ECLI:NL:RBNHO:2026:783

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
15/079851-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving na woningoverval

Op 30 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 21 maart 2023 een woningoverval heeft gepleegd in Grootebroek. De verdachte heeft het slachtoffer, een zakenrelatie, met geweld beroofd van een aanzienlijk geldbedrag van €491.000,- en andere goederen. Tijdens de overval heeft de verdachte een vuurwapen of een gelijkend voorwerp gebruikt, het slachtoffer bedreigd en hem gedwongen zijn vingerafdruk af te geven voor internetbankieren. De rechtbank heeft de verdediging van de verdachte, die een alternatieve verklaring aanvoerde, als ongeloofwaardig terzijde geschoven. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Daarnaast is een schadevergoeding van €34.751,64 toegewezen aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/079851-23 (P)
Uitspraakdatum: 30 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
Hertog Albrechtstraat 329, 1611 GK te Bovenkarspel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. van Driel en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 21 maart 2023 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, een telefoon (Samsung S21) en/of autosleutels en/of huissleutels en/of een map en/of een randomreader, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, door
- een pistool/vuurwapen te pakken en/of dit pistool/vuurwapen aan die [benadeelde] te tonen en/of dit pistool/vuurwapen door te laden, en/of
- met dat pistool/vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde] te slaan, waarna die [benadeelde] op de grond terecht kwam, en/of
- die [benadeelde] (met zijn armen aan elkaar) vast te binden met ducttape, en/of
- ( terwijl [benadeelde] op de grond lag) zijn voet - en daarmee zijn volle gewicht - op de enkel, althans het lichaam, van die [benadeelde] te zetten, en/of
- tegen die [benadeelde] te zeggen "Het is menens" en/of “Ik steek je tent in de fik" en/of "Mijn vrienden staan beneden" en/of "Ik maak je dood" en/of "Mijn vrienden staan bij je vrouw in Friesland. Als je de politie belt, maak ik je vrouw dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 2
hij op of omstreeks 21 maart 2023 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, €491.000,-, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel een valse sleutel, door gebruik te maken van een bankpas en/of (een) internetbankieren (applicatie) en/of een toegangscode en/of de met (bedreiging met) geweld verkregen vingerafdruk van die [benadeelde], zonder daartoe gemachtigd en/of gerechtigd te zijn;
Feit 3
hij op of omstreeks de periode van 21 maart 2023 te Grootebroek, in elk geval in Nederland, opzettelijk [benadeelde] (in een woning gelegen aan [adres 2]) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [benadeelde] tegen zijn wil in voornoemde woning vast te houden en/of
- die [benadeelde] met een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd te slaan en/of
- die [benadeelde] met ducttape (met de armen tegen elkaar) vast te binden en/of
- de telefoon van die [benadeelde] af te nemen en/of
- die [benadeelde] (aldaar) mondeling en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te bedreigen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet als ongeloofwaardig of onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat scenario houdt samengevat in dat de aangever en de verdachte op de bewuste dag (21 maart 2023) een nieuwe geldleningsovereenkomst hadden gesloten. In dat verband heeft de aangever overeenkomsten getekend en (zelf) geld naar de verdachte overgemaakt. Tijdens de afspraak bij de aangever thuis is de aangever op enig moment onwel geworden en met zijn hoofd tegen een tafeltje gevallen. De verdachte heeft tegen het bloeden een roze doekje met ducttape tegen de hoofdwond geplakt. Bij het verlaten van de woning kwam de verdachte een persoon tegen maar daar heeft hij niets tegen gezegd. De map met leningsovereenkomsten die in de auto van de verdachte is gevonden, nam hij soms mee naar huis voor het bijwerken van zijn administratie. Het dossier bevat verder onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangever.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijs
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering feiten 1, 2 en 3
De rechtbank gaat uit van de verklaring van de aangever, die steun vindt in de gebruikte bewijsmiddelen, en is van oordeel dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Op basis van die bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 21 maart 2023 naar de woning van de aangever is gegaan en hem daar heeft overvallen en wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. De verdachte heeft een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp op de aangever gericht, heeft dat doorgeladen en de aangever daarmee op het achterhoofd geslagen waardoor de aangever letsel heeft opgelopen en op de grond terecht is gekomen. De verdachte heeft de aangever daarna bedreigd, vastgebonden met duct-tape en hem geruime tijd op de grond laten liggen. Vervolgens heeft de verdachte vanaf de rekening van de aangever € 491.000,- overgeboekt naar zijn eigen rekening door gebruik te maken van de bankpas en of de computer en of de mobiele telefoon van de aangever, waarbij hij de aangever meerdere keren heeft geforceerd zijn vingerafdruk af te geven voor het ontgrendelen van zijn telefoon en/of applicaties op zijn telefoon. Ook heeft de verdachte vanaf de telefoon van de aangever berichten verstuurd naar zijn eigen telefoon en de aangever gedwongen om zijn handtekening onder twee geldleningsovereenkomsten te zetten. De verdachte is vervolgens vertrokken uit de woning en heeft een mobiele telefoon, een autosleutel, huissleutels, een map en een Random Reader van de aangever weggenomen.
