ECLI:NL:RBNHO:2026:7381

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/11862707
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur voor verrichte werkzaamheden door financieel echtscheidingsadviseur

In deze civiele zaak vordert een financieel echtscheidingsadviseur betaling van een factuur voor werkzaamheden verricht in het kader van een echtscheidingsprocedure. De opdrachtgever betwist de factuur omdat hij meent dat de opdrachtnemer de opdracht niet is nagekomen, met name omdat er geen berekeningen zijn gemaakt en er voor niet verrichte werkzaamheden is gedeclareerd.

De kantonrechter stelt vast dat partijen een overeenkomst tot opdracht hebben gesloten waarbij eerst de proceskansen van de opdrachtgever zouden worden beoordeeld alvorens berekeningen te maken. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden en is besproken met de opdrachtgever, waarna deze de opdracht heeft beëindigd. De opdrachtnemer heeft de werkzaamheden die hij heeft verricht, waaronder het adviesgesprek en het opstellen van een verslag, correct gefactureerd.

Het verweer van de opdrachtgever dat er onterecht is gedeclareerd wordt verworpen omdat de werkzaamheden wel degelijk zijn verricht en de factuur niet is betwist qua uren en tarief. De opdrachtgever is in verzuim en wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De opdrachtgever wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11862707 \ CV EXPL 25-3111 (SJ)
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: N.A.A. Groot,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een opdrachtnemer betaling van een factuur voor verrichte werkzaamheden. De opdrachtgever stelt zich op het standpunt dat hij deze factuur niet hoeft te betalen omdat de opdrachtnemer de opdracht niet is nagekomen door geen berekeningen te maken. De kantonrechter onderschrijft het standpunt van de opdrachtgever niet. Ook is het standpunt van de opdrachtgever dat de opdrachtnemer werkzaamheden in rekening heeft gebracht die niet zijn verricht, feitelijk onjuist. De opdrachtgever wordt veroordeeld om de factuur te betalen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025;
- de e-mail van 12 maart 2026 van [eiser] met een aanvullende productie;
- de e-mail van 12 maart 2026 van [gedaagde] ;
- de brief van 16 maart 2026 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is als zelfstandig financieel echtscheidingsadviseur werkzaam voor de Scheidingsplanner in [plaats 3] . [gedaagde] , een consument, heeft op 11 februari 2025 contact opgenomen met de Scheidingsplanner met de vraag of deze hem zou kunnen helpen bij zijn echtscheiding omdat [gedaagde] niet tevreden was met zijn vorige advocaat.
2.2.
Partijen hebben vervolgens op 24 februari 2025 een kennismakingsgesprek gehad op het kantoor van [eiser] in het bijzijn van mr. M. Kemmers (hierna: Kemmers), advocaat.
2.3.
De opdrachtomschrijving, de opdrachtbevestiging en de door de Scheidingsplanner gehanteerde spelregels en algemene voorwaarden zijn op 6 maart 2025 per e-mail naar [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft de opdrachtbevestiging op 9 maart 2025 voor akkoord getekend.
2.4.
In een factuur van 1 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 368,45 bij [gedaagde] in rekening gebracht voor de uitvoerde werkzaamheden in februari en maart 2025. [gedaagde] heeft deze factuur betaald.
2.5.
Op 16 april 2025 heeft op het kantoor van [eiser] een adviesgesprek over de rechtspositie en de proceskansen van [gedaagde] plaatsgevonden tussen [eiser] , Kemmers en [gedaagde] .
2.6.
In een e-mail van 28 april 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een verslag gestuurd van het adviesgesprek van 16 april 2025.
2.7.
