ECLI:NL:RBNHO:2026:7530

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/15/368227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtszaak over terugbetaling geldlening en winstdeling bij autohandel

Eiser en gedaagde zijn een samenwerking aangegaan waarbij eiser geld leende aan gedaagde voor de aankoop en doorverkoop van tweedehands auto’s, met een afspraak over winstdeling in plaats van rente. Na beëindiging van de samenwerking ontstond een geschil over het bedrag dat gedaagde nog aan eiser moest betalen.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde nog €104.212,25 verschuldigd is aan eiser, bestaande uit terugbetaling van de lening en een winstaandeel. De berekening van de winstafdracht werd gebaseerd op de verkoopfacturen en de contractuele afspraken over 75% winst bij verkoop binnen drie maanden en 25% van de beoogde winst bij latere verkoop.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten toegewezen aan eiser, met wettelijke rente vanaf respectievelijk de dag van dagvaarding of 1 mei 2025. De vordering tot vergoeding van alle proceskosten werd afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid in de overeenkomst. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €104.212,25 plus wettelijke rente en bijkomende kosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/368227 / HA ZA 25-451
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats], gemeente [gemeente],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R.P. van den Broek,
tegen
[gedaagde]h.o.d.n.
[bedrijf],
te [plaats], gemeente [gemeente],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] en/of [bedrijf],
advocaat: mr. M. de Boorder.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn een samenwerking aangegaan waarbij [eiser] geld heeft geleend aan [gedaagde], h.o.d.n. [bedrijf] voor de aankoop van auto’s, om die vervolgens weer door te verkopen. In plaats van betaling van rente, hebben partijen een afspraak over winstdeling gemaakt. Op enig moment heeft [eiser] aanspraak gemaakt op terugbetaling van de geldlening en afdracht van zijn aandeel in de winst. Partijen twisten over het bedrag dat [gedaagde] nog aan [eiser] moet betalen. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] nog een bedrag van € 104.212,25 aan [eiser] verschuldigd is.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juli 2025 met 26 producties
- de conclusie van antwoord van 15 oktober 2025 met 4 producties
- het tussenvonnis van 5 november 2025
- de akte tot het in geding brengen van stukken en toelichting punt 17 van de conclusie van antwoord van 12 maart 2026 met producties 5 tot en met 11 van de kant van [gedaagde]
- de akte tot het in geding brengen van stukken van 12 maart 2026 met productie 12 van de kant van [gedaagde]
- de akte tot het in geding brengen van stukken van 12 maart 2026 met productie 13 van de kant van [gedaagde]
- de akte houdende bezwaar tegen akte [bedrijf] van 15 januari 2026 van de kant van [eiser]
- de akte aanvullende producties tevens akte houdende vermindering van eis van 12 maart 2026 met producties 27 tot en met 36 van de kant van [eiser]
- de pleitnota van de kant van [eiser]
- de pleitnota van de kant van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de akte uitlaten tevens houdende eisvermeerdering van 15 april 2026 van de kant van [eiser]
- de akte uitlaten van 13 mei 2026 met productie 14 van de kant van [gedaagde]
- de akte uitlaten van 27 mei 2026 van de kant van [eiser]
- het bezwaar van [gedaagde] tegen punt 1 tot en met 8 van de laatste akte van [eiser].
2.2.
De rechtbank heeft het bezwaar van [gedaagde] tegen randnummer 1 tot en met 8 van de akte van [eiser] van 27 mei 2026 gegrond verklaard. [eiser] mocht bij akte nog (uitsluitend) reageren op de bij akte van 13 mei 2026 door [gedaagde] overgelegde productie 14.
De randnummers 1 tot en met 8 van de akte van [eiser] hebben hierop geen betrekking en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] heeft meerdere ondernemingen, waaronder een eenmanszaak ‘[bedrijf]’ (hierna: [bedrijf]). [bedrijf] is een BOVAG erkende autogarage en beschikt over een werkplaats.
3.2.
