenrechter kan dat niet beoordelen), maar dit neemt de onrechtmatigheid van de gedragingen van [eiser] niet weg. [eiser] dient zich dan ook te onthouden van het onheus bejegenen van [gedaagde] en/of zijn familieleden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 40.000,00. Dat wat [eiser] hiertegen heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.
Proceskosten in conventie
4.18.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.771,45
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in (voorwaardelijke) reconventie
4.20.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de (erf)afscheidingen c.q. erfafscheidingen, geplaatst op het pad dat tot aan 11 november 2025 door [eiser] gebruikt werd om haar perceel te bereiken, te verwijderen en verwijderd te houden, zodoende dat [eiser] vanaf de [straat] via de brug en vervolgens via het perceel van [gedaagde] en het aanwezige pad aan de achterzijde van de boerderij gelegen op het perceel van [gedaagde] (perceelnummer [nummer 1] ) haar woning kan bereiken, dit conform de gele stippellijn zoals opgenomen in productie 7 van [eiser] ,
zulks op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag(deel) dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft en met een maximum van € 40.000,00,
5.2.
machtigt [eiser] om - indien [gedaagde] niet binnen vijf dagen na betekening van het vonnis een aanvang heeft gemaakt met het voldoen aan de veroordeling onder 5.1 - de onder 5.1 bedoelde (erf)afscheiding(en) zelf te doen verwijderen,
5.3.
verbiedt [gedaagde] om het pad op zijn perceel waarmee [eiser] naar haar perceel kan komen en gaan (conform de route zoals aangegeven middels de gele stippellijn opgenomen in productie 7 van [eiser] ) af te sluiten of te blokkeren en daar zaken op te plaatsen of op andere wijze het gebruik daarvan te beperken, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag(deel) dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, met een maximum van € 40.000,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.771,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in (voorwaardelijke) reconventie
5.6.
verbiedt [eiser] om zelf of bezoekers en/of leveranciers te laten keren en/of te parkeren op het perceel van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke keer dat [eiser] hiervan in overtreding is na betekening van dit vonnis met een maximum van € 40.000,00,
5.7.
verbiedt [eiser] om [gedaagde] of een lid van zijn familie uit te schelden of door hem
en/of zijn familieleden anderszins onheus te bejegenen door zich bijvoorbeeld provocerend te gedragen, waarbij kan worden gedacht aan het opsteken van haar middelvinger als teken van minachting of het anderszins maken van geluiden of gebaren waaruit hiervan blijkt, dit op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke keer dat [eiser] hiervan in overtreding is na betekening van dit vonnis met een maximum van € 40.000,00,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
5.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 5:73 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).