In een factuur van 30 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 1.143,45 bij [gedaagde] in rekening gebracht voor de uitgevoerde werkzaamheden in april 2025. [gedaagde] heeft nagelaten dit bedrag te betalen.
2.8.
In een e-mail van 2 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij nog niets heeft ontvangen van de werkzaamheden die tot op heden zijn uitgevoerd en dat hij dan ook niet kan weten waarvoor hij betaalt.
2.9.
In een e-mail van 5 mei 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven dat in het gesprek duidelijk is verteld wat de rechtspositie en de proceskansen van [gedaagde] zijn en dat [gedaagde] is geadviseerd om even niets te doen omdat dit in zijn belang is en [gedaagde] de tijd heeft om zijn financiële mogelijkheden te onderzoeken.
2.10.
In een e-mail van 5 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij geen berekeningen van [eiser] heeft gezien en dat het hem daarom gaat.
2.11.
In een e-mail van 8 mei 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] voorgesteld om even contact met elkaar op te nemen en geschreven dat hij geen berekeningen heeft gemaakt.
2.12.
In een e-mail van 11 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij niet meer van de diensten van [eiser] gebruik wil maken.
2.13.
In een e-mail van 13 mei 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat het zinloos is dat [eiser] hem belt en dat hij nog steeds zit te wachten op datgene wat is gedaan voor de gefactureerde uren.
2.14.
In een e-mail van 14 mei 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven dat hij heeft geprobeerd om uit te leggen welke werkzaamheden er zijn verricht en welk advies er is gegeven en waarom er aan het maken van berekeningen nog niet is toegekomen.
2.15.
In een aangetekende brief van 10 juni 2025 heeft [gedaagde] [eiser] in gebreke gesteld ‘van niet geleverde werkzaamheden die in rekening zijn gebracht’.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 1.335,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.143,45 vanaf 26 augustus 2025 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de proceskosten. [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.2.
[eiser] legt – kort weergegeven – aan zijn vordering ten grondslag dat hij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] advieswerkzaamheden heeft verricht, maar dat [gedaagde] nalaat de daarvoor in rekening gebrachte kosten te voldoen. Volgens [eiser] is hij nog niet toegekomen aan het maken van de door [gedaagde] gewenste berekeningen, omdat [gedaagde] eerst wilde weten wat zijn proceskansen waren. [eiser] heeft daarom eerst een en ander voor [gedaagde] uitgezocht en hem voorzien van een schriftelijk advies. Vervolgens wilde [gedaagde] geen gebruik meer maken van de diensten van [eiser] en heeft hij de overeenkomst van opdracht beëindigd. [eiser] kan [gedaagde] dan ook niet meer verstrekken dan een gespecificeerde factuur en het schriftelijk advies. Dat heeft [eiser] ook heeft gedaan. [eiser] stelt dat hij de werkzaamheden conform de overeenkomst heeft gefactureerd.
3.3.
[gedaagde] voert – kort weergegeven – als verweer aan dat hij door [eiser] is opgelicht omdat [eiser] heeft gedeclareerd voor niet geleverd werk. Volgens [gedaagde] klopt het niet dat er zeven uur werk is verricht, terwijl er niets op papier staat. Volgens [gedaagde] moet daar een verslag van worden gemaakt. Verder voert [gedaagde] aan dat hij door de weigering om de berekening toe te sturen iemand anders moest inschakelen voor een opmaakberekening die nodig was voor zijn echtscheidingszaak. [gedaagde] wil dat de factuur van € 368,45 wordt gecrediteerd en de gevorderde factuur komt te vervallen. Ook wil hij de kosten van de aangetekende brief vergoed hebben en een passende schadevergoeding van verloren tijd en het opnemen van een vrije dag.

