ECLI:NL:RBNHO:2026:779

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
11899730
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arbeidsovereenkomst en loonvordering in verzetprocedure tussen pakketbezorger en werkgever

In deze verzetprocedure staat centraal of tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. De werknemer vorderde loonbetaling over de periode van 1 december 2023 tot en met 23 december 2023 en doorbetaling daarna, nadat de relatie tussen partijen was geëindigd en strafrechtelijke veroordeling van de directeur/eigenaar volgde.

De kantonrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria van artikel 7:610 BW Pro is voldaan: de werknemer heeft daadwerkelijk arbeid verricht, er was loon afgesproken en er was gezag van de werkgever. Dit blijkt onder meer uit routelijsten, verklaringen en de schriftelijke arbeidsovereenkomst, ook al was deze niet ondertekend door de directeur.

De werkgever betwistte het bestaan van de arbeidsovereenkomst en stelde dat de overeenkomst slechts was opgesteld voor het verkrijgen van een huurwoning en dat er geen daadwerkelijke werkzaamheden waren verricht. Deze stellingen werden verworpen.

De kantonrechter bevestigt het verstekvonnis en veroordeelt de werkgever tot betaling van het loon en proceskosten. De dwangsommen voor het verstrekken van salarisspecificaties worden gehandhaafd met een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bevestigd, waarbij de werkgever wordt veroordeeld tot loonbetaling en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11899730 \ CV EXPL 25-6503
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.
gevestigd te Hoef en Haag
eisende partij in het verzet
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. J.G. Roethof
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
gedaagde partij in het verzet
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. J. Veninga
De zaak in het kort
Verzetprocedure. Partijen verschillen van mening of tussen hen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat is voldaan aan de criteria uit artikel 7:610 BW Pro. De werknemer heeft recht op het door haar gevorderde loon. Het verstekvonnis wordt vrijwel geheel bevestigd.

1.Het procesverloop

1.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding van 18 november 2024 een loonvordering ingesteld tegen [eiser] vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. [eiser] is in die procedure niet verschenen, waarna [eiser] bij verstekvonnis van 15 januari 2025 onder zaak/rolnr 11415869 CV EXPL 24-8269 (hierna: het verstekvonnis) daartoe is veroordeeld.
1.2.
Bij dagvaarding van 15 september 2025 is [eiser] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.
1.3.
Op 18 december 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] bij brief van 5 december 2025 nog stukken toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een pakketbezorgingsbedrijf. Eigenaar en directeur van [eiser] is [betrokkene 1].
2.2.
[gedaagde] en [betrokkene 1] hebben jarenlang een affectieve relatie gehad.
2.3.
[eiser] heeft op enig moment een arbeidsovereenkomst tussen haar en [gedaagde] opgesteld voor de duur van één jaar en heeft deze overeenkomst aan [gedaagde] verstrekt. De datum van indiensttreding in de arbeidsovereenkomst is gesteld op 1 december 2023. Het salaris in deze overeenkomst is vastgesteld op € 1.995,00 bruto per maand en het betrof de functie Koerier.
2.4.
Op enig moment in december 2023 is de affectieve relatie tussen partijen geëindigd. [gedaagde] heeft vervolgens aangifte gedaan tegen [betrokkene 1] wegens onder meer verkrachting en mishandeling.
2.5.
Op 27 september 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] [eiser] aangeschreven met het verzoek om loon(door)betaling. Op 4 oktober 2024 is nogmaals een rappel gestuurd, ook via e-mail. [eiser] heeft hierop niet gereageerd.
2.6.
Op 6 november 2025 is [betrokkene 1] strafrechtelijk veroordeeld naar aanleiding van de aangifte van [gedaagde].