De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in het geschetste alternatieve scenario en schuift dat als ongeloofwaardig terzijde. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat de verdachte op verschillende punten wisselend en niet consistent heeft verklaard. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat hij op 21 maart 2023 € 2.000,- contant aan de aangever heeft teruggegeven en dat hij een totaalbedrag van € 106.500,- open had staan bij de aangever in verband met een lening van € 50.000,- en een van € 56.500,-. Ten aanzien van die tweede lening heeft hij verklaard dat hij die pas in mei 2023 aan de aangever zou terugbetalen, omdat hij de auto - die hij met het van de aangever geleende geld had gekocht - nog niet had verkocht. Op de zitting heeft de verdachte echter verklaard dat enkel een bedrag van € 57.000,- openstond en dat hij dat bedrag op 21 maart 2023 contant aan de aangever heeft terugbetaald. Verder heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij met de aangever op 21 maart 2023 heeft afgesproken een nieuwe lening van € 600.000,- af te sluiten en dat daarvoor drie leningsovereenkomsten waren opgesteld van elk € 200.000,-, terwijl de verdachte op de zitting heeft verklaard dat het ging om een lening van € 491.000,-. Ook heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd over de tijd en plaats van het opstellen van de drie leningsovereenkomsten.
Dat volgens de verklaring van de verdachte, hij met de aangever een nieuwe lening was overeengekomen in verband waarmee drie leningsovereenkomsten voor een totaalbedrag van € 600.000,- met wederzijds goedvinden waren opgesteld, acht de rechtbank onaannemelijk in het licht van diverse onderzoeksbevindingen. Daaruit is namelijk het volgende gebleken.
De opmaak en de inhoud van de drie leningsovereenkomsten zijn sterk afwijkend ten opzichte van eerdere leningsovereenkomsten tussen de aangever en de verdachte. Al die eerdere leningsovereenkomsten, die steeds één A4 besloegen, komen qua indeling, stijl en lettertype met elkaar overeen, terwijl diverse daarin opgenomen gegevens op de drie in de laptoptas in de auto van de verdachte aangetroffen leningsovereenkomsten ontbreken (zoals de bedrijfsgegevens van [bedrijf 1], de datum van verstrekking van de lening, het rentebedrag, het onderpand en de einddatum van de looptijd). Daarbij komt dat slechts twee van de drie leningsovereenkomsten enkel door de aangever zijn getekend, dat die handtekeningen slordig zijn gezet en ook afwijken van de handtekening van de aangever op eerdere geldleningsovereenkomsten. Deze slordig gezette handtekening op twee van de drie geldleningsovereenkomsten past overigens bij de verklaring van de aangever die heeft gezegd dat hij zijn handtekening op die overeenkomsten door wat hem overkwam bewust zo kinderlijk mogelijk heeft gezet.
Dat het onaannemelijk is dat de aangever voornemens was de verdachte op 21 maart 2023 een groot geldbedrag te lenen, volgt ook uit de inhoud van de tussen de aangever en de verdachte gewisselde WhatsAppgesprekken in de weken ervoor. Daaruit volgt namelijk dat de aangever de verdachte juist had laten weten dat hij eerst al het aan hem geleende geld (voor 21 maart) retour wilde krijgen en dat dit voor hem “zéér belangrijk” was in verband met noodhulp aan zijn familie. Uit de inhoud van die berichten valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat de aangever wilde dat de verdachte eerst openstaande leningen aan hem terugbetaalde, alvorens weer nieuwe leningen aan de verdachte te verstrekken,
Ook in dit licht bezien, is het onaannemelijk dat de aangever vervolgens op 21 maart 2023, terwijl hij nog niet al het aan de verdachte geleende geld had teruggekregen en hij geld aan zijn familie wilde uitlenen, opnieuw een bedrag van € 600.000,- in het kader van een geldlening aan de verdachte heeft willen verstrekken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het saldo op de rekening van aangever op die bewuste dag ook niet toereikend was om een overboeking in deze orde van grote te kunnen doen, terwijl uit een analyse van de bankrekening van de aangever is gebleken dat de aangever altijd zorgde voor een toereikend saldo als hij overboekingen deed van grote geldbedragen. Bovendien volgt uit dat onderzoek dat bij soortgelijke transacties (van hogere bedragen) dergelijke overboekingen verliepen via de bankrekening van WFO netwerk notarissen en dat daarbij telkens – anders dan bij de overboeking van het bedrag van € 491.000,- het geval is – een nummer in de omschrijving werd opgegeven.
