Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7671

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
15.208181.25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 SrArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij verkrachting minderjarige onder 12 jaar

De rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting van een minderjarige onder de 12 jaar in de periode 1992-1993. De tenlastelegging betrof seksuele handelingen in het lerarenhok van een turnvereniging in Castricum. De aangever deed een betrouwbare en gedetailleerde verklaring over het misbruik.

De officier van justitie baseerde zich op de verklaring van de aangever en een schakelbewijsconstructie met verklaringen van de broer van de verdachte en twee getuigen. De verdediging voerde aan dat de verklaring onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs en dat de tenlastelegging deels verjaard was.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaring van de aangever betrouwbaar was, het schakelbewijs onvoldoende steun bood vanwege verschillen in plaats, leeftijd en aard van de handelingen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen waren. De verdachte werd vrijgesproken en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.208181.25 (P)
Uitspraakdatum: 25 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 29 mei 1993 te Castricum, althans in Nederland, met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], te weten
- het laten vasthouden van zijn penis door die [benadeelde] en/of zich door die [benadeelde] laten aftrekken en/of
- het (onverhoeds) brengen en/of houden van zijn penis in de mond van die [benadeelde] en/of zich door die [benadeelde] laten pijpen.

2.Voorvragen

Geen verjaring
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van
het laten vasthouden van zijn penis door die [benadeelde] en/of zich door die [benadeelde] laten aftrekken,zoals ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje, sprake is van verjaring. De verdenking ziet in zoverre niet op verkrachting van een kind onder de twaalf jaar, zoals bedoeld in artikel 244 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat er bij deze handelingen geen sprake is van binnendringen van het lichaam. Ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging moet de officier van justitie niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman.
Voor zover de raadsman bedoelt te stellen dat het aftrekken, wat niet als seksueel binnendringen betiteld kan worden, niet onder artikel 244 Sr Pro kan vallen, faalt dit. Artikel 244 Sr Pro, zoals dit artikel geldt vanaf 1 december 1991, stelt strafbaar degene die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen pleegt die bestaan uit
of mede bestaan uithet seksueel binnendringen van het lichaam. Gelet op de formulering van dat artikel is het de kennelijke bedoeling van de wetgever dat dergelijke handelingen indien zij aan "seksueel binnendringen" voorafgaan dan wel daarop volgen of daarmee gepaard gaan, onder dat artikel vallen. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 18 mei 1999 (NJ 1999/541, ECLI:NL:HR:1999:ZD1456). De aangever heeft verklaard dat hij na de turnles alleen met de verdachte achterbleef in het lerarenhok en dat hij hem toen heeft moeten aftrekken en pijpen. In zoverre staat het
“laten vasthouden van zijn penis door die [benadeelde] en/of zich door die [benadeelde] laten aftrekken”, zoals de verdachte in de tenlastelegging wordt verweten, in een zodanig verband met het pijpen, dat deze handelingen kunnen worden begrepen onder artikel 244 Sr Pro. Hierdoor is ten aanzien van die verdenking dus geen sprake van verjaring.
Het voorgaande geldt niet voor het incident dat volgens de aangever heeft plaatsgevonden op zijn 11e jaar op het turnkamp in Velsen. Volgens de aangever was toen sprake van aftrekken, wat niet is voorafgegaan of gevolgd door, dan wel gepaard is gegaan met handelingen waarbij wel sprake was van seksueel binnendringen. Het incident in Velsen is dus wel verjaard. Zo ook het seksueel misbruik dat volgens de aangever heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte, omdat deze handelingen plaatsvonden nadat de aangever gestopt was met turnen. Volgens eigen zeggen was de aangever toen al 13 jaar.
De rechtbank leest de tenlastelegging daarom aldus dat deze enkel ziet op de seksuele handelingen die gepleegd zijn toen het slachtoffer nog geen 12 jaar oud was en die zouden hebben plaatsgevonden in het lerarenhok op de turnvereniging in Castricum. Het incident in Velsen (welke plaats ook niet terugkomt in de tenlastelegging) en het seksuele misbruik in de woning van de verdachte (wat buiten de tenlastegelegde periode valt), laat de rechtbank daarom verder onbesproken.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie acht de verklaring van de aangever betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Op basis van de aangifte kan worden vastgesteld dat het seksueel misbruik van de aangever door de verdachte aanving op het turnkamp in de zomer van 1992, op het moment dat de aangever net twee maanden 11 jaar oud was en dat het misbruik daarna doorging na afloop van de turnlessen, waarbij de aangever de verdachte moest aftrekken en pijpen in het lerarenhok bij de turnzaal van de turnvereniging in Castricum. Deze aangifte wordt volgens de officier van justitie voldoende ondersteund door de verklaringen van de broer van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], waarbij de officier van justitie gebruik maakt van een schakelbewijsconstructie.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet buiten twijfel kan worden vastgesteld dat de handelingen in het lerarenhok hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode, toen de aangever 12 jaar oud was. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangever niet wordt ondersteund door enig ander wettig bewijsmiddel dat betrekking heeft op de specifiek ten laste gelegde handeling in die periode. De verdachte ontkent consistent en er is geen objectief bewijs dat zijn verklaring weerlegt.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken veelal worden gekenmerkt door het gegeven dat bij de ten laste gelegde seksuele handelingen vaak alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader aanwezig zijn geweest. Dit brengt in veel gevallen mee dat naast de verklaring van het vermeende slachtoffer weinig of geen andere wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn. De rechtbank neemt bij de beoordeling van de bewijsmiddelen de volgende uitgangspunten in acht.