3.De vordering en het verweer

3.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding van [eiser] (na)betaling gevorderd van elf maanden bruto loon ter hoogte van € 21.945,00, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede het toekomstige loon tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor de periode van één jaar en dat zij van 1 december 2023 tot en met 23 december 2023 arbeid heeft verricht door pakketjes te bezorgen in dienst van [eiser]. Voor deze werkzaamheden is zij niet betaald. Na de aangifte heeft zij niet meer gewerkt. Het niet verrichten van werk na 23 december 2023 komt voor rekening van [eiser]. Het strafbare handelen van de directeur/eigenaar van [eiser] stond daaraan in de weg. [eiser] is daarom gehouden het loon door te betalen voor de gehele duur van de arbeidsovereenkomst. Verder heeft [gedaagde] gevorderd om [eiser] te veroordelen salarisspecificaties te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag en maximum van € 5.000,00.
3.2.
[eiser] is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde met dien verstande dat de vordering tot betaling van het (destijds toekomstig) loon over november 2024 is afgewezen.
3.3.
[eiser] vordert in verzet ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Volgens [eiser] is geen sprake (geweest) van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. De schriftelijke arbeidsovereenkomst was slechts opgesteld ten behoeve van het krijgen van een huurwoning door [gedaagde] en is ook niet ondertekend door [betrokkene 1]. Het was nooit de intentie van partijen dat [gedaagde] daadwerkelijk zou gaan werken. Zij is slechts met [betrokkene 1] meegereden in de bezorgbus voor de gezelligheid. [gedaagde] heeft niet gereden, heeft geen pakjes aangeraakt en heeft niet de route bepaald. De loonvordering moet worden afgewezen. De dwangsommen voor het verstrekken van salarisspecificaties moeten ook worden afgewezen, want die kunnen niet worden overgelegd. Er is op geen enkele wijze ooit gewerkt. Evenmin is door [eiser] aangifte van loonbelasting gedaan over december 2023.

