Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7185

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
K/4102/12098390
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering van €7.000 wegens financiële afwikkeling na affectieve relatie

Partijen hadden van 2020 tot 2023 een affectieve relatie. Na beëindiging van deze relatie ontstond onenigheid over een geldbedrag dat eiser vorderde van gedaagde. Eiser stelde dat partijen op 31 december 2023 in Duitsland afspraken maakten over een terugbetaling van €8.000, waarvan €1.000 reeds was voldaan.

Gedaagde betwistte het bestaan van een geldlening en stelde dat het om een schenking ging. De kantonrechter oordeelde dat het enkele feit van betalingen tijdens een affectieve relatie niet automatisch leidt tot terugbetalingsverplichtingen, tenzij hierover afspraken zijn gemaakt. Uit de correspondentie en het door gedaagde zelf opgestelde betaalbewijs bleek echter dat partijen een terugbetalingsafspraak hadden gemaakt.

De kantonrechter verwierp het verweer van gedaagde dat sprake was van morele druk en concludeerde dat eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat gedaagde €7.000 verschuldigd was. De vordering werd toegewezen met wettelijke rente vanaf dagvaarding. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €7.000 met wettelijke rente, proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12098390 \ CV EXPL 26-929
Vonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S. Soltani,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D. Klein.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van [eiser] van 10 februari 2026 met 5 producties;
  • de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde] van 14 april 2026 zonder producties;
  • de nadere stukken van [eiser] van 11 mei 2026 met productie 6;
  • de nagekomen stukken van [gedaagde] van 22 mei 2026;
  • de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar door de gemachtigde van [eiser] een pleitnota is overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben van 2020 tot en met 2023 een affectieve relatie gehad.
2.2.
Op 31 december 2023 is tussen partijen een gesprek geweest in een hotel in Duitsland. Partijen hadden de affectieve relatie toen al ruim twee maanden beëindigd. Partijen verschillen van mening over de inhoud van dit gesprek.
2.3.
[gedaagde] heeft via whatsapp op 2 december 2024 aan [eiser] gestuurd [1] :
‘Een deel van het geld dat je mij geleend had, ligt al klaar. Plus een klein doosje met jouw persoonlijke spullen. Laat mij aub weten of ik het aan mevrouw [betrokkene 1] mag geven of wil je liever dat ik het aan iemand anders overhandig?’
2.4.
[eiser] heeft op 4 december 2024 aan [gedaagde] gestuurd:
‘Verstuur de doos met mijn spullen per post naar het thuisadres. En deponeer het geld in de brievenbus wanneer je het volledige bedrag hebt.’
2.5.
Op 5 augustus 2025 heeft [gedaagde], via een gezamenlijke kennis, € 1.000,00 betaald aan [eiser]. [gedaagde] heeft zelf met behulp van Chat GPT een betaalbewijs opgesteld en ondertekend, waarin staat:
‘Ik, ondergetekende, [gedaagde], bevestig hiermee dat ik, zoals overeengekomen, een bedrag van 1.000 euro aan mevrouw [betrokkene 1] als vertegenwoordiger van de heer [eiser] heb overhandigd. Deze betaling is een onderdeel van het financieel akkoord tussen de ondergetekende en de heer [eiser].’
2.6.
De heer [eiser] heeft op dit betaalbewijs tekst toegevoegd en daaronder ook zijn handtekening gezet:
‘De hele schulden van [gedaagde] aan de ondergetekende bedraagt achtduizend euro, waarvan duizend euro reeds ontvangen werd. Betaal het resterende bedrag zo snel mogelijk, en daar zijn er niet zoveel contracten voor nodig. Val mevrouw [betrokkene 1] ook niet lastig. Een berichtje sturen is voldoende. Voor de ontvangst van het geld moet ik een ontvangstbevestiging geven.’
2.7.