De rechtbank acht het in dit verband ook volstrekt ongeloofwaardig dat de aangever en de verdachte naar elkaar een bericht hebben verstuurd over de gedane betaling op een moment dat zij nog bij elkaar waren. Om 17.23 uur is met de telefoon van de aangever naar de telefoon van de verdachte het bericht verzonden: “
Als goed staat geld op je rekening 411000 zo als de afspraak. Ik weens je goede zaken er mee Gr [benadeelde]”, waarop de verdachte om 17.25 uur heeft teruggestuurd: “Heb al gezien. Bedankt voor de steun en vertrouwen”. Uit de GPS Fixs van de telefoon van de verdachte blijkt echter dat het toestel zich op dat moment nog in, of in de directe nabijheid van de woning van de aangever bevond. De verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven waarom ze elkaar berichten hebben gestuurd over de overboeking terwijl ze nog bij elkaar waren. Het bedrag van € 411.000,- dat in het bericht wordt genoemd, strookt bovendien niet met het bedrag dat vanaf de bankrekening van de aangever is overgemaakt naar de bankrekening van de verdachte, namelijk een bedrag € 491.000,-. Ook neemt de rechtbank in dit verband in aanmerking dat uit onderzoek is gebleken dat het taalgebruik en de grammatica in het bericht dat met de telefoon van de aangever is verstuurd, afwijkt van eerder door de aangever verstuurde berichten, terwijl dat juist wel past bij eerdere berichten afkomstig van de verdachte.
De verklaring van de verdachte dat hij de mobiele telefoon van de aangever niet heeft afgepakt en ook niet heeft meegenomen, strookt evenmin met de onderzoeksbevindingen.
Uit onderzoek naar de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte is de route zichtbaar geworden die hij na zijn vertrek uit de woning heeft gereden. Die route is vergeleken met de locatiegegevens van de mobiele telefoon van de aangever. Gebleken is dat de mobiele telefoon van de aangever die avond om 20:55:54 uur contact heeft gemaakt met een zendmast aan de Sluisweg te Enkhuizen, een locatie die past bij de route die de verdachte die bewuste avond heeft gereden, terwijl de aangever dat zelf niet kan zijn geweest omdat hij toen in het ziekenhuis lag.
Dat de verdachte in het door hem geschetste scenario de map met geldleningen die in zijn auto lag, mee mocht nemen van de aangever, is onlogisch gelet op het feit dat de aangever heeft verklaard dat hij die map nooit uitleende aan de verdachte en beschouwde als zijn “bewijsdossier”; daarin zaten juist de bewijzen van de leningen die hij had aan de verdachte had verstrekt.
Het scenario van de verdachte strookt verder ook niet met de verklaring van getuige [getuige]. Anders dan de verdachte heeft verklaard, heeft hij volgens haar verklaring toen hij de woning verliet tegen haar gezegd dat de aangever nog druk was, dat er nog mensen boven waren en dat zij over een half uurtje maar terug moest komen. Het viel de getuige bovendien op dat de autolichten van de Nissan van de aangever aangingen terwijl de verdachte in een andere auto (zijn Skoda) stapte. Dit past bij de verklaring van de aangever dat zijn autosleutel ook weg was. Toen zij vervolgens kort daarna de aangever bij de voordeur zag, trof zij hem zichtbaar in paniek aan waarbij hij riep dat zij 112 moest bellen.