[eiser] was bevriend met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) met wie [gedaagde] op dat moment een relatie had. [betrokkene] verricht(te) werkzaamheden voor [bedrijf].
3.3.
[eiser] en [betrokkene] hebben gesproken over een samenwerking waarbij [eiser] geld zou uitlenen aan [bedrijf]. Daarmee zouden tweedehands auto’s worden ingekocht en na onderhoud en reparatie worden doorverkocht. De winst zou worden gedeeld met [eiser].
3.4.
Vervolgens heeft [eiser] met [gedaagde], handelend voor [bedrijf], leningsovereenkomsten gesloten. Volgens die overeenkomsten is geen rente verschuldigd maar 75% van de winst bij verkoop binnen drie maanden en 25% van de beoogde winst als de auto niet binnen die tijd zou worden verkocht. In plaats van uitbetaling van de (beoogde) winst, heeft [eiser] zijn aandeel in de winst telkens opnieuw aan [bedrijf] uitgeleend om daarmee weer andere auto’s te kopen. In totaal hebben partijen achttien leningsovereenkomsten gesloten.
3.5.
De bepalingen van de geldleningsovereenkomsten zijn - afgezien van de bedragen en specificaties van de auto’s - aan elkaar gelijk. Zo is bijvoorbeeld in de leningsovereenkomst (nr. 15) van 13 november 2024, waarbij [eiser] ‘Leninggever’ is en [bedrijf] ‘Leningnemer’, onder meer het volgende bepaald:
I.
HET GELEENDE
De Leninggever verstrekt op 12 november 2024 een geldlening ten bedrage van €32.700 (…) aan Leningnemer. Geld wordt verstrekt voor € 32.700,- uit de verkoop volkswagen Golf 8 2.0 TSI DSG 4Mo. -R chassisnummer [nummer 1] (welk eerder is aangekocht ‘middels leningsovereenkomst 6 september 2023) welk bedrag aan lening gever toe dient te komen Hierna de “Geldlening”.
Over de Geldlening is geen rente verschuldigd, maar een gedeelte van de winst te noemen 75% welke wordt gemaakt op de auto Volkswagen t-roc 1.5 tsi R-Line met chassisnummer [nummer 2] (ten naamstellingscode en document nummers worden nog aangeleverd) welke gekocht is voor € 29.900,- door Leningnemer is ingevoerd met bijkomende kosten € 2.800,- en door de Leningnemer verkocht gaat worden met het oogpunt hierop winst te genereren.
II.
DOEL
De Geldlening heeft het volgende specifieke doel:
-
Aankoop van de auto Volkswagen t-roc 1.5 tsi R-Line met chassisnummer [nummer 2] om deze met winst door te kunnen verkopen
(…)
III. LOOPTIJD EN AFLOSSING
De Geldlening zal afgelost worden volgens het volgende schema:
- Bij verkoop van de auto Volkswagen t-roc 1.5 tsi R-Line met chassisnummer [nummer 2] zal de lening worden afgelost van € 32.700,- met een vergoeding van 75% van de winst op de verkochte auto.
- Betalingen aan de Leninggever dienen te geschieden middels bankoverschrijving naar IBAN [rekeningnummer] .
IV. BOETE
Indien de Leningnemer zijn betalingsverplichtingen niet binnen 3 maanden kan voldoen doordat de auto niet verkocht is. Zal de leningnemer de lening zelf overnemen door betaling van de hoofdsom van € 32.700,- vermeerderd met 25% van de beoogde winst die op de verkoop van de auto gegenereerd zou worden te noemen €10.300,-
(…)
VI. VERZUIM EN OPEISBAARHEID
Verzuim ter zake van een verbintenis uit deze overeenkomst heeft tot gevolg dat de uitstaande Geldlening direct en volledig opeisbaar is.
