Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7572

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
15/291279-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting maatregel plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders wegens hoog recidiverisico

De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot tussentijdse beoordeling van de voortzetting van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) opgelegd aan betrokkene op 4 december 2024 voor de duur van twee jaar.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoek van betrokkene, de rapportage van de inrichting van 21 mei 2026 en het trajectplan dat betrokkene heeft ondertekend. Tijdens de zitting zijn betrokkene, zijn raadsman, de officier van justitie en een deskundige gehoord.

Uit de rapportage blijkt dat betrokkene niet meewerkt aan diagnostisch onderzoek, wat plaatsing in begeleid wonen bemoeilijkt. Ook vertoont betrokkene negatief gedrag en heeft hij meerdere positieve cannabiscontroles gehad. De directeur van de inrichting en de deskundige adviseren de maatregel voort te zetten vanwege het hoge recidiverisico en het ontbreken van een stabiele leefomgeving.

De raadsman betoogde dat betrokkene voldoende meewerkt en dat de maatregel beëindigd moet worden, al dan niet binnen een maand. De rechtbank oordeelt echter dat de vertraging in het traject aan betrokkene zelf te wijten is en dat bij beëindiging onveiligheid en overlast te verwachten zijn.

De rechtbank concludeert dat de maatregel moet worden voortgezet en bepaalt dit bij beslissing van 9 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank besluit de ISD-maatregel voort te zetten vanwege het hoge recidiverisico en onvoldoende medewerking van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK noord-holland

Team Straf, locatie Alkmaar
Meervoudige kamer
Parketnummer: 15/291279-24
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
BESLISSING ex artikel 6.6.14 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)van de rechtbank naar aanleiding van het vonnis van deze rechtbank van 4 december 2024 waarin aan de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2],
thans gedetineerd in het Justitieel Complex (JC) Zaanstad en aldaar ingeschreven, op het adres: Smeet 1, 1551 NG te Westzaan,
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de maatregel)
is opgelegd.

1.De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken waaronder:
  • het verzoek van de betrokkene ex artikel 6:6:14 Sv Pro van 3 maart 2026 strekkende tot tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortduring van de tenuitvoerlegging van de maatregel;
  • het vonnis van deze rechtbank van 4 december 2024 waarin aan de betrokkene de maatregel is opgelegd voor de duur van twee jaren;
  • de ingevolge artikel 6:6:14 Sv Pro uitgebrachte rapportage van 21 mei 2026, opgesteld door [deskundige 1], senior casemanager ISD bij PI Rotterdam, onder verantwoordelijkheid van [deskundige 2], directeur van PI Rotterdam, locatie Hoogvliet, met daarbij als bijlage een door de betrokkene ondertekend ‘Trajectplan ISD’ van 6 augustus 2025.
Tijdens de behandeling ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026 zijn gehoord de betrokkene, zijn raadsman mr. V.S.J. Chorus, advocaat te Nuth, en de officier van justitie, mr. M. Kramer.
Daarnaast is [deskundige 1] voornoemd via een telefonische verbinding als deskundige ter zitting gehoord.

2.Het standpunt van de inrichting

Uit de voornoemde rapportage van de inrichting van 21 mei 2026 volgt dat de betrokkene bij meerdere instellingen voor begeleid wonen is aangemeld, omdat dit onderdeel vormt van zijn trajectplan. De betrokkene heeft echter niet mee willen meewerken aan diagnostisch onderzoek. Dit bemoeilijkt de plaatsing omdat instellingen voor begeleid wonen daardoor onvoldoende zicht op zijn problematiek hebben. Ook de wensen van de betrokkene om uitsluitend in de regio [geboorteplaats 2] te worden geplaatst, bemoeilijkt zijn plaatsing. De vertraging die de betrokkene binnen de maatregel ervaart, is om deze reden aan hemzelf te wijten. Door mee te werken aan diagnostisch onderzoek kan plaatsing in een instelling voor begeleid wonen worden vergemakkelijkt.
Uit de rapportage blijkt verder dat, indien de maatregel wordt opgeheven, de kans op recidive als hoog wordt ingeschat omdat de betrokkene nog niet is gestart met behandeling en resocialisatie. Hoewel de betrokkene positief is gestart binnen de maatregel door onder meer mee te werken aan gedragsinterventies, is hij na de tussentijdse beoordeling van 14 augustus 2025 steeds verder afgegleden in negatief gedrag en weerstand. Daarnaast heeft de betrokkene sindsdien meerdere positieve controles (op cannabis) gehad. Het positief stimuleren van de betrokkene tijdens de behandeling en begeleiding heeft niet bijgedragen aan het opbouwen van beschermende factoren en een stabiel leefklimaat. De directeur adviseert de maatregel te continueren, omdat bij beëindiging van de maatregel nog geen sprake is van een stabiele leefomgeving.
De deskundige, [deskundige 1], heeft dit advies ter terechtzitting gehandhaafd en nader toegelicht. Hoewel de betrokkene het trajectplan heeft ondertekend en daarin heeft aangegeven mee te werken, gebeurt dit in de praktijk niet.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel – ter voorkoming
van recidive en overlast – moet worden voortgezet.

4.Het standpunt van de betrokkene en zijn raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de maatregel moet worden beëindigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het buiten de invloedsfeer van de betrokkene ligt dat het traject tot op heden nauwelijks van de grond is gekomen, dat hij tot nu toe overal aan meegewerkt heeft en dat de resterende duur van de maatregel te beperkt is om vooruitgang te boeken. Daarnaast is geen sprake van een recidiverisico. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de maatregel over een maand moet worden beëindigd.

5.De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive en, indien de betrokkene verslaafd is, een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek. De rechtbank beëindigt de maatregel indien zij, naar aanleiding van de inlichtingen over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel, van oordeel is dat de verdere tenuitvoerlegging niet langer is vereist. Daarbij geldt het volgende beslissingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein. Daarna moet worden bezien of voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van de betrokkene ligt.
De rechtbank is op grond van het voortgangsverslag en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat bij beëindiging van de maatregel onveiligheid, ernstige overlast dan wel verloedering van het publieke domein te verwachten is. De rechtbank wijst in dit verband op het recidiverisico dat in het voortgangsverslag als hoog is ingeschat en op het feit dat de onderliggende risicofactoren, die in het verleden hebben geleid tot delictgedrag en mede aanleiding zijn geweest voor het opleggen van de maatregel, nog niet (voldoende) zijn aangepakt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de vertraging die de betrokkene in het traject heeft opgelopen, in belangrijke mate aan hemzelf te wijten is. De betrokkene heeft meermalen positieve urinecontroles gehad, wat op zichzelf een reden kan zijn om hem niet extramuraal te plaatsen, en heeft structureel geweigerd mee te werken aan diagnostisch onderzoek, hetgeen van belang is voor plaatsing in begeleid wonen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de rapportage met betrekking tot de inzet van de betrokkene en zijn bereidwilligheid tot het ondergaan van diagnostisch onderzoek, nu de beëdigde deskundige ook ter terechtzitting heeft bevestigd dat de betrokkene steevast zijn medewerking weigert.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat de tenuitvoerlegging van de maatregel moet worden voortgezet.

6.De beslissing

De rechtbank:
- bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders van
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2], wordt voortgezet.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. P. Hesselink, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.