De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij een doekje met duct-tape op de wond op het hoofd van de aangever heeft geplakt, laat zich niet goed verenigen met de conclusie van het Nederlands Forensisch Instituut dat de bevindingen van het onderzoek waarschijnlijker zijn als de hypothese waar is dat de tape is gebruikt om het slachtoffer bij de polsen vast te binden, dan dat de hypothese waar is dat de tape is gebruikt om het roze doekje op de hoofdwond te fixeren. [1]
Ten slotte overweegt de rechtbank dat uit het onderzoek van de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte ook een motief voor de tenlastegelegde feiten had; ten tijde van de feiten verkeerde hij namelijk in financiële problemen. Zo werden in zijn telefoon aanmaningen aangetroffen, opeenstaande vorderingen van schuldeisers, een aankondiging tot faillissementsaanvraag en openstaande boetes.
Conclusie
In het licht van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, schuift de rechtbank het door de verdachte geschetste alternatieve scenario als ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde.
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 21 maart 2023 zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
hij op 21 maart 2023 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, een telefoon (Samsung S21) en een autosleutel en een huissleutel en een map en een Random Reader die toebehoorden aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een pistool/vuurwapen/een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te pakken en dit pistool/vuurwapen/een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] te tonen en dit pistool/vuurwapen/een op een vuurwapen gelijkend voorwerp door te laden, en
- met dat pistool/vuurwapen/een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [benadeelde] te slaan, waarna die [benadeelde] op de grond terecht kwam, en
- die [benadeelde] met zijn armen aan elkaar vast te binden met ducttape, en
- terwijl [benadeelde] op de grond lag zijn voet - en daarmee zijn volle gewicht - op de enkel, althans het lichaam, van die [benadeelde] te zetten, en
- tegen die [benadeelde] te zeggen "Het is menens" en “Ik steek je tent in de fik" en "Mijn vrienden staan beneden" en "Ik maak je dood" en "Mijn vrienden staan bij je vrouw in Friesland. Als je de politie belt, maak ik je vrouw dood”.
Feit 2
hij op 21 maart 2023 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, €491.000,-, dat toebehoorde aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van een bankpas en/of (een) internetbankieren (applicatie) en/of een toegangscode en/of de met (bedreiging met) geweld verkregen vingerafdruk van die [benadeelde], zonder daartoe gemachtigd en/of gerechtigd te zijn.
Feit 3
hij op 21 maart 2023 te Grootebroek, opzettelijk [benadeelde] in een woning gelegen aan [adres 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door
- die [benadeelde] tegen zijn wil in voornoemde woning vast te houden en
- die [benadeelde] met een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd te slaan en
- die [benadeelde] met ducttape met de armen tegen elkaar vast te binden en
- de telefoon van die [benadeelde] af te nemen en
- die [benadeelde] aldaar mondeling en met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te bedreigen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
Feit 2:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel
Feit 3:
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de periode die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval waarbij geld is weggenomen door middel van een valse sleutel en een wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte en het slachtoffer – die zakenrelaties van elkaar waren – hadden afgesproken bij de woning van het slachtoffer, waar de verdachte een deel van zijn schuld aan het slachtoffer zou aflossen. Eenmaal in de woning heeft de verdachte het slachtoffer op gewelddadige wijze beroofd van onder andere een geldbedrag van € 491.000,-. Daarbij heeft de verdachte een vuurwapen (of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) uit zijn tas gehaald, dit wapen doorgeladen en tijdens een worsteling het slachtoffer hiermee op zijn hoofd geslagen. Het slachtoffer is hierdoor op de grond gevallen. Terwijl het slachtoffer met een hoofdwond op de grond lag heeft de verdachte de armen van het slachtoffer aan elkaar gebonden met duct-tape. De verdachte heeft het slachtoffer meer dan één uur op de grond gehouden waarbij de verdachte op het lichaam van het slachtoffer heeft gestaan en het slachtoffer meerdere keren heeft gedwongen zijn vingerafdruk te geven. Later is gebleken dat de verdachte hiermee door middel van internetbankieren grote geldbedragen van het slachtoffer heeft weggenomen. Het slachtoffer werd gedurende de overval bedreigd, waarbij de verdachte onder andere heeft gezegd “Ik maak je dood" en "Mijn vrienden staan bij je vrouw in Friesland. Als je de politie belt, maak ik je vrouw dood”.