Het verschuldigde bedrag zal zonder voorafgaande ingebrekestelling opeisbaar zijn, en de Leningnemer zal direct in verzuim zijn, in de volgende gevallen:

de Leningnemer verzuimt om een aflossing van de Geldlening te betalen wanneer dergelijke betalingen verschuldigd zijn (de data in deze overeenkomst hebben te gelden als fatale termijnen);

(…)
(…)
Ingeval de geldlening direct of volledig opeisbaar wordt ingevolge de genoemde gevallen, zal de Leningnemer alle verliezen en kosten vergoeden die de Leninggever heeft geleden als gevolg van het verzuim van de Leningnemer.
3.6.
Begin maart 2025 hebben [eiser] en [betrokkene] contact gehad over het beëindigen van de samenwerking en de financiële afwikkeling van de leningen. [eiser] heeft naast terugbetaling van de leningen aanspraak gemaakt op een vergoeding van 75% van de beoogde winst. [gedaagde] heeft niet betaald.
3.7.
Op 9 mei 2025 heeft [eiser] voor zijn vordering op [gedaagde] beslag laten leggen op de woning van [gedaagde].
3.8.
Op 24 juni 2025 heeft de deurwaarder die van [eiser] opdracht had gekregen om beslag te leggen op de zes laatst aangekochte auto’s, in een brief verklaard:
Op 9 mei 2025 heeft Van der Broek Advocaten ons de opdracht verstrekt tot het doen leggen van conservatoir beslag (…). Dit conservatoir beslag betrof onder andere roerende zaken, op de volgende auto’s:
Audi Q2 met chassisnummer [nummer 3] (…)
Volkswagen Taigo 1.0 met chassisnummer [nummer 4] (…)
Volkswagen T-Roc met chassisnummer [nummer 5] (…)
Volkswagen T-Roc met chassisnummer [nummer 6] (…)
Volkswagen Tiguan chassisnummer [nummer 7] (…)
Volkswagen Taigo chassisnummer [nummer 8] (…)
Hiervoor hebben wij op 9 mei 2025 in het RDW bekeken welke voertuigen op naam van [gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf] stonden op dat moment. Daaruit is geconstateerd dat geen van bovenstaande auto’s op dat moment op naam van [gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf] stonden.
3.9.
[eiser] en [gedaagde] zijn in verband met het conservatoir beslag op de woning van [gedaagde] op 6 februari 2026 een depotovereenkomst aangegaan. Op grond van die overeenkomst is een gedeelte van de verkoopopbrengst van de woning, te weten € 262.927,60, in depot bij de notaris gebleven. De notaris zal tot uitkering over gaan na een gelijkluidende schriftelijke opdracht van beide partijen of na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. De notaris heeft op 25 februari 2026 op gelijkluidende verzoek van partijen een bedrag van € 66.600,00 aan [eiser] over gemaakt.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - (na eisvermindering en -vermeerdering) om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [bedrijf], dan wel [gedaagde], primair te veroordelen tot betaling van € 166.601,59, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele voldoening;
II. [bedrijf], dan wel [gedaagde], subsidiair te veroordelen tot betaling van € 115.094,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele voldoening;
Ter zake de primaire en subsidiaire vordering:
III. [bedrijf], dan wel [gedaagde], te veroordelen tot betaling van € 27.437,11, welke bedrag als volgt is opgebouwd:
€ 632,33 (incl. BTW) kosten deurwaarder
€ 8.508,05 (incl. BTW+ € 331,00 griffiegeld) kosten advocaat t/m 31 mei 2025
€ 13.326,05 (incl. BTW) kosten advocaat 1/6 t/m 10/7 2025
€ 2.867,70 (incl. BTW) kosten advocaat t/m 31/08/2025
€ 159,72 (incl. BTW) september 2025
€ 723,58 (incl. BTW) oktober 2025
€ 222,64 (incl. BTW) november 2025
€ 329,12 (incl. BTW) december 2025
€ 667,92 (incl. BTW) januari 2026
€ 4.970,68 (incl. BTW)
€ 27.437,11 (incl. BTW) totaal
zijnde de door [eiser] geleden schade door het verzuim van [bedrijf]
, aangevuld met de nog te lijden schade, althans een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
de dag van verzuim, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen
datum, tot de dag der algehele voldoening;
IV. [bedrijf], dan wel [gedaagde], te veroordelen tot betaling van de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten conform Besluit BIK, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele voldoening; en
V. [bedrijf], dan wel [gedaagde], te veroordelen in de kosten van dit geding en de beslagkosten, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00, te verhogen met € 68,00 ingeval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
4.2.