4.De beoordeling

4.1.
In artikel 7:610 BW Pro staan de wettelijke criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: er moet sprake zijn van arbeid, van loon en van gezag van de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat hiervan sprake was en zal hieronder uitleggen waarom.
Arbeid: pakketten bezorgen
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat zij vanaf 1 december 2023 zelfstandig pakketten heeft bezorgd. Zij heeft deze pakketten steeds opgehaald in het depot van de heer [betrokkene 2] en heeft gedurende de eerste drie dagen in de ochtend tekst en uitleg gekregen van [betrokkene 1] over het scannen van de pakketten. Dit is niet door [eiser] weersproken.
4.3.
[gedaagde] heeft routelijsten overgelegd om aan te tonen dat zij daadwerkelijk werkzaamheden voor [eiser] heeft verricht in de genoemde periode. Op de lijsten staan adressen en verschillende data. Ter zitting is door [eiser] erkend dat de data op de betreffende routelijsten inderdaad allemaal de maand december 2023 betreffen.
4.4.
[eiser] betwist echter dat de routelijsten van [gedaagde] zijn en stelt dat deze door [gedaagde] uit zijn bezorgbus zijn gestolen toen zij in december 2023 voor de gezelligheid met hem meereed op zijn bezorgroutes. [gedaagde] heeft verklaard dat de routelijsten steeds door [betrokkene 2] aan haar werden aangeleverd. De kantonrechter constateert dat op de routelijsten meerdere aantekeningen zijn gemaakt, waaronder ‘
route [naam]’. Dit duidt op de voornaam van [gedaagde]. Beide partijen hebben verklaard dat zij dit niet op de lijst hebben geschreven. Dat is een aanwijzing dat de lijst inderdaad door [betrokkene 2] aan [gedaagde] is aangeleverd en dat het lijsten zijn van de routes die [gedaagde] heeft gereden. De enkele betwisting van [eiser] is hiertegenover onvoldoende en verklaart niet waarom haar naam handmatig op de lijsten is geschreven. Daar komt bij, dat naar de eigen verklaring van [betrokkene 1] ter zitting, de relatie tussen partijen al sinds oktober 2023 heel moeizaam was. Dat [gedaagde] desondanks in december 2023 nog is meegereden voor de gezelligheid en bij die gelegenheid de lijsten heeft meegenomen, acht de kantonrechter daarom niet geloofwaardig.
4.5.
De kantonrechter oordeelt dan ook dat [gedaagde] voldoende heeft aangetoond dat zij werkzaamheden heeft verricht voor [eiser] in de periode van 1 december 2023 tot 23 december 2023. Dat na 23 december 2023 geen werkzaamheden meer door [gedaagde] zijn verricht, komt, gezien de door [gedaagde] gestelde feiten en de strafrechtelijke veroordeling ter zake van [betrokkene 1], voor rekening van [eiser]. [eiser] is daarom verplicht ook over de periode na 23 december 2023 het loon aan [gedaagde] te betalen.
Gezag: arbeidsovereenkomst
4.6.
[gedaagde] heeft een getekende arbeidsovereenkomst tussen partijen overgelegd. [eiser] betwist dat deze is ondertekend door [betrokkene 1] en stelt dat geen sprake is geweest van aanbod en aanvaarding, zodat geen arbeidsverhouding is ontstaan.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat de arbeidsovereenkomst voorafgaand aan 1 december 2023 al was opgesteld door de boekhouder van [eiser] en aan haar was overhandigd. Dit is niet door [eiser] weersproken. De kantonrechter ziet de schriftelijke concept-arbeidsovereenkomst als een aanbod van [eiser], dat [gedaagde] heeft geaccepteerd door voor [eiser] aan het werk te gaan. Daarmee is een arbeidsovereenkomst ontstaan, waarbij [gedaagde] werkzaamheden verrichtte onder gezag van [eiser]. Dat blijkt ook uit het feit dat zij, zoals ze ter zitting onweersproken heeft verklaard, drie dagen door [betrokkene 1] is ingewerkt en haar werkzaamheden steeds met een bezorgbus van [eiser] uitvoerde. De vraag wie en wanneer de handtekeningen op de arbeidsovereenkomst heeft gezet, hoeft niet te worden beantwoord. Een arbeidsovereenkomst kan immers ook - zoals in dit geval - op een andere manier tot stand komen.
Loon
4.8.
Het feit dat in het geheel geen loon aan [gedaagde] is uitbetaald, maakt niet dat aan het loonvereiste niet is voldaan. Uit de arbeidsovereenkomst volgt namelijk dat een maandsalaris van € 1.995,00 bruto is afgesproken. Dit bedrag komt bovendien overeen met de door [gedaagde] aangeleverde transcripties van gesprekken tussen [betrokkene 1] en een derde partij, de heer [betrokkene 3]. Daaruit volgt dat [betrokkene 1] wist dat [gedaagde] recht had op € 1.800,00, maar niet kon of wilde uitbetalen. [betrokkene 1] heeft ter zitting verklaard dat hij zich ‘niet kan heugen dat hij deze gesprekken heeft gevoerd’. Dat is geen ontkenning en ook geen betwisting. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat (ook) [eiser] zich ervan bewust was dat zij aan [gedaagde] het afgesproken salaris verschuldigd was voor de verrichte werkzaamheden.
4.9.
Het feit dat [eiser] geen loonbelasting heeft afgedragen over december 2023, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Het is immers de eigen keuze van [eiser] om geen loonheffing af te dragen. Dit zegt niets over de gehoudenheid tot afdracht van loonbelasting en daarmee dus ook niets over het wel of niet bestaan van het recht van [gedaagde] op betaling van loon.
Conclusie en proceskosten
4.10.
De conclusie is dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en [gedaagde] recht heeft op loon(door)betaling. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd.
4.11.
Door [gedaagde] is niet weersproken dat het verzet tijdig is ingediend, omdat het verstekvonnis niet eerder dan 20 augustus 2025 bekend was bij [eiser]. Tijdig verzet schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. De kantonrechter zal daarom bepalen dat de toegewezen dwangsommen bij het niet-tijdig verstrekken van salarisspecificaties door [eiser] pas verschuldigd zullen zijn vanaf 14 dagen na betekening van dit verzetvonnis. Omdat in het verstekvonnis de loonvordering over de maand november 2024 is afgewezen, zal de kantonrechter (volledigheidshalve en ter voorkoming van misverstanden) de veroordeling tot het verstrekken van salarisspecificaties beperken tot de periode van december 2023 tot en met oktober 2024.
4.12.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 577,00 (1 punt × € 577,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 721,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 15 januari 2025 met dien verstande dat de bij verstekvonnis toegewezen dwangsommen pas worden verbeurd wanneer [eiser] na veertien dagen na betekening van dit verstekvonnis in gebreke blijft met het verstrekken van de salarisspecificaties over de maanden december 2023 tot en met oktober 2024;
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 721,00,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en op 4 februari 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter