ECLI:NL:RBNHO:2026:7948

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/15/378207
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over verdeling en toedeling voormalig echtelijke woning

De man en vrouw zijn ex-echtelieden die gezamenlijk eigenaar zijn van de voormalige echtelijke woning. De rechtbank had bij beschikking bepaald dat de woning aan de man wordt toebedeeld, mits hij binnen drie maanden de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en haar de helft van de overwaarde vergoedt. De man slaagde er niet binnen die termijn in de financiering rond te krijgen, maar wel twee maanden later. De vrouw wilde daarop de woning verkopen aan een derde, terwijl de man de woning aan zichzelf wilde toedelen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de man niet gehouden is mee te werken aan verkoop aan een derde, omdat zijn belang bij toedeling groter is dan het belang van de vrouw bij verkoop. De vrouw had onvoldoende rechtens te respecteren belang om de verkoop af te dwingen, mede omdat de man zich wel degelijk had ingespannen om de financiering rond te krijgen en de overschrijding van de termijn gering was. Ook speelde het huisvestingsbelang van de meerderjarige zoon mee.

De vordering van de vrouw werd afgewezen en de vordering van de man grotendeels toegewezen onder de voorwaarden dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid en de helft van de overwaarde aan haar wordt uitgekeerd. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De vordering van de vrouw tot verkoop van de woning aan een derde wordt afgewezen en de man krijgt de woning toegewezen onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/378207 / KG ZA 26-269
Vonnis in kort geding van 1 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel,
tegen
[de man],
te [plaats 2], gemeente [gemeente],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.H. Visser.

1.De zaak in het kort

1.1.
De man en de vrouw zijn samen eigenaar van de voormalig echtelijke woning. De man heeft het voortgezet gebruik daarvan en woont er samen met de meerderjarige zoon van partijen. De rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 2025 gelast dat de woning aan de man wordt toebedeeld onder de voorwaarde dat hij uiterlijk binnen drie maanden de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ontslaat voor de hypothecaire geldlening en de helft van de overwaarde van de woning aan haar vergoedt. De man heeft de financiering pas twee maanden na die termijn rond gekregen. De vrouw wenst dat de woning verkocht wordt aan een derde. De man wil echter dat de woning nog steeds aan hem wordt toebedeeld.
1.2.
De vraag waar het in deze zaak om gaat, is of de man verplicht is tot nakoming van de in de beschikking vastgestelde wijze van verdeling, namelijk verkoop van de woning aan een derde, omdat hij de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft overgenomen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Hij acht het belang van de man bij toedeling van de woning aan hem in dit geval groter dan het belang van de vrouw bij verkoop aan een derde. De vordering van de vrouw wordt daarom afgewezen en de vordering van de man (grotendeels) toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 10 producties
- de akte overlegging producties A tot en met F van de kant van de man
- de eis in reconventie van de kant van de man
- de nagekomen producties G tot en met J van de kant van de man
- een brief van 16 juni 2026 aan de rechtbank met bijlage I van de kant van de vrouw
- de mondelinge behandeling van 17 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van de vrouw
- de pleitnota van de man.

3.De feiten

3.1.
De man en de vrouw zijn op 24 augustus 2000 te [gemeente] met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank van 30 december 2025 (hierna: de beschikking) is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 23 januari 2026 ingeschreven.
3.2.
Partijen hebben samen een meerderjarige zoon, geboren op [geboortedatum] 2002 (hierna: de zoon).
3.3.
Partijen zijn samen eigenaar van de woning aan de Irving Berlinstraat 17 te [plaats 2] (hierna: de woning).
3.4.
De man heeft het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden vanaf de inschrijving van de echtscheiding, dus tot 23 juli 2026. De zoon woont bij de man.
3.5.
Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de ING Bank. Per 1 juni 2026 bedraagt de hypotheekschuld € 96.328,00.
3.6.
In de beschikking is de wijze van verdeling van de woning als volgt vastgesteld:
2.5.7.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het bepaalde hierna wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat hij uiterlijk drie maanden vanaf de datum van deze beschikking ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.
2.5.8.
De man wenst de woning samen met zijn zoon [betrokkene] over te nemen. De vrouw verzet zich hier niet tegen. De rechtbank geeft partijen mee dat de woning aan de man wordt toebedeeld en dat het vervolgens aan de man is om te onderzoeken of hij de woning alleen kan financieren of dat hij dit samen met zijn zoon doet en of zijn zoon daarbij ook mede-eigenaar van de woning wordt.
2.5.9.
Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat
partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren uitgaande van de vrije verkoopwaarde. (…) Partijen
zijn overeengekomen dat de taxatie bindend zal zijn. (…)
2.5.10.
Indien de man niet de mogelijkheid heeft om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen en haar te laten ontslaan uit haar aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde.
2.5.11.
In geval van verkoop van de woning, dienen partijen binnen vier weken nadat
duidelijk is geworden dat de man de woning niet kan overnemen of de termijn voor
overname van de woning door de man is verstreken, een gezamenlijke opdracht te geven tot verkoop aan de makelaar die de woning heeft getaxeerd. Indien partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de makelaar opdracht tot verkoop te geven.
(…)
2.5.14.
Beide partijen zijn gehouden - indien en voor zover de man de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen - aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken. (…)
3.7.
In opdracht van partijen is de marktwaarde van de woning per datum 23 december 2025 getaxeerd op € 425.000,00.
3.8.
De man heeft het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning niet binnen de termijn van drie maanden vanaf de beschikking overgenomen.
3.9.
Nadat de vrouw op 13 april 2026 aan de man heeft laten weten dat de verkoop van de woning aan een derde in gang moet worden gezet, heeft de man op 20 april 2026 meegedeeld dat alle financiële stukken bij ING ter beoordeling liggen en dat een hypotheekofferte volgt.
3.10.
De vrouw heeft op 7 mei 2026 aan de makelaar opdracht verstrekt om tot verkoop van de woning over te gaan.
3.11.
Op 12 mei 2026 heeft de man de vrouw laten weten nog met de financiering bezig te zijn en de woning nog steeds te willen overnemen.
3.12.
De man en de zoon hebben een offerte van de ING bank ondertekend gedateerd op 1 juni 2026 (hierna: de offerte). Deze ziet op een aanvullende financiering van € 139.900,00.
3.13.
De vrouw is door een notaris uitgenodigd voor toedeling van de woning aan de man op 15 juni 2026. Zij heeft aangegeven niet te zullen verschijnen in verband met onderhavig kort geding.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De vrouw vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te machtigen om al het nodige te doen voor de verkoop en levering van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats 2];
II. de vrouw te machtigen om mede namens de man alles te doen wat de verkopende makelaar noodzakelijk acht voor een verkoop van de woning;
III. de man te veroordelen tot het meewerken c.q. dulden van alle door de vrouw en/of de door de vrouw ingeschakelde makelaar en diens personeel gewenste handelingen die de verkoop van de woning kunnen bevorderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de man zijn medewerking weigert, met een maximum van € 25.000,-;
IV. te bepalen dat, indien de man binnen twee weken na het te wijzen vonnis geen medewerking verleent aan alle voor de verkoop noodzakelijke handelingen, het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming c.q. medewerking van de man;
V. te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de voor de levering en eigendomsoverdracht van de voornoemde woning op te maken akte aan de zijde van de man;
VI. te bepalen dat partijen ieder de helft dragen van de kosten die verbonden zijn aan de verkoop van de woning aan een derde;
VII. de man te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat de man de woning mocht overnemen, maar dat hij de financiering niet binnen de daarvoor gestelde drie maanden heeft rond gekregen. Omdat de man stelselmatig heeft nagelaten de nodige stappen te zetten voor de financiering, is de onwenselijke situatie ontstaan dat de vrouw nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is (voor de hypotheeklening). Dit terwijl zij feitelijk geen zeggenschap heeft over de woning, omdat zij daar al geruime tijd niet meer woont. De man dient daarom zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde, maar hij weigert dat, aldus de vrouw.
4.3.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van haar vorderingen.
4.4.
De man voert aan dat hij al in december 2025 bij de hypotheekadviseur was en zich er voor heeft ingezet om de financiering rond te krijgen. Er is echter vertraging ontstaan in de gegevensverstrekking van het inkomen van de man en de zoon en het vaststellen van hun draagkracht. De man kan het aandeel van de vrouw sinds eind mei 2026 overnemen, omdat aan hem en de zoon een hypothecaire geldlening is verstrekt. Zij hebben groot belang bij behoud van huisvesting in de woning. Verkoop aan een derde zal geen financieel voordeel opleveren, omdat dat leidt tot aanzienlijke makelaarskosten en omdat als gevolg van de recente rentestijging bij de Europese Centrale Bank een negatieve invloed op de woningprijzen is te verwachten. De vrouw heeft dus geen rechtens te respecteren belang bij het weigeren van haar medewerking aan toedeling van de woning aan de man, aldus de man.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
de man vordert om, bij vonnis:
te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan het transport van de haar in eigendom toebehorende onverdeelde helft van de woning aan de [adres] te [plaats 2], gemeente [gemeente], aan de man ten overstaan van notariskantoor [bedrijf] te [plaats 3] dan wel een notaris, die in diens plaats treedt;
te bepalen dat indien de vrouw de sub A genoemde medewerking niet verleent, het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming dan wel medewerking van de vrouw aan het transport van de onverdeelde helft van de woning;
de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.
4.7.
De man legt aan zijn vordering ten grondslag wat hij in conventie heeft aangevoerd.
4.8.
De vrouw voert verweer en concludeert dat de vordering van de man afgewezen moet worden.
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en reconventie
Spoedeisend belang
5.1.
Tussen partijen is sprake van een geschil over de verdeling van de voormalig echtelijke woning, waar de man op grond van voortgezet gebruik met de zoon van partijen woont. De man wenst dat de vrouw meewerkt aan toedeling van de woning aan hem, terwijl de vrouw wil dat de man meewerkt aan verkoop aan een derde. Hierdoor is sprake van een impasse en is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vordering in conventie als reconventie.
5.2.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Uitgangspunten
5.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 december 2025 (de beschikking) is de wijze van verdeling van de woning vastgesteld, met als uitgangspunt dat de woning aan de man wordt toebedeeld onder de voorwaarde dat hij uiterlijk drie maanden vanaf de beschikking ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd. [1]
5.4.
Vast staat dat de man de financiering voor overname van de woning niet binnen drie maanden na de beschikking rond had, maar twee maanden later wel. Ook moet worden aangenomen dat op 15 juni 2026 alles bij de notaris gereed was om tot toedeling van de woning aan de man over te gaan. Op grond van de beschikking [2] was de vrouw echter bevoegd om begin mei 2026 de makelaar opdracht tot verkoop te geven. Aangenomen moet worden dat zij begin mei 2026 ook opdracht tot verkoop heeft gegeven.
5.5.
In deze zaak gaat het om de vraag of de man verplicht is tot nakoming van de in de beschikking vastgestelde wijze van verdeling, namelijk verkoop van de woning aan een derde. De vrouw meent dat dit het geval is omdat hij de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft overgenomen. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de ex-echtelieden beheerst brengt echter mee dat mede moet worden gekeken naar het belang dat de vrouw nastreeft met deze wijze van verdeling, dit in relatie tot het belang van de man bij toedeling. De verhouding tussen beide belangen kan zodanig zijn dat het vasthouden aan de onverkorte nakoming van de vastgelegde modus van verdeling kwalificeert als misbruik van recht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. Hij licht dat hierna toe.
De man hoeft niet mee te werken aan verkoop van de woning
5.6.
In beginsel is de man tekortgeschoten in nakoming van de beschikking, omdat hij de woning niet tijdig heeft overgenomen. Maar dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor de uitkomst van dit geding. Vast staat dat de man de financiering inmiddels rond heeft en dat de vrouw op 15 juni had kunnen bewerkstelligen dat zij uit hoofdelijke aansprakelijkheid zou zijn ontslagen. Zij heeft gekozen voor een andere marsroute. Die is alleen begaanbaar indien zij daarbij een rechtens te respecteren belang heeft. De vrouw heeft eigenlijk alleen een punt gemaakt van het feit dat de man niet opschoot en haar niet tijdig informeerde.