[eiser] legt primair aan de vordering ten grondslag dat de tussen partijen tot stand gekomen geldleningen opeisbaar zijn en [gedaagde] deze inclusief de verschuldigde winstafdrachten moet terugbetalen. Daarnaast moet [gedaagde] de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de tekortkomingen vergoeden. Als de rechtbank meent dat partijen niet zijn overeengekomen dat [eiser] recht heeft op winstafdracht omdat zes auto’s niet binnen drie maanden zijn verkocht en de geldleningsovereenkomsten van die auto’s door [bedrijf] zouden zijn overgenomen, beroept [eiser] zich subsidiair op nakoming van de in de geldleningsovereenkomsten gemaakte afspraken. Hij wil in dat geval terugbetaling van de geldleningen en 25% van de beoogde winst conform de boetebepaling.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] voor zover deze boven € 62.646,62 uitkomt, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat hij in overwegende mate in het ongelijk moet worden gesteld en de bedrijfsvoering van [gedaagde] ernstig is beschadigd door beslag te handhaven voor een te hoog bedrag op geld dat is overgebleven na gedwongen verkoop van de woning van [gedaagde].
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij meerdere geldleningsovereenkomsten hebben gesloten en dat de geldleningen, althans de oorspronkelijk via bancaire overschrijving verstrekte bedragen, opeisbaar zijn en dat [gedaagde] deze, almede een gedeelte van de winst moet terugbetalen. Partijen verschillen echter van mening over het bedrag dat moet worden terugbetaald. Ook verschillen zij van mening over de berekening van de aan [eiser] af te dragen winst.
Bedrag van de oorspronkelijke geldlening
5.2.
[eiser] stelt dat hij in totaal € 89.850,00 op de bankrekening van [gedaagde] / [bedrijf] heeft overgemaakt en heeft dat onderbouwd met bankafschriften waaruit de overmakingen blijken. [gedaagde] betwist dit niet langer. Wel voert zij aan dat zij op 21 maart 2025 een bedrag van € 14.000 aan [eiser] heeft terugbetaald. Inclusief de betaling van € 66.600,00 uit het depot bij de notaris, resteert volgens haar nog een te betalen bedrag van € 9.250,00. [eiser] betwist dat de betaling van € 14.000,00 te maken heeft met de bedragen waarvan hij nu terugbetaling vordert. Dit bedrag is volgens hem een exponent van een lening van € 25.000,00 die hij op 1 maart 2023 aan [gedaagde] (en haar partner) heeft verstrekt zonder onderpand op auto’s. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] en omdat hij al in de dagvaarding heeft aangegeven dat de privélening van [eiser] aan de partner van [gedaagde] tijdig aan hem is overgemaakt, de enkele verwijzing naar deze overboeking, zonder nadere omschrijving, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat [gedaagde] met de betaling van € 14.000,00 een deel van het bedrag heeft afgelost waarvan [eiser] thans terugbetaling vordert. De rechtbank zal daarom aan dit verweer van [gedaagde] voorbij gaan.
5.3.
Van het door [eiser] door bancaire overschrijving aan [gedaagde] / [bedrijf] verstrekte bedrag van € 89.850,00 resteert na aftrek van € 66.600,00 dat al uit het beslagdepot is voldaan, derhalve nog een bedrag van € 23.250,00 dat moet worden terugbetaald. De vordering tot betaling van dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
5.4.
[eiser] heeft bij akte van 15 april 2026 zijn eis vermeerderd met een bedrag van € 3.250,00 aan ‘Onbetaalde opbrengst privé auto [eiser] (Productie 5 en 28)’ en € 1.750,00 aan ‘Onbetaalde rentevergoeding uit geldlening 1 februari 2023 (Productie 26)’. [gedaagde] heeft hier geen inhoudelijk verweer tegen gevoerd, zodat ook deze bedragen zullen worden toegewezen.
