3.3.2Bewijsmotivering
Bewijsminimum in zedenzaken
In zedenzaken zijn doorgaans maar twee personen betrokken: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het dan ook vaak om het woord van de aangeefster tegenover dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de beschuldiging van de aangeefster staat tegenover de ontkenning van de verdachte. Het is de rechtbank volgens de wet niet toegestaan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (in dit geval: de aangeefster). Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten.
Er moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van (vermeende) slachtoffers in zedenzaken, zeker als de verdachte het tenlastegelegde feit ontkent en er geen directe getuigen zijn. De rechtbank zal daarom eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster toetsen, door te beoordelen of deze consistent en voldoende gedetailleerd zijn en of sprake is van omstandigheden die een contra-indicatie opleveren voor de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate steun vinden in ander bewijs.
Feiten en omstandigheden
De verdachte en de aangeefster hebben allebei verklaard dat de aangeefster twee nachten bij de verdachte heeft geslapen, omdat zij ruzie had met de jongen die zij destijds leuk vond en daarom niet goed in haar vel zat. De verdachte en de aangeefster waren goed bevriend en de aangeefster zocht troost bij de verdachte, omdat haar ouders op vakantie waren. In de nacht van 1 op 2 juli 2024 zou de aangeefster boven in het bed van de verdachte slapen en de verdachte beneden op de bank. Op het moment dat de aangeefster wilde gaan slapen, zijn zij samen naar boven gegaan, waarna seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Vervolgens hebben zij buiten een sigaret gerookt, waarna de verdachte op de bank is gaan slapen en de aangeefster in het bed van de verdachte. De volgende dag heeft de verdachte de aangeefster naar huis gebracht. Na het incident hebben de verdachte en de aangeefster via Snapchat berichten naar elkaar verstuurd over wat er in de nacht van 1 op 2 juli 2024 is gebeurd. In zoverre komen de verklaringen van de verdachte en de aangeefster met elkaar overeen.
De betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
De aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 1 op 2 juli 2024 in slaap is gevallen in het bed van de verdachte. De verdachte is, zonder dat de aangeefster dit merkte, naast haar komen liggen. De aangeefster schrok op enig moment wakker en voelde dat de verdachte zijn hand op haar borst had. Zij heeft zijn hand weggelegd en is weer in slaap gevallen. Even later schrok zij opnieuw wakker en merkte dat de verdachte met twee vingers in haar vagina zat. Vervolgens heeft de verdachte haar borsten betast en zijn penis in haar vagina gebracht.
De aangeefster heeft verklaard dat zij in shock was, de arm van de verdachte heeft vastgepakt en eenmaal zijn naam heeft genoemd.
De verdachte heeft daar tegenovergesteld dat de aangeefster degene was die zijn hand naar haar vagina bracht en dat dit voor hem als dwang aanvoelde. Vanwege zijn PTSS raakte hij in paniek en kan hij zich echter vrijwel niets meer herinneren van de nacht.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. Zij heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht. Daarnaast komt haar verklaring op specifieke en relevante punten overeen met wat zij de dag na het incident aan een vriendin heeft verteld. Verder draagt het Snapchatgesprek tussen de verdachte en de aangeefster bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. De inhoud van die berichten passen namelijk bij haar verklaringen over wat er die nacht is gebeurd. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en zal deze daarom als uitgangspunt nemen voor het bewijs.
De rechtbank zal niet uitgaan van de lezing van de verdachte, nu de verdachte dit niet aannemelijk heeft gemaakt en zijn lezing van de gebeurtenissen in strijd is met de inhoud van de hierna te behandelen Snapchatberichten.
Aanwezigheid van steunbewijs
Op 3 juli 2024 heeft de aangeefster een informatief zedengesprek gevoerd met de politie over het voorval. Zij heeft ter ondersteuning van haar verhaal een groot aantal foto’s van een Snapchatconversatie tussen haar en de verdachte aan de politie overhandigd. De rechtbank leidt hieruit af dat dit chatgesprek moet hebben plaatsgevonden op 2 of 3 juli 2024, ofwel zeer kort na het incident.