5.7.
De stelling dat de man stelselmatig heeft nagelaten de nodige stappen te zetten om de financiering rond te krijgen is niet houdbaar. Nadat de vrouw op 13 april 2026 de man heeft laten weten dat de termijn was verstreken en de woning aan een derde moest worden verkocht, heeft de man op 20 april 2026 meegedeeld dat alle financiële stukken bij ING ter beoordeling lagen en dat een hypotheekofferte zou volgen. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij ook zelf bij ING heeft geïnformeerd voordat zij begin mei de makelaar opdracht gaf om tot verkoop van de woning over te gaan. De bank heeft haar toen bevestigd dat de financiering voor 99% rond was. Dat betekent dat de man op dat moment nog steeds niet kon afnemen, maar het viel ook niet uit te sluiten dat dit op korte termijn wel het geval zou zijn. Dat laatste is gebleken, want op 1 juni 2026 hebben de man en de zoon een offerte getekend en op 15 juni 2026 had de woning bij de notaris aan de man toegedeeld kunnen worden. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat het in beeld krijgen van de wisselende inkomsten van de zoon moeizaam ging en dat ING op dat punt niet snel tevreden was te stellen.
Gelet op de ontwikkelingen rondom de financieringsaanvraag in april/mei 2026 en het feit dat de vrouw daarvan op de hoogte was, is de enkele overschrijding van de termijn niet voldoende om de man te veroordelen mee te werken aan verkoop aan een derde.
5.8.
Verder heeft de voorzieningenrechter weinig zicht kunnen krijgen op de drijfveren van de vrouw. De wens dat de woning hoe dan ook niet naar de man mag gaan is op zichzelf geen rechtens te respecteren belang. Voorkeur voor verkoop van de woning aan een derde zal met zakelijke argumenten moeten kunnen worden toegelicht. Het meest voor de hand liggende argument is dat de woning inmiddels mogelijk meer waard is geworden.
De makelaar heeft volgens haar aangegeven dat de woning voor € 435.000,- te koop kan worden gezet en dat hij verwacht dat er overboden wordt. De man heeft dit betwist en aangevoerd dat er gezien de recente rentestijging bij de ECB een negatieve invloed op de woningprijzen is te verwachten. Ook heeft hij gewezen op de niet geringe makelaarskosten die in mindering komen op de verkoopopbrengst.
Uit algemeen bekende gegevens volgt dat de stijging van de huizenprijzen in de betrokken regio in het afgelopen half jaar is afgevlakt. De makelaar heeft de vrouw geadviseerd om de vraagprijs € 10.000,- hoger te stellen dan de waarde die eind december 2025 is vastgesteld, maar onbekend is of hij rekening heeft gehouden met de mogelijke gevolgen van de recente rentestijging. Verder zal blijkens mededelingen van de vrouw bij verkoop 1,4% makelaarscourtage moeten worden betaald. Al met al is hoogst onzeker of de woning bij verkoop meer zal opbrengen. Uit de opstelling van de vrouw blijkt bovendien dat de kans dat een hogere opbrengst wordt gerealiseerd voor haar niet redengevend is. Dat sluit aan bij het gegeven dat zij volgens de man niet is ingegaan op zijn voorstel om een bedrag aan ‘schadevergoeding’ te accepteren. Het steekt haar vooral dat er niet (tijdig) is gecommuniceerd en dat de man de vastgestelde termijn niet is nagekomen. Zoals hiervoor overwogen is dat echter onvoldoende om (in conventie) de man te houden aan verkoop aan een derde of (in reconventie) te weigeren mee te werken aan toedeling aan de man.
5.9.
Naast het evidente belang van de man om in de woning te kunnen blijven wonen speelt ook het huisvestingsbelang van de zoon een rol. Vast staat dat hij op straat komt te staan als de woning wordt verkocht. De vrouw zegt zich dat belang ook aan te trekken, maar heeft niet kunnen uitleggen hoe dat met haar huidige opstelling valt te rijmen.
5.10.
De conclusie is dat de vordering van de vrouw in conventie zal worden afgewezen en de vordering van de man in reconventie zal worden toegewezen, onder de voorwaarde van ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor de hypothecaire geldlening en de voorwaarde dat aan de vrouw de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd zoals in de beschikking is vastgesteld.
Proceskosten
5.11.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
6.3.
bepaalt dat de vrouw dient mee te werken aan het transport van haar onverdeelde helft in de woning aan de [adres] [plaats 2], aan de man ten overstaan van notariskantoor [bedrijf] te [plaats 3] dan wel een notaris die in diens plaats treedt, onder de voorwaarde van ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw voor de hypothecaire geldlening en de voorwaarde dat aan de vrouw de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd zoals in de beschikking gelast,
6.4.
bepaalt dat, als de vrouw de onder 6.3 genoemde medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw aan het transport van haar onverdeelde helft in de woning aan de man, onder de in 6.3 genoemde voorwaarden,
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1621

Voetnoten

1.R.o. 2.5.7.
2.R.o. 2.5.11.