Berekening af te dragen winst
5.5.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de winst moet worden uitgegaan van de tekst van de overeenkomsten en de partijbedoeling blijkens het 75% en 25% systeem. Volgens [gedaagde] krijgt [eiser] 75% van de winst als er binnen drie maanden na aankoop is verkocht. Bij verkoop buiten die periode krijgt hij 25% van de overeengekomen boete gebaseerd op de in de overeenkomst genoemde beoogde winst, aldus [gedaagde]. Zij heeft een berekening van de winst overgelegd waaruit volgt dat [eiser] recht heeft op € 53.396,62. Een ander winstbedrag is volgens [gedaagde] in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat volgens deze berekening al sprake is van een winstvergoeding van bijna 60%. Volgens [gedaagde] blijft [eiser] op onjuiste wijze omgaan met de afrekening. Hij stelt dat alle auto’s buiten de drie maanden termijn zijn verkocht, wat volgens [gedaagde] evident onjuist is, en past hij bij verkoop buiten de drie maanden termijn 75% toe op de feitelijke winst in plaats van op de beoogde winst, aldus nog steeds [gedaagde].
De rechtbank overweegt als volgt.
5.6.
De rechtbank stelt vast dat in alle leningsovereenkomsten staat dat 75% van de winst is verschuldigd bij verkoop van de auto en als de auto niet binnen drie maanden is verkocht, de lening wordt overgenomen en een boete verschuldigd is van 25% van de beoogde winst zoals in de overeenkomst vermeld (zie 3.5). De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat hiermee tussen partijen is afgesproken dat alleen als de auto binnen drie maanden wordt doorverkocht [eiser] aanspraak heeft op 75% van de
feitelijkewinst en in alle andere gevallen 25% van de in de overeenkomst vastgelegde
beoogdewinst en daarom van belang is om aan de hand van de overeenkomsten en verkoopfacturen vast te stellen of de betreffende auto binnen drie maanden is verkocht. [eiser] heeft dit uitgangspunt tijdens de mondelinge behandeling ook niet weersproken. De rechtbank volgt [eiser] dan ook niet in zijn berekening waarbij hij, zonder nadere toelichting, in alle gevallen uitgaat van een percentage van 75% van de (feitelijke) winst.
Omdat alleen voor de overeenkomsten met nummer 1, 7, 15, 16, 17 en 18, gelet op de datum van de overeenkomsten en de verkoopfacturen, de betreffende auto’s binnen drie maanden zijn verkocht, komt [eiser] alleen voor die overeenkomsten 75% van de feitelijke winst toe. In de overige gevallen moet worden uitgegaan van 25% van de beoogde winst.
5.7.
De rechtbank merkt daarnaast op dat in overeenkomst 2, 3, 4 en 5 bij verkoop na drie maanden staat vermeld: ‘
vermeerderd met € 11.500’ respectievelijk ‘
€ 1.875’, ‘
€ 1.875’ en
€ 3.122,50 van de beoogde winst die op de verkoop van de auto gegenereerd zou worden te noemen €…’, terwijl in de overige overeenkomsten staat: ‘
vermeerderd met 25% van de beoogde winst die op de verkoop van de auto gegenereerd zou worden te noemen €…’,gevolgd door vermelding van het bedrag van de beoogde winst. [gedaagde] gaat er bij haar berekening vanuit dat voor de overeenkomsten 2, 3,4 en 5 [eiser] recht heeft op 25% van de hiervoor genoemde bedragen. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet nu in de betreffende overeenkomsten juist niet is bepaald dat 25% van de beoogde winst verschuldigd is, maar (in plaats daarvan) een expliciet bedrag wordt genoemd. De rechtbank zal daarom bij deze overeenkomsten uitgegaan van de verschuldigdheid van het in de overeenkomst genoemde bedrag.
5.8.