De verdachte heeft dit kennelijk gedaan met het motief om snel veel geld tot zijn beschikking te krijgen zonder zich te bekommeren over de ernstige gevolgen voor het slachtoffer. Hij heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, temeer omdat een woning bij uitstek de plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gewelddadige overvallen langdurige nadelige psychische en traumatische gevolgen voor slachtoffers kunnen hebben. Dat is ook in deze zaak het geval, zo blijkt uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding en uit de namens het slachtoffer op de zitting voorgedragen verklaring. Dergelijke overvallen behoren daarnaast tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 15 september 2025, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren niet voor soortelijke vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.
De rechtbank slaat verder acht op het reclasseringsadvies van 9 september 2025. Vanwege de ontkennende proceshouding van de verdachte heeft de reclassering geen delict gerelateerde factoren kunnen vaststellen noch verbanden kunnen leggen met het vermeende delictgedrag. Gelet hierop kan door de reclassering de (eventuele) kans op recidive niet worden ingeschat. Volgens de reclassering komen geen noemenswaardige problemen naar voren in het leven van de verdachte, waarbij de verdachte een beeld schetst van een stabiele leefsituatie. Gezien de duur van het schorsingstoezicht en de ontkennende houding van de verdachte, ziet de reclassering geen meerwaarde en mogelijkheden om door middel van interventies of toezicht de risico's te beperken of gedragsverandering te bewerkstelligen. Bij een veroordeling wordt door de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De op te leggen straf
Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van de rechtspraak (LOVS-oriëntatiepunten), kan als uitgangspunt worden genomen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren voor een woningoverval waarbij sprake is van ander dan licht geweld of bedreiging. De rechtbank acht in beginsel daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden.
Redelijke termijn
De rechtbank houdt ten slotte rekening met de omstandigheid dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 22 maart 2023, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Nu de rechtbank op 30 januari 2026 uitspraak doet en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met zes maanden te verminderen.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 54 maanden passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een auto van het merk Skoda met kenteken [kenteken], een zwarte laptoptas en een geldbedrag van € 655,- dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van
110.699,95 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade (€ 65.699,96) en immateriële schade (€ 45.000,-) die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De materiële schade bestaat uit de volgende dertien posten:
- reiskosten € 1.089,66;
- kosten Praktijk Ortho manipulatie therapie € 1.500,-;
- kosten psychotherapeut € 1.116,00;
- kosten osteopaat € 773,-;
- eigen risico ziektekostenverzekering 2024 € 385,-;
- eigen risico ziektekostenverzekering 2025 € 385,-;
- kosten medicatie tijdens verblijf cruise € 1.078,82;
- kosten Deudekom installateurs € 6.273,50;
- kosten kleding € 162,47;
- financieel verlies in verband met boetebeding € 7.000,-;
- gemiste inkomsten uit rente € 11.800;
- kosten cruise € 26.136,50;
- verhuiskosten € 8.000,-.
De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel fysiek als psychisch letsel als gevolg van, kort gezegd, de diefstal met geweld en de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie gerekwireerd de schade met betrekking tot de kosten van de cruise voor een bedrag van € 13.068,25 (de helft) toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige deel van deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de kleding stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze schade tot een bedrag van € 100,- kan worden toegewezen. Voor het overige zijn de vorderingen ten aanzien van de materiële schade voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het gehele bedrag kan worden toegewezen. De toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering wegens de bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats vanwege de onevenredige belasting van die procedure.
De benadeelde partij dient ook om deze reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Meer subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat onder de gestelde materiële schade enkel de schadeposten die zien op de reiskosten ten aanzien van de psychotherapeut, de kosten psychotherapeut en de kleding toegewezen kunnen worden. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade geldt dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade meent de raadsman dat deze hoogstens tot een bedrag van € 10.000,- kan worden toegewezen. Voor het overige dient deze vordering te worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat de posten “
kosten Praktijk Ortho manipulatie therapie”, “
kosten psychotherapeut”, “
eigen risico ziektekostenverzekering 2024” en “
verhuiskosten” kunnen worden toegewezen omdat de in deze posten gevorderde bedragen voldoende onderbouwd zijn en de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten. Deze posten komen de rechtbank bovendien niet ongegrond of onrechtmatig voor. Wat betreft de verhuiskosten overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren. De benadeelde partij heeft het nog een tijd geprobeerd in zijn eigen huis maar kon zich uiteindelijk niet veilig voelen en is daarom verhuisd.
