ECLI:NL:RBNHO:2026:796

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
11810950
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:456 BWArt. 6:74 BWArt. 12 lid 3 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huisarts niet tekortgeschoten in verstrekken medisch dossier aan CBR

De zaak betreft een geschil tussen een patiënt en haar huisarts over het verstrekken van medische informatie aan het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) in het kader van een rijgeschiktheidskeuring. De patiënt had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar rijbewijs en verzocht herhaaldelijk om afgifte van haar medisch dossier en om contact met de keurende CBR-arts.

De rechtbank stelt vast dat de patiënt niet eerder dan op 3 juli 2024 om een afschrift van haar medisch dossier heeft verzocht, terwijl de keuring al op 18 oktober 2023 plaatsvond. De huisarts heeft toegelicht dat zij een brief van de CBR-arts nodig had om gerichte informatie te verstrekken, maar deze brief is nooit ontvangen. Hoewel de patiënt stelde dat de huisarts niet tijdig contact met de CBR-arts heeft opgenomen, blijkt uit het dossier dat de termijn voor informatieverstrekking al was verstreken toen de huisarts contact zocht.

De kantonrechter concludeert dat de huisarts niet tekort is geschoten in haar verplichtingen en wijst de vordering van de patiënt af. De patiënt wordt veroordeeld in de proceskosten van €360,00, te vermeerderen met de kosten van betekening indien zij niet tijdig betaalt.

Uitkomst: De vordering van de patiënt wordt afgewezen omdat de huisarts niet tekort is geschoten in haar verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11810950 \ CV EXPL 25-4835
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. drs. N. den Hollander (DAS Rechtsbijstand),
tegen
[gedaagde]handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. S. Slabbers (VvAA Legal)