In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op de verklaring van de aangever. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door de aangever genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.
Betrouwbaarheid verklaringen aangever
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever te twijfelen. De aangever heeft op belangrijke punten consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij en met hem heeft verricht. Hij heeft concrete gebeurtenissen benoemd, zowel over de handelingen zelf als de omstandigheden waaronder en de plaats waar deze plaatsvonden. De aangever heeft benoemd dat het seksuele misbruik plaatsvond vanaf zijn 11e jaar. Het is begonnen in de slaapzaal tijdens het zomerkamp van de turnvereniging in Velsen in 1992, waar de verdachte hem in de nacht heeft afgetrokken. Hij was toen net een paar maanden 11 jaar oud. Na deze avond werd hij wekelijks apart genomen door de verdachte na afloop van de turnles en heeft hij hem vele malen afgetrokken en gepijpt in het lerarenhok van de gymzaal. De aangever heeft daarover verklaard dat het echt iets stiekems was. De kleren gingen niet uit, maar de broek ging op de knieën. De verdachte zat dan op het bureau en de aangever zat op zijn knieën om hem te bevredigen. De verdachte droeg altijd een Hummel trainingsbroek. Ook vindt de rechtbank de verklaring van de aangever authentiek. Daaraan draagt bij dat de aangever open en eerlijk heeft verklaard over zijn gevoelens en emoties gedurende het misbruik. Daarbij heeft hij ook verklaard dat hij het wel interessant vond om alleen te zijn met de verdachte en dat hij het fijn vond om aandacht van hem te krijgen. Verder heeft hij verklaard dat hij het pijpen vies vond, dat de verdachte hem ook heeft afgetrokken, maar dat hij niet meer weet of de verdachte hem ook pijpte. Hij kwam zelf ook wel klaar als de verdachte hem aftrok, maar hij weet niet of dit altijd was.
De verklaring van de aangever dat hij gedurende zijn 11e jaar door de verdachte seksueel is misbruikt, doordat hij de verdachte in het lerarenhok vele malen heeft afgetrokken en heeft gepijpt, kan dan ook gebruikt worden als bewijsmiddel in deze zaak.
Geen steunbewijs
In haar schriftelijk uitgewerkte requisitoir heeft de officier van justitie het steunbewijs gepresenteerd door gebruikmaking van een constructie van schakelbewijs, bestaande uit de verklaringen van de broer van de verdachte en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verklaringen weliswaar geen steun geven aan de verklaring van de aangever dat er gepijpt is, maar deze verklaringen bevestigen wel dat de verdachte geïnteresseerd was in jonge jongens en dat er tussen hen, in de jaren waarin het misbruik van de aangever plaatsvond, seksuele handelingen plaatsvonden. Bovendien wordt een vergelijkbare modus operandi waargenomen in de zin van het leggen van contact, het eerst bevriend raken, de plek waar het misbruik plaatsvond en de handelingen voor zover die telkens zien op het aftrekken van de verdachte.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Als er geen direct bewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten dan kunnen de feiten met zogenoemd schakelbewijs toch bewezen worden. Het gaat dan om het gebruik van bewijs van een ander, soortgelijk feit dat als steunbewijs kan dienen. Schakelbewijs gebruiken kan alleen als de manier waarop de verschillende feiten (in dit geval het misbruik waarvan de aangever aangifte heeft gedaan en waarover de broer van de verdachte en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard) zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont. De manier waarop de feiten zijn gepleegd (modus operandi) moet dan zodanig overeenkomen in beide zaken dat (bijvoorbeeld) de verklaring over het ene feit als steunbewijs voor het andere feit kan dienen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een constructie van schakelbewijs in deze zaak niet aan een bewezenverklaring bijdragen. De getuige [getuige 1] heeft weliswaar verklaard over een seksuele handeling in het rommelhok op de turnvereniging toen hij 10 of 11 jaar oud was, maar dit bestond uit het wrijven over de erectie van de verdachte over de broek, waarbij de verdachte niet is klaargekomen. Dit heeft eenmalig plaatsgevonden. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij toen hij 14 was de verdachte een keer heeft afgetrokken, maar dit was bij de verdachte thuis. De broer van de verdachte heeft tot slot verklaard dat hij met wat vrienden wel eens porno keek bij de verdachte thuis en dat daar een keer seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, waarbij hij zou hebben gezien dat een vriend van hem en de verdachte elkaar aftrokken. Hij en zijn vrienden waren toen 15 of 16 jaar oud. Op grond van deze verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat sprake is van een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte, dat steun biedt aan de verklaring van de aangever ten aanzien van wat hem is overkomen. Geen van de getuigen heeft verklaard over orale seks met de verdachte. Ook wisselen de verklaringen qua plaats waar de handelingen zouden hebben plaatsgevonden en de wijze en de leeftijd waarop. Dat de getuigen allen jong waren, dat zij een vriendschap met de verdachte hebben gesloten en tegen de verdachte opkeken, is daarvoor ook niet voldoende.
Ook overigens biedt het dossier geen steunbewijs voor de verklaring van de aangever over het seksueel misbruik door de verdachte. De verklaring van de broer van de aangever als disclosure getuige, vele jaren later, is daarvoor onvoldoende.
Conclusie rechtbank
De rechtbank concludeert dan ook dat de aangifte onvoldoende wordt ondersteund door overig bewijs. Bij deze stand van zaken moet de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

4.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft via zijn advocaat mr. B. Roodveldt een vordering tot schadevergoeding van € 6.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Na wijziging van de tenlastelegging waarbij sprake is van uitbreiding van de ten laste gelegde periode is de vordering immateriële schade verhoogd naar een bedrag van € 8.500,-.
Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, kan de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. A.M.C. de Haan en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juni 2026.