Ten aanzien van de schadepost “
kosten kleding” overweegt de rechtbank dat uit het dossier voldoende naar voren komt dat het slachtoffer ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten schade aan zijn kleding heeft opgelopen. De hoogte van die schade acht de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. Ter onderbouwing van deze schadepost is een betalingsbewijs overgelegd van kleding die ná het incident is aangeschaft, terwijl onduidelijk is wanneer de kleding die het slachtoffer tijdens het incident droeg is aangeschaft. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de hoogte van het schadebedrag bepalen op
€ 80,00. De vordering ten aanzien van de kleding zal voor het overige worden afgewezen.
Met betrekking tot de schadepost “
kosten Deudekom installateurs” is het deel van de vordering dat ziet op zilver en houtwerk en restauratie door derde en Samsung klok restauratie door derde door de raadsman gemotiveerd betwist. In het licht van deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende om een rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten aan te nemen. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het overige gedeelte van de vordering is voldoende onderbouwd en door de raadsman ook niet gemotiveerd betwist.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. Nu deze schade de rechtbank bovendien niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, wijst de rechtbank dit deel van de vordering (€ 5.623,50) toe.
Ten aanzien van de schadepost “
kosten osteopaat” stelt de rechtbank vast dat deze kosten geruime tijd ná het incident zijn gemaakt, te weten vanaf januari 2024. Uit de overgelegde stukken ter onderbouwing van deze schadepost volgt dat er in ieder geval een relatie bestaat tussen kennelijk de klachten en de al eerder (voorafgaand aan de feiten) gestelde diagnose artrose aan de heup van het slachtoffer. Uit diezelfde overgelegde stukken blijkt dat de diagnose ‘totale vervanging van de heup’ is gesteld en dat er na de operatie infecties en complicaties zijn opgetreden. Door de raadsman van de verdachte is deze schadepost (en dan met name het causale verband tussen de schade en de feiten) gemotiveerd betwist. In het licht van deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De rechtbank acht het te complex te beoordelen welke schade en tot welk bedrag die eventuele schade verband houdt met de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Ten aanzien van de schadepost “
reiskosten” is het gedeelte van de vordering dat ziet op reiskosten die zijn gemaakt in verband met Manuele therapie en EMDR-therapie voldoende onderbouwd en door de raadsman niet gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. Deze schade komt de rechtbank bovendien niet ongegrond of onrechtmatig voor. De rechtbank wijst dit deel van de vordering
(€ 547,14) daarom toe. In het verlengde van de niet-ontvankelijkverklaring van de schadepost “kosten osteopaat” in de vorige alinea, verklaart de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van het overige gedeelte van deze vordering ook niet-ontvankelijk vanwege een onevenredige belasting van deze strafprocedure, nu dat deel van de vordering ziet op reiskosten naar de osteopaat en naar het ziekenhuis in verband met de heupoperatie. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de schadepost “
eigen risico ziektekostenverzekering 2025” onvoldoende onderbouwd, nu het de rechtbank niet duidelijk is geworden waar de gemaakte kosten betrekking op hebben. Ook ontbreekt een factuur die ziet op 2025. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost “
kosten medicatie tijdens verblijf cruise” niet-ontvankelijk, omdat – zo blijkt uit de overgelegde onderbouwing waarin als finale diagnose een ontsteking rondom de tanden wordt vermeld – op basis van de overgelegde stukken vooralsnog geen rechtstreeks verband tussen deze schade en de bewezenverklaarde feiten kan worden vastgesteld. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten “
financieel verlies in verband met boetebeding” en “
gemiste inkomsten uit rente” niet-ontvankelijk.
De rechtbank stelt voorop dat niet valt uit te sluiten dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten schade heeft geleden in de vorm van gederfde inkomsten in verband met een rente uit hoofde van een geldleningsovereenkomst (met [bedrijf 2]) en kosten in verband met een overeengekomen boetebeding (overeenkomst met [naam]). Deze schadeposten zijn door de raadsman van de verdachte gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting en de magere onderbouwing van de schadeposten – zo ontbreken het boetebeding in de overgelegde overeenkomst met Vriend als ook de geldleningsovereenkomst met [bedrijf 2] – is de rechtbank van oordeel dat dit schadeposten zijn waarover het partijdebat niet goed heeft kunnen plaatsvinden. Het gaat om complexe posten, die nadere stukken en een uitgebreidere (schriftelijke) behandeling vereisen. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost “
kosten cruise” niet-ontvankelijk, omdat beoordeling van deze vordering nader onderzoek vergt en daarmee leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank stelt voorop dat gederfd genot van een vakantie onder omstandigheden kan leiden tot vermogensschade. Hoe deze schade vervolgens echter begroot moet worden, is complex en vereist een abstracte berekening en een debat daarover op zitting. Die schade kan in ieder geval naar civiele maatstaven niet zonder meer gelijk worden gesteld aan de betaalde reissom. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt. Namens de benadeelde partij wordt een bedrag van € 20.000,- gevorderd wegens fysiek en psychisch letsel en wordt € 25.000,- gevorderd wegens fysiek en psychisch letsel met betrekking tot het heupletsel van de benadeelde partij.
Gelet op artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van lichamelijk letsel.
Nu in onderhavige zaak sprake is geweest van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de immateriële schade die naar billijkheid wordt vastgesteld.
Voor de omvang van de schade neemt de rechtbank in aanmerking dat de benadeelde partij is bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp, dat hij met dat vuurwapen op zijn hoofd is geslagen als gevolg waarvan hij een snede van ongeveer 3 a 4 cm heeft opgelopen en dat hij met ducttape is vastgetapet en 1,5 uur lang op de grond heeft gelegen. Als gevolg hiervan heeft de benadeelde partij last van gevoelens van onrust en machteloosheid en ervaart hij spierspanning en slaapproblemen. Ook staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van opgelopen trauma EMDR-therapie gevolgd.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 17.500,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe.
Als het gaat om de gevorderde immateriële schadevergoeding als gevolg van het fysieke letsel aan de heup vindt de rechtbank de beoordeling van die vordering in deze strafzaak te complex en een onevenredige belasting van het strafgeding. Zoals hiervoor reeds overwogen met betrekking tot gevorderde medische kosten is onduidelijk in hoeverre bepaald letsel het gevolg is geweest van de bewezen verklaarde feiten en in hoeverre sprake is van blijvend letsel. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Dit betekent dat de rechtbank komt tot toewijzing van de volgende schadeposten:
- reiskosten € 547,14 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2023;
- kosten Praktijk Ortho manipulatie therapie, waarvan € 990,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023 en waarvan € 510,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024;
- kosten psychotherapeut € 1.116,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024;
- eigen risico ziektekostenverzekering 2024 € 385,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2024;
- kosten Deudekom installateurs € 5.623,50 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2023;
- kosten kleding tot een bedrag van € 80,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2023;
- verhuiskosten € 8.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2024.
Het toe te wijzen bedrag aan materiële schade bedraagt daarmee in totaal € 17.251,64 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf verschillende data zoals ook hierna in het dictum opgenomen.
De rechtbank wijst daarnaast een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 21 maart 2023.
Totale toegewezen vordering: € 34.751,64.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes handelen (kort gezegd: diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 57, 282, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
54 (vierenvijftig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van: 655 euro (omschrijving: G1468443, IBG), personenauto, merk: Skoda, kenteken: [kenteken] (omschrijving: PL0100-2023072632-G1586771) en een zwarte laptoptas (omschrijving: PL1100-2023057849-G1468848).
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde]geleden schade tot een bedrag van € 34.751,64, bestaande uit € 17.251,64 als vergoeding voor de materiële en € 17.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over:
€ 547,14 vanaf 29 oktober 2023;
€ 990,00 vanaf 1 november 2023;
€ 510,00 vanaf 1 april 2024;
€ 1.116,00 vanaf 23 september 2024;
€ 385,00 vanaf 2 april 2024;
€ 5.623,50 vanaf 15 mei 2023;
€ 80,00 vanaf 21 maart 2023;
€ 8.000,00 vanaf 30 september 2024;
€ 17.500,00 vanaf 21 maart 2023
tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst de vordering van de benadeelde partij af, voor zover het betreft het meer gevorderde bedrag ten aanzien van de post ‘kleding’.
Verklaart de benadeelde partij voor de overige gevorderde schade(posten) niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[benadeelde]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 34.751,64, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierboven per schadepost is weergegeven tot aan de dag der algehele voldoening. Indien de schadevergoedingsmaatregel niet of niet volledig wordt voldaan, kan gijzeling worden toegepast met een totale maximumduur van
208 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. M. Ramondt, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.N. de Bruijn,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 januari 2026.
Mrs. N.M.L. Rogmans en M. Ramondt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt op 2 augustus 2024 (aanvullend document) met als titel “Textielonderzoek naar aanleiding van een overval in Grootebroek op 21 maart 2023”.