Bij de berekening van het winstaandeel van [eiser] bij overeenkomst 7, gaat de rechtbank uit van verkoop binnen drie maanden en dus 75% van de feitelijke winst. [gedaagde] gaat ook uit van verkoop binnen drie maanden, maar past in haar berekening abusievelijk 25% toe op een winst van € 9.220,00. De auto is echter voor € 25.000,00 verkocht en de leningsovereenkomst ziet op een bedrag van € 11.545,00. Het winstaandeel van [eiser] is daarom 75% x € 13.455,00 = € 10.091,25.
5.9.
Bij de berekening van het winstaandeel van [eiser] bij overeenkomst 12 erkent [gedaagde] een bedrag van € 650,00 verschuldigd te zijn. De rechtbank zal daarom uitgaan van het door [gedaagde] erkende bedrag.
5.10.
Bij de berekening van het winstaandeel van [eiser] bij overeenkomst 13 gaat [gedaagde] uit van een beoogde winst van € 6.500,00 waar zij in een eerdere berekening nog uitging van een winst van € 9.500. [1] In de betreffende overeenkomst is echter € 10.500,00 als beoogde winst genoemd, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Het winstaandeel van [eiser] is dan 25% x € 10.500,00 = € 2.625,00.
5.11.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de verkoopfacturen van de laatste vijf verkochte auto’s heeft aangepast om minder vergoeding te hoeven betalen. Hij meent dat de auto’s wel voor een hoger bedrag moeten zijn verkocht, omdat – zo begrijpt de rechtbank – de beoogde winst hoger was. [eiser] heeft deze stelling niet nader heeft onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg lag. De rechtbank gaat daar daarom verder aan voorbij en zal voor de berekening van de winstafdracht, bij verkoop binnen drie maanden, van de verkoopfacturen uitgaan en de winstdeling zoals [gedaagde] heeft berekend, te weten 75% van de op grond van de facturen gemaakte werkelijke winst, volgen. Voor overeenkomst 14 geldt dat die auto niet binnen drie maanden is verkocht, zodat daar 25% van de beoogde winst moet worden afgedragen.
5.12.
[gedaagde] moet daarom in totaal € 75.962,25 aan winst afdragen volgens de volgende berekening:
Overeenkomst 1: 75% x € 12.000,00 = € 9.000,00
Overeenkomst 2: € 11.500,00 = € 11.500
Overeenkomst 3: € 1.875,00 = € 1.875,00
Overeenkomst 4: € 1.875,00 = € 1.875,00
Overeenkomst 5: € 3.122,50 = € 3.122,50
Overeenkomst 6: 25% x € 11.500,00 = € 2.875,00
Overeenkomst 7: 75% x € 13.455,00 = € 10.091,25
Overeenkomst 8: 25% x € 12.000,00 = € 3.000,00
Overeenkomst 9: 25% x € 10.000,00 = € 2.500,00
Overeenkomst 10: 25% x € 13.000,00 = € 3.250,00
Overeenkomst 11: 25% x € 11.250,00 = € 2.812,50
Overeenkomst 12: erkend € 650,00
Overeenkomst 13: 25% x € 10.500,00 = € 2.625,00
Overeenkomst 14: 25% x € 6.500,00 = € 1.625,00
Overeenkomst 15: 75% x € 5.300,00 = € 3.975,00
Overeenkomst 16: 75% x € 11.748,00 = € 8.811,00
Overeenkomst 17: 75% x € 3.250,00 = € 2.437,50
Overeenkomst 18: 75% x € 5.250,00 =
€ 3.937,50
Totaal € 75.962,25
Tussenconclusie
5.13.
Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] in totaal nog € 104.212,25 (€ 28.250,00 + € 75.962,25) aan [eiser] moet terugbetalen.
Wettelijke rente
5.14.