[gedaagde] heeft op 31 augustus 2025 aan [eiser] gestuurd:
‘Het enige wat nu nog tussen ons openstaat, is de financiële kwestie. Je kunt erop vertrouwen dat ik verantwoordelijk genoeg ben om dit zo snel mogelijk af te handelen. Vandaag is het 31 augustus 2025 en mijn verzoek is dat we dit proces rustig, zonder drama of conflicten voortzetten. Hoe dan ook, zodra ik er klaar voor ben laat ik het weten. Het is echt niet nodig om iemand anders hierbij te betrekken, en als je het aangeeft, kom ik het zelf brengen en overhandigen.’
2.8.
Op 7 september 2025 stuurde [eiser] aan [gedaagde]:
‘Ja, de enige zaak tussen ons is de financiën en het is beter dat het zo snel mogelijk wordt afgerekend. Er rest nog 7 duizend, en ik heb daar lang genoeg op gewacht. Het enige bericht dat ik vanaf nu van jou wil ontvangen, betreft de rest van het geld. Verder hebben we niets met elkaar te bespreken. Ga maar de rest van het geld bij iemand lenen of verkoop je spullen en betaal het af.’
2.9.
Op 1 oktober 2025 appte [gedaagde] aan [eiser]:
‘Ik heb je vorig jaar geschreven dat een deel van je geld klaarlag. Jij zei toen: geef het maar wanneer alles compleet is. Daarom heb ik een deel ervan gebruikt voor mijn rijbewijs. Op 5 augustus heb ik ook die 1000 aan mevrouw [betrokkene 1] gegeven en gevraagd om aan [betrokkene 2] door te geven dat ik tot het einde van het jaar niets kan doen. Mevrouw [betrokkene 1] zei dat [betrokkene 2] had gezegd dat het geen probleem is en dat ik het in termijnen kan terugbetalen. (…) Ik kan de resterende 7.000 niet tot het einde van het jaar betalen, omdat ik geen andere mogelijkheid heb dan het stap voor stap te verzamelen.’
2.10.
In de nacht van 1 op 2 oktober 2025 appte [eiser] [gedaagde] veertien berichten, waarin hij haar op dwingende toon gebiedt haar spullen te verkopen zodat zij hem kan betalen. Op 2 oktober 2025 appte [gedaagde] aan [eiser]:
‘Ik wou dat je je zou schamen voor je leeftijd[kantonrechter: eiser is aanzienlijk ouder dan gedaagde]
en zou begrijpen hoe je tegen mij praat. (…) Al die roddelpraat die jij nu zegt begrijp ik helemaal niet en het zijn volgens mij duizend procent leugens. (…) Jij bent werkelijk een huichelaar en leugenaar. Jij bent degene die liegt, omdat je in vier jaar relatie niet hebt verteld dat je in de gevangenis hebt gezeten. Elke keer als ik het vroeg, zei je dat je in Spanje was en vertelde je alleen over je luxeleven. Die wie speelt hier de prinsessenrol, ik of jij? Je hebt gelogen door elke keer wanneer ik bezorgd vroeg naar je gezondheid te zeggen dat het door stress van werk en het leven kwam, maar later ontdekte ik, dat je cocaïne gebruikt. (…) Je weet niet eens wat vriendschap betekent. (…) Tegen het einde van het jaar betaal ik nog 1000 en daarna geef ik je een plan’.
2.11.
Op 3 oktober 2025 stuurde de gemachtigde van [eiser] een brief aan [gedaagde], waarin staat, voor zover relevant:
‘Tot mij wendde zich de heer [eiser] in verband met een vordering van zeven duizend (€ 7.000,00) die hij op u heeft. (…) Conform de laatste afspraak dient u nogmaals één duizend (€ 1.000,00) vóór het einde van het jaar te betalen. (…) Wij verzoeken u daarom om binnen een redelijke termijn de exacte data van betaling van het openstaande bedrag (€ 6.000,00) schriftelijk aan ons door te geven. Indien u nalaat een betalingsregeling door te geven of uw verplichtingen niet nakomt, zal mijn client genoodzaakt zijn om de zaak via de bevoegde gerechtelijke instanties te laten verlopen. In dat geval komen de buitengerechtelijke incasso kosten en tevens alle kosten van rechtsgang, advocaat en executie geheel voor uw rekening.’
2.12.
