Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7607

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
15/051378-25 en 15/164590-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor zware mishandeling en diefstal met geweld na ernstige feiten in korte tijd

De rechtbank Noord-Holland heeft op 22 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die zich binnen een week schuldig maakte aan meerdere ernstige strafbare feiten. De verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag met een groot mes, zware mishandeling, bedreiging met zware mishandeling en diefstal met geweld.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging tot doodslag wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte medepleegde aan zware mishandeling en bedreiging met zware mishandeling van het eerste slachtoffer, en diefstal met geweld van het tweede slachtoffer. De feiten vonden plaats in februari 2025 in Castricum en Beverwijk.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 90 dagen op, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een leerstraf van 35 uur. De straf is lager dan de eis van de officier van justitie vanwege de vrijspraak op poging tot doodslag en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder positieve ontwikkelingen en begeleiding.

Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de benadeelden, in totaal ruim €9.000, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank legde ook schadevergoedingsmaatregelen op en onttrok het mes aan het verkeer. De uitspraak werd gewezen door drie kinderrechters.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie deels voorwaardelijk en leerstraf voor zware mishandeling en diefstal met geweld, vrijgesproken van poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/051378-25 en 15/164590-25
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 8 april 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens De Jeugd en Gezinsbeschermers te Alkmaar (hierna: de jeugdreclassering).
Verder waren aanwezig de ouders van de verdachte.
Namens de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] waren aanwezig mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam, en [juridisch medewerker] , als juridisch medeweker.
Namens de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] was aanwezig [medewerker Slachtofferhulp Nederland] van Slachtofferhulp Nederland.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 15/051378-25 ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [de benadeelde partij 1] van het leven te beroven,
- een (groot) mes/machete heeft verworven en/of aangeschaft,
- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum heeft begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op heeft gezocht,
- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete heeft getrokken en/of
- met voornoemd (groot) mes/machete een of meerdere stekende bewegingen in/naar het bovenlichaam, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 1] heeft gemaakt (waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door
- een (groot) mes/machete te verwerven en/of aan te schaffen,
- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum te begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op te zoeken,
- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete te trekken en/of
- met voornoemd (groot) mes/machete een of meerdere stekende bewegingen in/naar het bovenlichaam, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 1] te maken (waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt);
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- een (groot) mes/machete heeft verworven en/of aangeschaft,
- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum heeft begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op heeft gezocht,
- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete heeft getrokken en/of
- met voornoemd (groot) mes/machete een of meerdere stekende bewegingen in/naar het bovenlichaam, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 1] heeft gemaakt (waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij, op of omstreeks 14 februari 2025 te Castricum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [de benadeelde partij 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door:
- een (groot) mes/machete te verwerven en/of aan te schaffen,
- zich bewapend met voornoemd (groot) mes/machete naar Castricum te begeven en daar die [de benadeelde partij 1] op te zoeken,
- toen het tot een confrontatie kwam voornoemd (groot) mes/machete te trekken en aan die [de benadeelde partij 1] te tonen en/of voor te houden en/of
- ( toen [de benadeelde partij 1] vervolgens op de vlucht sloeg) met getrokken mes/machete achter die vluchtende [de benadeelde partij 1] aan te rennen.
Aan de verdachte is onder 15/164590-25 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 februari 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vest (Nike), een jas (Nike), een paar schoenen (Yeezy), een mobiele telefoon (Iphone 13), een pinpas, een kluisjespas, een schoudertas (namaak Gucci), een vape, handschoenen (Nike) en kauwgom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [de benadeelde partij 2] een duw te geven en/of
- een tasje van die [de benadeelde partij 2] af te pakken en/of
- de jas en het vest en de schoenen van die [de benadeelde partij 2] uit te trekken en/of
- de mobiele telefoon van die [de benadeelde partij 2] af te pakken en/of
- tegen die [de benadeelde partij 2] te zeggen; “geef je vape, alles” en/of
- die [de benadeelde partij 2] een klap in het gezicht te geven.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring het onder parketnummer 15/051378-25 feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en het onder parketnummer 15/164590-25 ten laste gelegde.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het onder parketnummer 15/051378-25 feit 1 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever [de benadeelde partij 1] . De raadsvrouw wijst erop dat de verdachte het mes in eerste instantie niet wilde geven aan de medeverdachte. Uiteindelijk is het mes op enig moment toch bij de medeverdachte terecht gekomen, waarna de medeverdachte in de arm heeft gestoken van aangever [de benadeelde partij 1] . Daardoor is een wond in de arm ontstaan, maar dit is geen potentieel dodelijk letsel nu zich daar geen vitale organen bevinden.