De wettelijke rente zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 1 mei 2025. Uit de overgelegde whatsapp correspondentie tussen [eiser] en de partner van [gedaagde], volgt dat per 30 april 2025 een einde is gekomen aan de samenwerking en die dag tussen partijen zou worden afgerekend. [betrokkene] schrijft immers namens [bedrijf] in zijn e-mail van 14 maart 2025 onder meer:
Ik spreek nu het volgende met je af. (…)Ik betaal de lening en de rente donderdag 20 maart terug. Alle overige auto’s maken we een eindbalans en ik neem alle auto’s over met jou beoogde winst. Hiervoor spreken houden we woensdag 30 april aan, Op deze dag zijn alle auto’s waar jij inzit terugbetaald of ze nou zijn verkocht of niet. Op deze manier gaan we het doen.(…)
[eiser] heeft vervolgens de afspraak bevestigd door zowel per e-mail als per whatsapp een berekening van de afwikkeling te sturen en het voorstel om per 30 april 2-25 af te rekenen te accepteren. Hij schrijft onder meer:
Ten aanzien van het stoppen van de samenwerking is door jullie en voorstel gedaan 20 maart 2025 de lening terug te betalen samen met de rente en het voorstel gedaan om op 30 april 2025 alle auto’s over te nemen met de beoogde winst.(…) Het voorstel is door mij geaccepteerd en is overeengekomen waarvan hier de schriftelijke vastlegging. (…) In totaal hebben wij dan afgesproken datjullie 30 april 2025 in totaal (…) overmaken naar (..)
Omdat [gedaagde] geen betaling aan [eiser] heeft gedaan is zij, per 1 mei 2025 in verzuim geraakt.
5.15.
Het verweer van [gedaagde] dat geen wettelijke rente is verschuldigd, omdat [eiser] het bedrag dat (volgens haar) wel terugbetaald moet worden, blokkeert, slaagt niet. Partijen hebben een depotovereenkomst gesloten (zie 3.9). Daaruit volgt dat de notaris tot uitbetaling over mag gaan na óf een gelijkluidende opdracht van partijen óf na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Niet is gebleken dat [gedaagde] aan [eiser] heeft aangeboden uit het depot het verschuldigde bedrag uit te keren.
Vergoeding van schade
5.16.
[eiser] vordert vergoeding van daadwerkelijke proceskosten (kosten deurwaarder, griffiegeld en kosten advocaat), omdat partijen volgens hem zijn overeengekomen dat hij ‘alle verliezen en kosten’ kan vorderen die hij heeft geleden en lijdt door het verzuim van [gedaagde] / [bedrijf]. Hij verwijst daarbij naar een bepaling in de geldleningsovereenkomsten die luidt:
Ingeval de Geldlening direct en volledig opeisbaar wordt ingevolge de genoemde gevallen, zal de Leningnemer alle verliezen en kosten vergoeden die de Leninggever heeft geleden als gevolg van het verzuim van de Leningnemer.
5.17.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de kosten/ schade die [eiser] stelt niet onder de gesloten overeenkomst vallen en in redelijkheid niet gemaakt hadden hoeven worden en het voor [gedaagde] onmogelijk is gemaakt om daadwerkelijk te betalen.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde bepaling, gelet op de formulering, onvoldoende duidelijk is om op basis hiervan aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de daadwerkelijk proceskosten. Dat geldt te meer nu niet in geschil is dat [eiser] en de partner van [gedaagde] de contracten opstelden en [gedaagde] de contracten in goed vertrouwen tekende. Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen over de betreffende bepaling hebben onderhandeld, zal de vordering tot vergoeding van alle daadwerkelijke proceskosten daarom worden afgewezen. Daarbij komt dat [eiser] tevens betaling vordert van buitengerechtelijke kosten, beslag- en proceskosten en deze kosten maar één keer kunnen worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.19.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 2.483,12 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
Beslagkosten
5.20.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 144,47 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 2.051,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 2.051,00), totaal € 2.526,47.
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.22.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,69
- griffierecht
2.392,00
- salaris advocaat
5.127,50
(2,5 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.858,19
5.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 104.212,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.483,12 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.526,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.858,19, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op
8 juli 2026.
1621

Voetnoten

1.Productie 3 van de kant van [gedaagde].