Op 29 december 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] op de brief van 3 oktober 2025 gereageerd. Hierin staat, voor zover relevant:
‘Cliënte betwist uitdrukkelijk dat er een rechtsgrond bestaat waaruit volgt dat zij uw cliënt welk bedrag dan ook verschuldigd zou zijn.’

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - € 7.000,00 van [gedaagde] vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke - en proceskosten. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Aan het einde van de affectieve relatie hebben partijen op 31 december 2023 afspraken gemaakt over de financiële afwikkeling van de relatie. Zij hebben daar afgesproken dat € 8.000,00 zou worden (terug)betaald door [gedaagde] aan [eiser]. Zij heeft daarvan slechts € 1.000,00 voldaan.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert het volgende aan. Na het einde van de relatie wilde [eiser] opeens geld terug hebben dat hij tijdens de relatie aan haar had besteed. Er bestaat echter geen vordering en er ligt geen schriftelijke overeenkomst aan de vordering ten grondslag. Aan de juridische voorwaarden van een geldlening wordt niet voldaan. [gedaagde] had een auto van [eiser] gekregen en heeft de helft van de waarde ervan terugbetaald. Dat is het bedrag van € 1.000,00 waar het betalingsbewijs aan refereert. De later door [eiser] toegevoegde tekst, dat nog sprake is van een vordering van € 7.000,00, wordt door [gedaagde] betwist.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert, als [eiser] in conventie ontvankelijk is, de reeds betaalde € 1.000,00 terug van [eiser] als onverschuldigd betaald.
3.5.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Ter zitting heeft [eiser] verduidelijkt dat zijn vordering is gebaseerd op een afspraak tussen partijen die eind 2023 zou zijn gemaakt, in het bijzijn van twee getuigen. Partijen verschillen van mening over de inhoud van het gesprek in het hotel in Duitsland op 31 december 2023. [eiser] stelt dat partijen op die avond een financiële afwikkeling van de relatie zijn overeengekomen. Hij had tijdens de relatie diverse zaken voor [gedaagde] betaald. [gedaagde] zou hem op basis van de toen gemaakte afspraak een bedrag van in totaal € 8.000,00 terugbetalen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat sprake was van affectieve relatie waarin [eiser] haar geld en dingen heeft geschonken. Zij betwist dat die avond een afspraak is gemaakt.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat het gedurende een affectieve relatie niet ongebruikelijk is dat (over en weer) betalingen voor de ander worden gedaan. Na beëindiging van de relatie leidt dat, zoals terecht opgemerkt door [gedaagde], niet automatisch tot een financiële verplichting. Het enkele feit dat gedurende een relatie de ene partner iets voor of aan de ander heeft betaald, brengt dus niet met zich mee dat, na het verbreken van die relatie, een terugbetalingsverbintenis ontstaat. Dat is anders indien daarover afspraken zijn gemaakt. Nu de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dergelijke afspraak rusten op [eiser], omdat hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, is het aan hem om voldoende te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit blijkt dat hij nog recht heeft op € 7.000,00 van [gedaagde].
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde] de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] een bedrag aan [eiser] verschuldigd is in het kader van de financiële afwikkeling van de relatie. Hoewel geen sprake is van een schriftelijke (geldlenings)overeenkomst, blijkt uit de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden voldoende dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] € 8.000,00 zou betalen, dat zij dat niet in één keer kon betalen en dat zij in termijnen zou betalen.
4.4.