Ten aanzien van het onder parketnummer 15/051378-25 feit 1 (meer) subsidiair, feit 2 en het onder parketnummer 15/164590-25 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak
Ten aanzien van parketnummer 15/051378-25, feit 1 primairOm tot een bewezenverklaring van dit feit, te weten poging tot doodslag, te kunnen komen, is onder meer vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever.
Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat de aangever is gestoken met het doel om hem te doden. Dat betekent dat de rechtbank geen ‘vol’ opzet op de dood bewezen acht.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Hiervan is kort gezegd sprake als een aanmerkelijke kans aanwezig was dat dit gevolg – de dood – zou intreden en de verdachte op dat moment welbewust die kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is naar vaste rechtspraak afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat ook hiervan geen sprake is. Uit het dossier, in het bijzonder de verklaring van de verdachte en de medeverdachte, is gebleken dat de verdachte het mes heeft meegenomen naar Castricum en het mes op enig moment tijdens de escalatie tussen de medeverdachte en de aangever tevoorschijn heeft gehaald en aan de medeverdachte heeft gegeven. Hierdoor heeft hij de medeverdachte in staat gesteld over het mes te beschikken en het te gebruiken, waardoor de aangever vervolgens daadwerkelijk met dit mes is gestoken en is geraakt in zijn arm. Er kan echter niet vastgesteld worden dat de verdachte en de medeverdachte op basis van deze handelingen de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever hebben aanvaard. Uit de medische verklaring blijkt dat de aangever een steekverwonding van 12 centimeter heeft opgelopen in zijn linkerarm, enkele bloedinkjes en uitgebreid spierletsel. Dit is geen dodelijk letsel en uit de medische verklaring blijkt evenmin dat het risico bestond op een dodelijke afloop door het steken in de arm. De handelingen van de verdachte en de medeverdachte kunnen ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als zozeer gericht op het veroorzaken van een dodelijke verwonding dat het niet anders kan dan dat de verdachte en de medeverdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust hebben aanvaard. Dat geldt mede voor een eerdere steekbeweging van de medeverdachte richting het lichaam van aangever [de benadeelde partij 1] .
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte ten aanzien van parketnummer 15/051378-25 onder feit 1 primair ten laste is gelegd wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.
3.3.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten aanzien van parketnummer 15/051378-25 onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde en het ten aanzien van parketnummer 15/164590-25 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het ten aanzien van parketnummer 15/051378-25 ten laste gelegde sprake is van een eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De bewezenverklaarde gedragingen leveren een min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op zodat de verdachte wordt daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten aanzien van parketnummer 15/051378-25 onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde en de ten aanzien van parketnummer 15/164590-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
ten aanzien van parketnummer 15/051378-25
1:
hij, op 14 februari 2025 te Castricum, tezamen en in vereniging met een ander, aan [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door
- een groot mes te verwerven en
- zich bewapend met voornoemd groot mes naar Castricum te begeven en
- toen het vervolgens tot een confrontatie kwam voornoemd groot mes te trekken en
- met voornoemd groot mes meerdere stekende bewegingen naar het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 1] te maken, waarbij die [de benadeelde partij 1] in zijn arm is geraakt;
2:
hij, op 14 februari 2025 te Castricum, tezamen en in vereniging met een ander, [de benadeelde partij 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door:
- een groot mes te verwerven en
- zich bewapend met voornoemd groot mes naar Castricum te begeven en
- toen het tot een confrontatie kwam voornoemd groot mes te trekken en
- toen [de benadeelde partij 1] vervolgens op de vlucht sloeg, met getrokken mes achter die vluchtende [de benadeelde partij 1] aan te rennen;
ten aanzien van parketnummer 15/164590-25:
hij op 9 februari 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen, een vest (Nike), een jas (Nike), een paar schoenen (Yeezy), een mobiele telefoon (Iphone 13), een pinpas, een kluisjespas, een schoudertas (namaak Gucci), een vape, handschoenen (Nike) en kauwgom, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [de benadeelde partij 2] een duw te geven en
- een tasje van die [de benadeelde partij 2] af te pakken en
- de jas en het vest en de schoenen van die [de benadeelde partij 2] uit te trekken en
- de mobiele telefoon van die [de benadeelde partij 2] af te pakken en
- tegen die [de benadeelde partij 2] te zeggen; “geef je vape, alles” en
- die [de benadeelde partij 2] een klap in het gezicht te geven.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 15/051378-25:
Eendaadse samenloop van:
Feit 1 subsidiair: medeplegen van zware mishandeling;
Feit 2: medeplegen van bedreiging met zware mishandeling.
Ten aanzien van parketnummer 15/164590-25:
Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie waarvan 116 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in
voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene
voorwaarde en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten TACt regulier voor de duur van 35 uur, subsidiair 17 dagen jeugddetentie.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit in te kunnen stemmen met de eis van de officier van justitie, maar heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met
de volgende feiten en omstandigheden.
De gebeurtenissen hebben gezorgd voor veel spanningen binnen het gezin van de verdachte. Inmiddels is sprake van een positieve wending, mede dankzij de begeleiding van de jeugdreclassering. De verdachte heeft geprobeerd ervan te leren. Zo gaat hij, al dan niet met tegenzin, naar school, is hij gestopt met blowen en heeft hij een baan.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in een week tijd schuldig gemaakt aan meerdere ernstige feiten. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan zware mishandeling, waarbij aangever [de benadeelde partij 1] in zijn arm is gestoken. De verdachte heeft weliswaar niet zelf gestoken, maar het is wel de verdachte geweest die op verzoek van de medeverdachte een groot mes mee heeft genomen, terwijl hij wist dat een risico bestond dat het tot een confrontatie zou komen tussen de medeverdachte en aangever [de benadeelde partij 1] . Ook wist de verdachte van tevoren dat dit uit de hand zou kunnen lopen, wat ook is gebeurd. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever [de benadeelde partij 1] . Het incident heeft veel impact gehad op aangever [de benadeelde partij 1] . Uit de vordering is gebleken dat aangever [de benadeelde partij 1] aan het incident een groot ontsierend litteken heeft overgehouden op zijn arm, wat een zichtbare plek is. Ook heeft hij nog altijd nagenoeg geen gevoel in zijn onderarm en kan hij zijn pink moeilijk gebruiken, waarbij het de verwachting is dat dit niet beter wordt. Daarnaast heeft het incident mentale schade veroorzaakt bij aangever [de benadeelde partij 1] . Hij is angstig geworden en heeft EMDR-therapie moeten volgen. De impact op de aangever is dus groot geweest. Tot slot zorgen zulke feiten ook voor maatschappelijke onrust en versterken de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft zich enkele dagen daarvoor ook schuldig gemaakt aan een ander ernstig feit, namelijk diefstal met geweld. Hierbij hebben de verdachte en zijn medeverdachten op een intimiderende manier druk uitgeoefend op aangever [de benadeelde partij 2] . Zij zijn met een groep op aangever [de benadeelde partij 2] afgekomen, om hem heen gaan staan en hebben hem een klap en een duw gegeven. Ook werd een deel van zijn kleren uitgetrokken, werden zijn persoonlijke spullen afgenomen en werd het incident gefilmd. Door zo te handelen hebben de verdachte en de medeverdachten een zeer beangstigende en vernederende situatie voor aangever [de benadeelde partij 2] gecreëerd. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Uit de vordering is gebleken dat aangever [de benadeelde partij 2] sinds het incident sneller boos kan worden en in afwachting is van EMDR-therapie. Daarnaast vond de diefstal plaats in de openbare ruimte. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van
18 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte een first offender is en
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 12 maart 2026 van [raadsonderzoeker]
, raadsonderzoek bij de Raad.
De Raad heeft geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf bestaande uit een leerstraf, te weten TACt Regulier. Daarnaast heeft de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie geadviseerd met een proeftijd en onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Het algemeen recidive risico is hoog, maar het dynamisch risicoprofiel komt uit op laag. Dit houdt in dat op de meeste domeinen weinig risico’s worden gezien. De verdachte laat namelijk een positieve ontwikkeling zien. Zo heeft hij zich gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, waaronder de begeleiding van de Hooftrainer, en de thuissituatie is verbeterd. Verder zijn er geen zorgen over het netwerk van de verdachte of over middelengebruik. Er zijn echter nog wel zorgen over zijn schoolgang. Hoewel de verdachte momenteel naar school gaat, blijkt dat hij hier moeite mee heeft en er nog sprake is verzuim. Daarnaast zijn er nog zorgen omtrent zijn agressie. Hulpverlening gericht op het leren omgaan met zijn emoties en boosheid is nog niet gestart. Weliswaar zijn de conflicten thuis minder geworden, maar ze zijn er nog steeds. Middels de leerstraf TACt regulier kan hij handvatten krijgen hoe hij met zijn emoties en boosheid om kan gaan.
De Raad heeft ter zitting het advies in het raadsrapport gehandhaafd.
De jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. Er zijn geen grote zorgen over het delictgedrag van de verdachte, maar desondanks wordt betrokkenheid van jeugdreclassering nog wel passend geacht. Hoewel de coach van de verdachte heeft aangegeven dat de boosheid van de verdachte minder frequent en heftig is, is gebleken dat hier weinig tijd aan is besteed, omdat eerst veel praktische zaken geregeld moesten worden. De leerstraf TACt regulier zou daarom meerwaarde hebben, wat de verdachte zelf ook heeft aangegeven. De jeugdreclassering heeft verder opgemerkt dat geen sprake is van dusdanige agressieproblemen bij de verdachte dat dit problemen zou kunnen veroorzaken op school, werk of in zijn privéleven.
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat bij ernstige strafbare feiten als deze, te weten
een zware mishandeling, een bedreiging met een mes en diefstal met geweld, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is
.Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte vier dagen in verzekering gesteld is. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het voornoemde uitgangspunt af te wijken. Gezien de vrijspraak ten aanzien van parketnummer 15/051378-25 onder feit 1, primair ziet de rechtbank wel reden om van de eis van de officier van justitie af te wijken met betrekking tot de duur van de straf. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 90 dagen moet worden opgelegd, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een leerstraf voor de duur van 35 uur opleggen, te weten TACt regulier.

7.Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes (goednummer: [goednummer] ), dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het ten aanzien van parketnummer 15/051378-25 bewezenverklaarde met behulp van dat voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1] (parketnummer 15/051378-25)
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 15.656,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit materiële schade, te weten:
- € 76,- voor twee keer ziekenhuisdaggeld
- € 6.000,- voor drie maanden gederfde inkomsten
- € 1.080,- voor schade aan een Moncler jas, een Asics T-shirt en een broek.
en uit immateriële schade van € 8.500,-.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat de vordering met betrekking tot de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat het behandelen van dat deel van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is. Ook is de vordering op het punt van de gederfde inkomsten onvoldoende onderbouwd. Voor het overige refereert de verdediging zich. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat rekening gehouden moet worden met het feit dat de rol van de verdachte kleiner was dan die van de medeverdachte en zij verzoekt daarom om de schade in verhouding toe te rekenen en de betalingsverplichting niet hoofdelijk op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.156,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde. Deze schade is voldoende onderbouwd en niet betwist en bestaat uit € 76,- voor twee keer ziekenhuisdaggeld en € 1.080,- voor schade aan een Moncler jas, een Asics T-shirt en een broek. De rechtbank is van oordeel dat de schade wegens gederfde inkomsten, die wordt betwist, onvoldoende is onderbouwd en verklaart de vordering daarom op dit punt niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij is met een mes in zijn arm gestoken. Hij heeft hier een wond van 12 centimeter aan overgehouden die gehecht moest worden. Hierdoor heeft de benadeelde partij nu een groot litteken op zijn arm. Ook heeft hij nagenoeg geen gevoel meer in zijn onderarm en kan hij zijn pink niet goed gebruiken. Blijkens de toelichting op de vordering heeft de benadeelde partij ten gevolge van het handelen van de verdachte ook angstklachten en ondergaat hij EMDR-therapie. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6: 106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De rechtbank begroot deze immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 7.000,-
en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal bij gering armletsel met een herstel binnen ongeveer één tot twee jaar (5.7d, II) en minder ernstige littekenvorming (10c).
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering
aanbrengen bij de civiele rechter.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke
rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de
wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De betalingsverplichting wordt, zoals wettelijk bepaald, hoofdelijk opgelegd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8.2
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2] (parketnummer 15/164590-25)
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1545,33 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit materiële schade, te weten:
  • € 100,- voor een Nike vest;
  • € 199,99 voor een Nike jas;
  • € 159,99 voor Yeezy schoenen;
  • € 48,35 voor een namaak Gucci tas;
  • € 4,50 voor de vervanging van de bankpas;
  • € 15,- voor de vape;
  • € 17,50 voor Nike handschoenen.
en uit immateriële schade van € 1.000,-.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzen van de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.530,33, namelijk met uitzondering van de gevorderde materiële kosten voor de vape wegens onvoldoende onderbouwing, en vermeerderd met de wettelijke rente, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering voor de materiële schade toewijsbaar is, met uitzondering van de kosten voor de vape door een gebrek aan onderbouwing. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de verdediging zich op het standpunt dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat de benadeelde partij al eerder een overval heeft meegemaakt, waardoor niet vaststaat dat de gevolgen enkel voortvloeien uit het handelen van de verdachte. De verdediging verzoekt daarom om de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 500,- en de vordering voor het overige af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag een bedrag van € 530,33 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de vape onvoldoende zijn onderbouwd en verklaart de vordering daarom op dit punt niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft vastgesteld dat middels geweld goederen van de benadeelde partij zijn afgenomen door de verdachte en medeverdachten. Gebleken is dat de benadeelde partij als gevolg hiervan angstig is en behandeling nodig heeft voor zijn psychische klachten. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6: 106, aanhef en onder b, van liet Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De rechtbank begroot de immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 500,-
en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de benadeelde partij eerder een diefstal met geweld heeft meegemaakt waar hij nog klachten van ondervond. Hierdoor is niet gebleken dat zijn huidige klachten en de ernst daarvan geheel toe te rekenen zijn aan het handelen van de verdachte.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor vat betreft de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering
aanbrengen bij de civiele rechter.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke
rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de
wettelijke rente vanaf 9 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De betalingsverplichting wordt hoofdelijk opgelegd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat
indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36b, 36c, 36f, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 285, 302, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair (parketnummer 15/051378-25) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 subsidiair, feit 2 (parketnummer 15/051378-25) en onder parketnummer 15/164590-25 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder feit 1 subsidiair, feit 2 (parketnummer 15/051378-25) en onder parketnummer 15/164590-25 ten laste gelegde de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
negentig (90) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot zesentachtig (86) dagen
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van
vijfendertig (35) uren, in de vorm van een leerstraf, te weten TACt Regulier, aangeboden door of namens de Raad voor de Kinderbescherming, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
17 dagen jeugddetentie.
Onttrekt aan het verkeer: het mes (goednummer: [goednummer] ).
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 8.156,-, bestaande uit € 1.156,- voor de materiële en
€ 7.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van benadeelde partij
[de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.156,- , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagenjeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.030,33, bestaande uit € 530,33 voor de materiële en
€ 500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van benadeelde partij [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.030,33, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagenjeugddetentie.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.C.M. van Mierlo, voorzitter,
mr. G.D. de Jong en mr. A.K. Mireku, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Moes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2026.