Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7280

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
15-402810-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot ontploffing woning Alkmaar met aansturende rol verdachte

Op 3 februari 2024 heeft de verdachte samen met anderen geprobeerd een ontploffing te veroorzaken bij een woning in Alkmaar. Hij vervulde een aansturende rol door instructies te geven, vervoer te regelen en een aansteker te verstrekken. De ontploffing is niet voltooid dankzij politieoptreden.

De rechtbank acht het bewezen dat de verdachte medepleegde aan deze poging tot ontploffing met gemeen gevaar voor goederen. Het levensgevaar voor personen is niet bewezen verklaard. De verdachte is strafbaar en heeft een eerdere soortgelijke veroordeling.

Gezien de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn positieve proceshouding en het advies van de reclassering, legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaar, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur taakstraf wegens medeplegen poging tot ontploffing woning Alkmaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-402810-24 (P)
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A. van den Driest, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 3 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof en/of een aansteker ter hand heeft genomen/mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [adres A] is gelopen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiaireen of meer anderen op of omstreeks 3 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof en/of een aansteker ter hand heeft genomen/mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [adres A] is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- een of meer personen te zoeken/benaderen voor de uitvoering van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing en/of
- het verstrekken van een explosief, te weten een cobra 6, aan voornoemde personen en/of
- vervoer te regelen om voornoemde personen van en naar de plaats delict te vervoeren en/of
- het plan van aanpak en/of de wijze van communicatie (mede) te bepalen/af te stemmen/te coördineren en/of het doorgeven van informatie/instructies.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met uitzondering van het ten laste gelegde levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak gevraagd van het ten laste gelegde levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander zal de verdachte partieel worden vrijgesproken.
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.
  • De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 3 juni 2026 heeft afgelegd;
  • Een geschrift, zijnde een ongetekend proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2024 (pagina 18);
  • Een proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2024 (pagina 26 en 27);
  • Een schriftelijk bescheid, inhoudende een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 28 maart 2024 (pagina 220 tot en met 225);
  • Een proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige (pagina 213 en 214).
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 3 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres A] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen te duchten was met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en vervolgens
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof en een aansteker ter hand heeft genomen en vervolgens
- naar de woning aan de [adres A] is gelopen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd moeten de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden, te weten een meldplicht bij de reclassering, huisvesting, contactverbod met de medeverdachten en dagbesteding.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte het feit heeft gepleegd vanuit de noodzaak zijn familie financieel te ondersteunen, waarbij hij slechts een schakel (tussenpersoon) was binnen een groter geheel. De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een forse taakstraf en aanvullend een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft verzocht aan de voorwaardelijke gevangenisstraf geen bijzondere voorwaarden te verbinden, omdat de verdachte een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden opgelegd heeft gekregen waarbij de proeftijd loopt tot juli 2028.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met anderen, op 3 februari 2024, kort na middernacht, schuldig gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Alkmaar. De verdachte heeft, nadat hij van een derde de opdracht had ontvangen, een ander benaderd om deze opdracht uit te voeren, in ruil voor een deel van de opbrengst. Vervolgens heeft de verdachte een cobra 6 en een flesje benzine geregeld. De verdachte heeft daarna een aansturende rol vervuld door instructies te geven aan de medeverdachte om de ontploffing op 3 februari 2024 te laten plaatsvinden, door het vervoer van de medeverdachte naar de woning te regelen, en door de medeverdachte van een aansteker te voorzien. De medeverdachte is vervolgens uitgestapt in de buurt van de woning in Alkmaar en met de vuurwerk brandstof combinatie en aansteker richting het huis gelopen.
Het is aan waakzaam en alert optreden van de politie te danken dat het niet daadwerkelijk tot een explosie is gekomen. Het feit speelde zich af in een periode waarin bij meerdere panden in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden of pogingen daartoe werden ondernomen. Deze incidenten hebben veel impact gehad op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer algemeen op de (inwoners van de) stad Alkmaar. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten bleek dat de angst en ongerustheid onder de burgers groot was. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in Alkmaar aangewezen als veiligheidsrisicogebied. Ook is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. Eén van die woningen betrof de woning aan de [adres A]. Deze woning is als gevolg van de incidenten op last van de burgemeester gesloten. Dat moet impact hebben gehad op de bewoner(s) van die woning en de directe omwonenden daarvan.
De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin en zich niet bekommerd over de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte op 19 juli 2024 is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. In deze zaak is aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daarbij verbonden bijzondere voorwaarden. Door deze veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting openheid van zaken gegeven over zijn rol en aandeel. De rechtbank zal deze proceshouding in zijn voordeel meewegen.
Uit de rapporten van de reclassering (van 24 juli 2025 en 28 mei 2026) blijkt dat de verdachte sinds augustus 2024 onder toezicht staat en met het hulpverleningstraject aan de slag is gegaan. De reclassering ziet dat de verdachte zich houdt aan zijn bijzondere voorwaarden en zich meewerkend opstelt. Beide rapporten schetsen een positief beeld. De verdachte is begonnen met werken, heeft een eigen woonplek gerealiseerd en heeft zijn schulden afgelost. De verdachte is op dit moment nog steeds bezig met zijn resocialisatietraject. Daarnaast draagt hij de zorg voor zijn zieke moeder.
De toezichthouder van verdachte heeft ter zitting verklaard een positieve ontwikkeling te zien bij de verdachte en heeft de rechtbank meegegeven dat een gevangenisstraf van meer dan één maand grote gevolgen voor de verdachte zou hebben, onder meer doordat hij in dat geval zijn woonplek zal verliezen. Zij heeft het advies van de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen gehandhaafd, maar plaatst tegelijkertijd de kanttekening dat twee naast elkaar lopende proeftijden met soortgelijke voorwaarden op hetzelfde moment geen meerwaarde heeft.
De op te leggen straf
De rechtbank acht, gelet op de ernst van het feit en de opgelegde straffen in soortgelijke gevallen, in beginsel uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het advies van de reclassering, de toepassing van artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht, zijn jonge leeftijd ten tijde van het delict, zijn proceshouding en het tijdsverloop, redenen om hiervan af te wijken. De rechtbank acht het, gelet op het voorgaande, niet passend om de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op zijn plaats. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis. De rechtbank wil met deze strafmodaliteit en de hoogte ervan de ernst van de verweten gedraging benadrukken, maar de verdachte ook de mogelijkheid bieden de ingezette positieve ontwikkelingen op persoonlijk vlak niet te doorkruizen.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen reden om de bijzondere voorwaarden op te leggen, aangezien de geadviseerde voorwaarden nog verbonden zijn aan een proeftijd die loopt tot 21 juli 2028. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de algemene voorwaarde en een proeftijd verbinden van twee jaren met de bedoeling de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit.

7.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunten van de partijen
De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er onvoldoende informatie is om vast te stellen dat er een causaal verband is tussen de gevorderde schade en het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW Pro. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit (de poging tot ontploffing/brandstichting) voor hem heeft gehad. Van de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin nadelige geestelijke gevolgen voor het slachtoffer zonder nadere onderbouwing kunnen worden aangenomen, is in dit geval geen sprake. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de woning ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de burgemeester was gesloten en dat de benadeelde partij om die reden niet in zijn woning aanwezig was.
Het gelegenheid bieden om de vordering alsnog verder te onderbouwen, zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 22c, 22d, 45, 47, 63, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
tweehonderdveertig (240) urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door
honderdtwintig (120) dagenhechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
zes (6) maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.B. Genemans, voorzitter,
mr. M. Rigter en mr. D.J. Straathof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026.