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[gedaagde] exploiteert een huisartsenpraktijk, waarbij [eiser] tot 10 april 2025 als patiënt stond ingeschreven.
2.2.
De politie heeft het rijbewijs van [eiser] ingetrokken.
2.3.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar rijbewijs.
2.4.
Het Centraal Bureau Rijvaardigheid (hierna: CBR) heeft [eiser] bij besluit van 26 mei 2023 opgedragen een medisch onderzoek te ondergaan in het kader van de beoordeling van haar rijgeschiktheid.
2.5.
De medische keuring zou op 18 oktober 2023 worden uitgevoerd door de heer [betrokkene 1], een door het CBR erkende arts (hierna: de keurende CBR-arts). In de afspraakbevestiging van 6 oktober 2023 staat onder meer:
“(…) Meenemen naar de keuringRapportage van de huisarts met betrekking tot uw aandoening of de kopie laatste brief dat door psychiater/GGZ naar uw huisarts heeft verzonden. Zie bijlagen. Graag machtigingsformulier ondertekenen en samen met formulier opvragen medische informatie aan uw huisarts overhandigen. Zonder deze informatie kan ik uw keuring niet doen. (…)”
2.6.
Bij e-mail van 19 oktober 2023 heeft [eiser] aan de keurende CBR-arts laten weten dat [gedaagde] hem zal bellen.
2.7.
Bij e-mail van 5 december 2023 heeft [eiser] de contactgegevens van de keurende CBR-arts aan [gedaagde] doen toekomen.
2.8.
Op 14 december 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [eiser] ongeldig verklaard vanwege het niet meewerken aan een medisch onderzoek:
“Op 26 mei 2023 hebben wij u een brief gestuurd. In de brief staat dat u moet meewerken aan een medisch onderzoek. Helaas heeft u niet (volledig) aan het onderzoek meegewerkt. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 21 december 2023. En mag u niet meer rijden. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent. (….)
Wat is er gebeurd?We hebben van de arts gehoord dat u tijdens het onderzoek niet meewerkte. U bent verschenen op het onderzoek. De arts heeft u verzocht aanvullende informatie aan te leveren van uw behandelend arts. Maar u heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, niet de benodigde aanvullende informatie aangeleverd. Zonder deze informatie kan de arts geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van een aandoening. Dit betekent dat er op dit moment geen uitslag over uw rijgeschiktheid kan worden vastgesteld.”
2.9.
Op 16 december 2023 heeft [eiser] aan zowel de keurende CBR-arts als [gedaagde] geschreven:
“Helaas heb ik geen een goede bericht ontvangen van CBR door deze slecht situatie en beloofte van Mevrouw [gedaagde] die niet waar gemaakt heeft dat ze een brief / formulier naar u toe moet sturen en dat mevrouw [gedaagde] niet naar me luistert dat u echt op die brief snel moet ontvangen. Ik was direct naar Mevrouw [gedaagde], daarna moet ik 2 weken wachten ( lees ook vorige email onderaan). Daarna ben ik terug weer naar haar, krijg ik een antwoord van haar assistent dat ze geen tijd had. Toen maak ik een afspraak weer, heeft Mevrouw [gedaagde] heeft gezegd dat ze brief kwijt raakt en dat ze belooft dat ze naar [betrokkene 2] gaat bellen en ook naar CBR. Helaas heeft ze niet gedaan. Mevr. [gedaagde] begrijpt niet dat ik mijn rijbewijs hard nodig heeft , heb meerdere keer gezegd en ik mis mijn kans om een baan te vinden door deze situatie. Mevrouw [gedaagde] graag deze situatie goed uitleggen aan Heer [betrokkene 2] en CBR . Mevrouw [gedaagde] ik ben echt onderlijnden door deze situatie, Mijn advocaat zit ok lang te wachten tot deze helemaal klaar is. Graag met spoed deze situatie corrigeren (…)”
2.10.
Op 17 december 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven:
“Zoals u ooit heeft gezegd dat u zelf naar CBR graag wilt bellen hierbij de telnr van CBR (…). Hou rekening mee ik mis een kans voor een baan als ik deze rijbewijs mis en mijn rijbewijs is ongeldig vanaf 20 dec (zie brief).”
2.11.
Op 3 juli 2024 heeft [eiser] bij monde van haar advocaat om een afschrift van haar volledige medische dossier verzocht. [gedaagde] heeft binnen een maand aan dit verzoek voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.003,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij [gedaagde] vanaf oktober 2023 herhaaldelijk heeft verzocht om een afschrift van haar medisch dossier te verstrekken en om contact op te nemen met [betrokkene 2] over de keuring. [gedaagde] heeft hieraan niet tijdig (in de zin van artikel 7:456 BW Pro jo. 12 lid 3 AVG) meegewerkt. Als gevolg daarvan heeft [eiser] extra kosten moeten maken voor een nieuwe keuring, waarvoor [gedaagde] op grond van artikel 6:74 BW Pro aansprakelijk is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of [gedaagde] tekort is geschoten in de op haar rustende (wettelijke) verplichting om zo spoedig mogelijk na een daartoe strekkend verzoek een afschrift van het medisch dossier aan [eiser] te verstrekken. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.2.
Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] diverse keren aan [gedaagde] heeft gevraagd om informatie aan de keurende CBR-arts te verstrekken, is niet gebleken dat [eiser] (eerder dan op 3 juli 2024) om een afschrift van haar medisch dossier heeft verzocht. [eiser] heeft haar stellingen dat zij op 18 en 19 oktober 2023 telefonisch, dan wel eind december 2023 en/of begin januari 2024 bij monde van haar voormalig gemachtigde, een dergelijk verzoek heeft gedaan, niet onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen. Van een schending van artikel 7:456 BW Pro kan dan ook geen sprake zijn.
4.3.
Volgens [gedaagde] heeft zij herhaaldelijk aan [eiser] uitgelegd dat zij een brief van de keurende CBR-arts nodig heeft om gerichte informatie te kunnen verschaffen. Een dergelijke brief heeft zij nooit van [eiser] ontvangen. Wel zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] de keurende CBR-arts zou bellen. Volgens [eiser] is [gedaagde] ook in de nakoming van die afspraak tekort geschoten.
4.4.
De kantonrechter overweegt op dat punt als volgt. De eerste e-mail van [eiser] aan de keurende CBR-arts, waarin zij aangeeft dat zij haar huisarts ([gedaagde]) heeft gesproken en dat haar huisarts telefonisch contact met de CBR-arts zal opnemen, dateert van 19 oktober 2023. Dat is ná de keuringsdatum en daarmee was [eiser] feitelijk zélf dus reeds te laat. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [eiser] aan [gedaagde] een termijn heeft gesteld waarbinnen [gedaagde] contact met de keurende CBR-arts moest opnemen. [eiser] heeft op 5 december 2023 het e-mailadres en het telefoonnummer van de CBR-arts naar [gedaagde] doorgestuurd. Op 16 en 17 december 2023 heeft [eiser] (naar aanleiding van het bericht van het CBR van 14 december 2023) een herinnering verstuurd. De keurende CBR-arts heeft in het daarop volgende telefoongesprek met [gedaagde] laten weten dat de termijn voor informatieverstrekking was verstreken en dat het dus niet meer nodig was om informatie aan te leveren. Nu niet is gebleken dat [gedaagde] van de door het CBR gestelde termijn op de hoogte was, kan ook niet worden vastgesteld dat [gedaagde] tekort is geschoten in haar verplichtingen.
4.5.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.
4.6.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
360,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
De griffier De kantonrechter