3.3.2Bewijsmotivering parketnummer 15-238366-24
Betrouwbaarheid verklaringen aangever
Aangever heeft op 23 juli 2024 een verklaring afgelegd bij de politie en is op 7 april 2025 gehoord bij de rechter-commissaris. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangever gedetailleerd en op belangrijke punten consistent zijn. Zo heeft aangever beide keren verklaard dat hij door zowel de verdachte als zijn broertje werd aangevallen. Dat hij zich ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris niet meer alles kon herinneren, is begrijpelijk gelet op het tijdsverloop tussen beide verklaringen. Aangever heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris aangegeven wat hij zich, gelet op zijn medische toestand en het feit dat het bijna een jaar later was, nog kan herinneren. De rechtbank is daarom, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verklaringen van aangever betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs.
Feitenvaststelling
Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 22 juli 2024 rond 20:15 uur was aangever bij [eetgelegenheid] in Haarlem. Hij liep de deur uit en zag dat een auto zijn kant op kwam rijden, met daarin [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (hierna ook: de verdachten). [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn uit de auto gestapt en aangever heeft een kettingslot van zijn fiets gepakt. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij iets uit de kofferbak moest pakken om zichzelf te verdedigen, waarop [medeverdachte 2] een metalen buis uit de kofferbak heeft gepakt. Vervolgens is [medeverdachte 2] op aangever afgelopen. Aangever heeft met het kettingslot richting [medeverdachte 2] geslagen en hem geraakt, waarna aangever het kettingslot heeft laten vallen. Aangever is daarna weggerend. [medeverdachte 2] is vervolgens achter aangever aangerend met de metalen buis in zijn handen en heeft aangever meermalen met de metalen buis op zijn lichaam en hoofd geslagen. [medeverdachte 3] is op enige afstand gevolgd met een kettingslot in zijn handen. Vervolgens is [verdachte] met de auto achter aangever, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangereden waarbij hij meerdere keren gevaarlijk over het trottoir is gereden. [verdachte] heeft geprobeerd aangever aan te rijden, waarbij hij er bij de tweede poging in slaagde om aangever te raken en bij de derde poging - in plaats van aangever - [medeverdachte 2] aanreed. [medeverdachte 2] bleef vervolgens gewond op de grond liggen. [verdachte] pakte de metalen buis van [medeverdachte 2] af en sloeg hiermee meerdere keren tegen het hoofd en lichaam van aangever, onder andere toen aangever op de grond lag. [medeverdachte 3] heeft zich na de aanrijding van [medeverdachte 2] bij [verdachte] gevoegd en heeft aangever meerdere keren geslagen met een kettingslot.
Op grond van bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachten de volgende geweldshandelingen hebben gepleegd:
[verdachte]: inrijden met een auto op aangever en [medeverdachte 2], meermalen aangever slaan met een metalen buis onder andere op zijn hoofd en lichaam;
[medeverdachte 2]: meermalen aangever slaan met een metalen buis op zijn lichaam en zijn hoofd;
[medeverdachte 3]: meermalen aangever slaan met een kettingslot.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot het oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bij het uitoefenen van het zojuist beschreven geweld op aangever. Daarvoor vindt de rechtbank redengevend dat zij samen gewapend achter aangever zijn aangegaan: [verdachte] in zijn auto en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met een metalen buis en kettingslot. Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 2] achter aangever aanrent en dat [medeverdachte 3] hen op korte afstand volgt. Vervolgens wenkt [medeverdachte 3] naar [verdachte] en geeft hem aanwijzingen waar hij naartoe moet rijden, alvorens [verdachte] met de auto op aangever inrijdt. De geweldshandelingen van de verdachten vinden zeer kort op elkaar volgend en grotendeels gelijktijdig plaats. Doordat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met wapens aangever aanvielen, kon [verdachte] op aangever inrijden. De verdachten zien het door de anderen uitgeoefende geweld en distantiëren zich hier op geen enkel moment van. Het geweld stopt niet als aangever op de grond ligt, ook dan blijft [verdachte] op hem inslaan met een metalen buis, bij welk geweld [medeverdachte 3] zich aansluit door met een kettingslot aangever te slaan. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] op dat moment zelf was aangereden en op de grond lag, maakt niet dat hij op dat moment niet langer als medepleger kan worden aangemerkt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt namelijk dat de verdachten gezamenlijk zijn opgetrokken om letsel aan aangever toe te brengen, waarbij zij inwisselbare rollen hadden en alle drie geweld hebben toegepast. Toen [medeverdachte 2] op de grond lag, hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] de geweldshandelingen voortgezet waar [medeverdachte 2] eerder mee was begonnen. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat er sprake was van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking dat er sprake is van medeplegen.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte erop uit was om aangever dodelijk letsel toe te brengen, in die zin dat hij daar ‘vol’ opzet op had. De rechtbank komt daarom toe aan de vraag of de verdachte opzet op diens dood heeft gehad in voorwaardelijke zin.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer – aanwezig is als de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten meerdere keren met een kettingslot en een metalen buis op het hoofd van aangever hebben geslagen. Het met beide handen van boven het hoofd, met een lange en krachtige zwaai, met een metalen buis meerdere keren op het hoofd van aangever slaan, terwijl aangever op dat moment op de grond lag, kan naar algemene ervaringsregels leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat schedel- en hersenletsel een dodelijke afloop tot gevolg kunnen hebben. Door met dergelijke voorwerpen met kracht op het hoofd - zijnde een kwetsbaar deel van het lichaam - te slaan, bestond de aanmerkelijke kans dat aangever zodanig hersenletsel zou oplopen dat hij daaraan kon overlijden. De gedragingen van de verdachte en de medeverdachten kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat zij met hun handelen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat aangever dodelijk zou worden getroffen.
Het voorgaande, in samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft geprobeerd aangever van het leven te beroven.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat bij het inrijden met de auto op aangever een aanmerkelijke kans op de dood bestond.
De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Hoewel op de beelden te zien is dat de verdachte eerder met aanzienlijke snelheid over het trottoir rijdt, waardoor mensen aan de kant moeten springen, zijn er bijvoorbeeld geen objectieve meetgegevens beschikbaar om de snelheid van de auto vast te stellen op het moment van het inrijden op aangever. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte met een zodanige snelheid op de aangever is ingereden, dat de kans op de dood van de aangever aanmerkelijk was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.