4.De beoordeling

ambtshalve toetsing
4.1.
De kantonrechter moet allereerst beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
4.2.
Op grond van de toelichting van [eiser] in de stukken en op de zitting is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] aan de op hem rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan.
[gedaagde] moet de door [eiser] gevorderde factuur betalen
4.3.
Vast staat dat partijen een overeenkomst tot opdracht hebben gesloten. Partijen verschillen echter van mening over de inhoud van de opdracht. Volgens [gedaagde] heeft hij [eiser] opdracht gegeven om een financieel rapport op te maken en is [eiser] deze opdracht niet nagekomen. Volgens [eiser] is overeengekomen dat eerst zou worden beoordeeld of hij en Kemmers [gedaagde] kunnen en willen bijstaan door de proceskansen van [gedaagde] te beoordelen, en zo ja, dan zou op basis daarvan advies worden uitgebracht en pas daarna zouden berekeningen worden gemaakt. Aan het maken van berekeningen is hij niet toegekomen omdat [gedaagde] de opdracht heeft beëindigd, aldus [eiser] .
4.4.
De kantonrechter volgt de lezing van [eiser] en wijst in dit kader op de opdrachtomschrijving van 6 maart 2025. Hierin staat ‘
wij[ [eiser] en Kemmers, toevoeging kantonrechter]
gaan beoordelen of en zo ja hoe wij jou[ [gedaagde] , toevoeging kantonrechter]
het beste kunnen bijstaan.’ Deze bewoordingen ‘
of en zo ja hoe’ zijn duidelijk en niet voor een andere uitleg vatbaar. Weliswaar staat in de opdrachtomschrijving ook vermeld dat [eiser] op basis van de door [gedaagde] verstrekte informatie en de nog te verstrekken documenten berekeningen voor hem zou maken. Maar op grond van de bewoordingen in de opdrachtomschrijving staat voor de kantonrechter vast dat dit afhankelijk is van de uitkomst van de beoordeling van [eiser] en Kemmers of zij [gedaagde] zouden bijstaan. Bovendien staat als onweersproken vast dat [gedaagde] op 6 maart 2025 slechts een mondelinge toelichting op zijn zaak heeft gegeven, zodat er op dat moment nog geen beoordeling kon worden gemaakt van de proceskansen van [gedaagde] . Het maken van berekeningen was dan ook nog niet aan de orde.
4.5.
Vervolgens hebben [eiser] en Kemmers na bestudering van de stukken, die zij van [gedaagde] hebben ontvangen, de proceskansen van [gedaagde] beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is vervolgens op 16 april 2025 met [gedaagde] besproken en van dit gesprek is in een e-mail van 28 april 2025 verslag gedaan. In het verslag staat dat [gedaagde] is geadviseerd om op dit moment niets te ondernemen richting zijn ex-echtgenote, waarmee hij tijd ‘koopt’ om zijn mogelijkheden uit te zoeken om in de voormalige echtelijke woning te kunnen blijven wonen. Verder staat in het verslag dat partijen hebben afgesproken dat Kemmers het proces bewaakt, dat [eiser] vooralsnog geen taak heeft en dat op een later moment indien gewenst berekeningen kunnen worden gemaakt over de alimentatie en de verdeling. Door [gedaagde] is niet (gemotiveerd) weersproken dat partijen deze afspraken hebben gemaakt. Gelet op het voorgaande en op de opdrachtomschrijving kan niet staande worden gehouden dat [eiser] de opdracht niet is nagekomen door (nog) geen berekeningen te maken. Het verweer van [gedaagde] faalt om die reden.
4.6.
In de factuur van 30 april 2025 heeft [eiser] de in april 2025 verrichte werkzaamheden – het bestuderen van de stukken, de bespreking van 16 april 2025 en het opstellen van de e-mail van 28 april 2025 – in rekening gebracht. [gedaagde] wil deze factuur niet betalen omdat [eiser] geen berekeningen heeft gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen was [eiser] (nog) niet gehouden om berekeningen te maken. Bovendien heeft [eiser] ook geen berekeningen in rekening gebracht. Het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] heeft gedeclareerd voor niet verrichte werkzaamheden is dus feitelijk onjuist. Aangezien [gedaagde] de (juistheid van de) in de factuur gedeclareerde werkzaamheden, de gedeclareerde uren en het gehanteerde uurtarief (verder) niet heeft betwist, is er geen reden om de factuur onbetaald te laten. Daarbij miskent [gedaagde] dat hij de overeenkomst van opdracht op 13 mei 2025 heeft opgezegd. [eiser] was na
13 mei 2025 dan ook niet meer gehouden om berekeningen te maken. Verder gaat [gedaagde] eraan voorbij dat de factuur hoger zou zijn uitgevallen als [eiser] wel berekeningen zou hebben gemaakt.
4.7.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de factuur van 30 april 2025 moet betalen.
4.8.
Omdat [gedaagde] in verzuim is met de betaling daarvan, is hij de wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.
de factuur van € 368,45 hoeft niet te worden gecrediteerd
4.9.
[gedaagde] wil dat de factuur van € 368,45 wordt gecrediteerd. Het is dan aan [gedaagde] om de juridische grondslag te stellen op grond waarvan [eiser] is gehouden om de factuur te crediteren. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] de in die factuur gedeclareerde werkzaamheden, het aantal uren en het uurtarief niet heeft weersproken. Er is dan ook geen aanleiding om deze factuur te crediteren.
de conclusie
4.10.
Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] in het ongelijk zal worden gesteld. Dit betekent ook dat er geen reden is om de kosten voor de aangetekende brief te vergoeden en een schadevergoeding voor het opnemen van een vrije dag voor het bijwonen van de zitting toe te kennen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen en de proceskosten betalen
4.11.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 171,52 worden toegewezen.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
226,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
852,78

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.143,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag van algehele betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 171,52 aan buitengerechtelijke kosten;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 852,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.