Uit de aangeleverde afbeeldingen blijkt onder meer dat de aangeefster het volgende bericht aan de verdachte heeft gestuurd: ‘Hey ik zit toch wel met het fijt dat ik heb geneukt met je en dinge heb gedaan terwijl ik sliep ik was in shok en ja klopt ik zie geen nee maar ik wou het echt ni.’ De verdachte heeft daarop geantwoord: ‘Hmm oke dat snap ik het gaat niet meer gebeuren dat beloof ik je.’ De aangeefster heeft vervolgens aangegeven dat zij de verdachte niet meer vertrouwt, waarop de verdachte heeft gereageerd: ‘Dat snap ik. Sorry.’ Daarnaast blijkt uit de berichten dat de aangeefster tegen de verdachte heeft gezegd dat zij aangifte wilde doen, waarop de verdachte heeft gereageerd: ‘Denk er gewoon even over na want ja als het doet dan ga je wel mijn leven ruïneren en dat gaat me waarschijnlijk alles kosten me baan me woonplek alles. En ja ik kan het niet goedpraten dat weet ik ook.’ Tot slot heeft de aangeefster tegen de verdachte gezegd dat zij tegen [getuige], de moeder van een vriend van de verdachte, heeft verteld wat er tussen haar en de verdachte is gebeurd. De verdachte heeft daarop gereageerd dat hij het niet fijn vindt dat de aangeefster dit heeft verteld en heeft onder meer gezegd: ‘Misschien zie je het niet aan mij maar ja ik ben zwaar en zwaar depressief. En dat zie nu ook ik was zo fucking moe en dan ga ik verkeerde keuzes maken.’ De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van deze berichten blijkt dat de verdachte de verklaring van de aangeefster bevestigt en erkent dat wat er is voorgevallen niet had mogen gebeuren en niet meer zal gebeuren. De rechtbank ziet in deze en de vele overige berichten een uitvoerig gesprek, waarin de verdachte geen moment aangeeft dat het niet gebeurd is zoals de aangeefster aangeeft, maar haar juist bevestigt en meermalen verzoekt om geen aangifte te doen vanwege de ernstige gevolgen die een aangifte voor hem zouden hebben. Voor zover de verdachte heeft aangevoerd dat hij deze berichten heeft gestuurd uit angst dat de aangeefster zichzelf van het leven zou beroven, volgt de rechtbank hem daarin niet, nu dit niet uit de inhoud van de berichten blijkt en het in het gesprek juist de verdachte zelf is die daarmee dreigt.
De verdachte heeft verder aangevoerd dat het Snapchatgesprek dat kort na het incident tussen hem en de aangeefster is gevoerd, niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat dit gesprek door de aangeefster zou zijn gemanipuleerd. Dit verweer wordt door de rechtbank niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de inhoud van deze Snapchatberichten is gemanipuleerd. De verdachte heeft niet duidelijk gemaakt waar dit uit blijkt, wat er onjuist zou zijn aan de inhoud van het gesprek of welke berichten zouden zijn weggelaten. Ook heeft de verdachte niet duidelijk gemaakt wat dan wel de inhoud van het Snapchatgesprek zou zijn geweest. Het gesprek komt op de rechtbank over als een normaal doorlopend gesprek, waarbij er geen aanleiding is om te veronderstellen dat op sommige momenten berichten zouden zijn weggelaten, laat staan dat dat afbreuk zou doen aan de inhoud van het uitvoerige en voor de verdachte belastende gesprek. Dit betekent dat de rechtbank het gesprek als bewijsmiddel zal gebruiken.
Tussenconclusie
Het uitvoerige Snapchatgesprek vormt steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster dat zij en de verdachte seks hebben gehad (geneukt) terwijl zij dit niet wilde. De verdachte ontkent dit niet, maar bevestigt dit juist. Daarmee is er voldoende steunbewijs dat deze seksuele handelingen hebben plaatsgevonden op de manier zoals de aangeefster heeft gesteld. Meer specifiek – over de handelingen die hebben plaatsgevonden – acht de rechtbank bewezen dat de verdachte met zijn vingers en zijn penis de vagina van de aangeefster is binnengedrongen. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen hoe dit handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Daarbij is sprake van vol opzet als de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil daartoe bij de ander ontbreekt, maar kan ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake indien de verdachte zich bewust is van de mogelijkheid dat de wil van de ander ontbreekt en die mogelijkheid negeert of voor lief neemt.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de wil tot penetratie bij de aangeefster ontbrak. De verdachte heeft namelijk twee vingers in de vagina van de aangeefster gestoken op het moment dat zij lag te slapen. Door zo te handelen heeft de verdachte het onvermogen van de aangeefster om haar wil vrij te uiten genegeerd en daarmee dus opzettelijk gehandeld.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.