[eiser] onderbouwt zijn stelling met het door [gedaagde] zelf opgestelde betaalbewijs van 5 augustus 2025 en met whatsapp-correspondentie tussen hemzelf en [gedaagde]. Uit deze stukken blijkt dat terugbetaling van bedragen vanaf 2 december 2024 onderwerp van gesprek is geweest. Door [gedaagde] wordt nergens in de correspondentie betwist dat ze [eiser] enig bedrag verschuldigd is. [gedaagde] bevestigt juist op meerdere momenten dat ze [eiser] zal betalen. Ook het na de eerste betaling resterende bedrag van € 7.000,00 wordt door beide partijen genoemd, op 7 september 2025 door [eiser] en op 1 oktober 2025 door [gedaagde]. Het bedrag wordt in de berichten ook daarna niet door [gedaagde] weersproken. Er lijkt onenigheid te bestaan over of [gedaagde] het bedrag in één keer geheel moet terugbetalen. [gedaagde] reageert daar weer op dat een deel van het geld klaarlag, maar in de tussentijd weer is uitgegeven aan haar rijlessen. Voor [gedaagde] was naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk dat sprake was van een afspraak om geld terug te betalen. Daarbij weegt mee dat in de overgelegde correspondentie [gedaagde] niet één keer heeft ontkend dat sprake is van een betalingsverplichting.
4.5.
Dit beeld wordt bevestigd door het betalingsbewijs dat door [gedaagde] zelf is opgesteld. Zij heeft [eiser] € 1.000,00 betaald en zelf de tekst gekozen: ‘
Deze betaling is een onderdeel van het financieel akkoord tussen de ondergetekende en de heer [eiser].’Hieruit volgt geenszins dat [gedaagde] de financiële afspraak tussen partijen betwist: zij bevestigt juist dat het een aflossing is van een groter geheel. Ook het feit dat [gedaagde] een afbetaling heeft gedaan, weegt de kantonrechter mee. [gedaagde] heeft gesteld dat ze deze betaling heeft gedaan om even van [eiser] af te zijn, zodat hij haar met rust zou laten. Dat verweer valt echter helemaal niet te plaatsen in het licht van de inhoud van de whatsapp-gesprekken tussen partijen die daarop volgden.
4.6.
Tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser] heeft [gedaagde] onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van haar verweer dat geen sprake was van een geldlening dan wel een anders overeengekomen financiële afspraak, maar van een schenking. [gedaagde] voerde tijdens de mondelinge behandeling aan dat ze betaalde en de berichten stuurde, omdat ze een morele druk voelde, niet alleen vanuit [eiser], maar ook uit de Iraanse kennissenkring. [eiser] heeft dat betwist. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar verweer. Ernaar gevraagd heeft haar advocaat ter zitting verklaard dat verweer te laten vallen, omdat het niet onderbouwd kon worden. Gezien het tijdsverloop na de avond in Duitsland heeft [gedaagde] langdurig de kans gehad te kennen te geven dat zij het er niet mee eens was. Keer op keer heeft zij echter de afspraak bevestigd of ernaar gehandeld. Ook uit de tekst van haar bericht van 2 oktober 2025 blijkt totaal niet dat zij zich alles maar liet aanleunen en alleen betaalde om de lieve vrede te bewaren: zij liet zien goed van zich af te kunnen bijten ten opzichte van haar ex-partner.
4.7.
Gelet op al het bovenstaande heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een afspraak tot terugbetaling van € 7.000,00 door [gedaagde] aan [eiser]. Omdat [gedaagde] dit onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, is bewijslevering niet nodig. De vordering zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.8.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een natuurlijk persoon is die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.9.
[eiser] heeft enkel de brief van zijn gemachtigde aan [gedaagde] van 3 oktober 2025 overgelegd. De aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro is niet overgelegd. Bij de aanmaning dient het bedrag dat als vergoeding voor de incassokosten in rekening zal worden gebracht te worden vermeld. Dit bedrag moet in overeenstemming zijn met de maximale incassokosten volgens bovengenoemd besluit. Om deze reden is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan over te leggen. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen, omdat de kantonrechter niet kan controleren of een correcte aanmaning is verstuurd.
4.10.
[eiser] vordert ook nog wettelijke rente. Deze zal worden toegewezen van de dag van de dagvaarding, te weten 10 februari 2026.
Proceskosten
4.11.
Gelet op de gewezen relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.12.
De vordering in reconventie wordt, gezien hetgeen is geoordeeld in conventie, afgewezen.
4.13.
Gelet op de gewezen relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vordering van [gedaagde] af,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Alle teksten zijn in Farsi. Beide partijen hebben vertalingen in het geding gebracht, die nagenoeg overeenkomen.