ECLI:NL:RBNHO:2026:7134

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/15/357242 / FA RK 24-4913
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWVerordening (EG) nr. 2019/1111Artikel 7 Brussel II terArtikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling en schoolkeuze in het belang van minderjarige

De rechtbank Noord-Holland behandelde een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, schoolkeuze en paspoortbeheer van hun minderjarige kind. De ouders waren gescheiden en hadden een ouderschapsplan opgesteld, maar er ontstond onenigheid over de uitvoering, met name over de woonplaats en school van het kind.

De moeder verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving op een andere school en wijziging van de hoofdverblijfplaats naar haar woonplaats, terwijl de vader dit betwistte en zelf een zorgregeling voorstelde waarbij het kind voornamelijk bij hem verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming bracht meerdere rapporten uit en adviseerde een zorgregeling met gelijke verdeling, maar onthield zich van een advies over de hoofdverblijfplaats.

De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind voorop staat en dat het niet in haar belang is om de school te wisselen of de hoofdverblijfplaats te wijzigen, mede vanwege de stabiliteit en reistijd. De zorgregeling werd aangepast met een zo gelijk mogelijke verdeling, rekening houdend met praktische uitvoerbaarheid. Ook werd een regeling getroffen voor de vakanties en het beheer van de paspoorten. De behandeling van de kinderbijdrage werd aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de moeder af en stelt de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van de minderjarige bij de vader vast.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
vervangende toestemming school, hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderbijdrage
zaak-/rekestnr.: C/15/357242 / FA RK 24-4913
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 april 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W.A. van der Stroom-Willemsen en mr. E.T.W. Laureau, kantoorhoudende te Rotterdam,
tegen
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. H. Zobuoglu, kantoorhoudende te Amsterdam,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek, met producties 1 t/m 29, van de moeder, ingekomen op
26 september 2024;
- het aanvullend verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 16 april 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 april 2025;
- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de moeder van 8 mei 2025;
- de brief van de advocaat van de moeder van 23 mei 2025;
- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vader van 23 mei 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 11 september 2025;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 december 2025;
- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met producties 1 t/m 40, van de vader ingekomen op 3 maart 2026;
- het verweer op zelfstandig verzoek, met producties 30 t/m 43, van de moeder ingekomen op 23 maart 2026;
- het verweer op zelfstandig verzoek, met producties 41 en 42, van de vader in gekomen op 24 maar 2026.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 maart 2026 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. H. Zobuoglu en de moeder bijgestaan door mr. W.A. van der Stroom-Willemsen en een tolk in de Engelse taal. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich, wegens personeelstekort, voor de zitting afgemeld.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaats] , [land] met elkaar gehuwd. Dat huwelijk is geëindigd op [datum] door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam.
2.2.
Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , [land] . Het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] is na de echtscheiding in stand gebleven.
2.3.
Partijen hebben op 14 september 2023 een ouderschapsplan opgesteld waarin onder meer is afgesproken dat [de minderjarige] vanaf juni 2023 bij de moeder in [plaats] zal verblijven en vervolgens in maart 2024 naar [plaats] zou verhuizen en op het adres van de vader zou worden ingeschreven. Nadat de moeder in augustus 2024 ook naar Nederland zou zijn verhuisd, zou de zorg over [de minderjarige] gelijkelijk worden verdeeld tussen de ouders waarbij [de minderjarige] in [plaats] zou opgroeien. Verder hebben de ouders ten aanzien van de schoolkeuze van [de minderjarige] in artikel 4.1 van het ouderschapsplan de volgende scholen als optie opgenomen: [school] , [school] , [school] , [school] en [school] .
2.4.
Bij vonnis van 3 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter – voor zover hier relevant – een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgelegd waarbij [de minderjarige] bij de moeder verblijft:
- drie weekenden per maand van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag om 19.00 uur bij de moeder ophaalt;
- iedere woensdag uit school tot 18.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] om 18.00 uur bij de moeder ophaalt.
Daarnaast heeft de voorzieningenrechter in dit vonnis de Raad verzocht onderzoek te doen en de rechtbank te adviseren in deze bodemprocedure over de vraag welke hoofdverblijfplaats, welke school en welke zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is. De vorderingen van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [de minderjarige] in [plaats] en de inschrijving van [de minderjarige] op een basisschool zijn in dit vonnis afgewezen.
2.5.
De Raad heeft onderzoek verricht en in eerste instantie op 31 maart 2025 een rapport uitgebracht. De vader heeft hiertegen een klacht ingediend en deze is deels gegrond verklaard, op grond waarvan de Raad een aanvullend rapport op 24 april 2025 heeft uitgebracht. Vervolgens heeft de Raad de rapporten van 31 maart 2025 en 24 april 2025 ingetrokken en besloten dat nieuw onderzoek moest worden verricht. Naar aanleiding van het aanvullend onderzoek heeft de Raad op 9 december 2025 een rapport uitgebracht.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn, althans dat [de minderjarige] bij haar wordt ingeschreven. Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat de ouders er bewust voor hebben gekozen om de zorg voor [de minderjarige] samen in te vullen, waarbij het de afspraak was dat de moeder in Nederland zou komen wonen onder de voorwaarde dat [de minderjarige] zou opgroeien in [plaats] . [plaats] is de enige plek in Nederland die de moeder kent en zij is daar ook op aangewezen voor haar werk en netwerk. De moeder heeft een grote stap richting de vader gedaan door haar leven en familie in [land] achter te laten. De vader moet nu ook de gemaakte afspraken uit het ouderschapsplan nakomen. Verder is de moeder altijd een stabiele factor geweest in het leven van [de minderjarige] en is het bij [de minderjarige] merkbaar dat zij het moeilijk vindt om afscheid te nemen van haar moeder.
3.2.
De moeder verzoekt daarnaast om haar vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [de minderjarige] op [school] te [plaats] . Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat de ouders in het ouderschapsplan bewust hebben gekozen voor schoolgang van [de minderjarige] in [plaats] . Bovendien is de door de moeder voorgestelde school een tweetalige school die voor beide ouders goed bereisbaar is en de school informeert de ouders ook in het Engels. Nu blijkt dat partijen moeilijk samen kunnen werken en de vader de moeder beperkt begeleid in het Nederlandse schoolsysteem, vindt de moeder het van belang dat [de minderjarige] naar een school gaat waar zij ook naar behoren geïnformeerd wordt in een voor haar begrijpelijke taal. Verder betwist de moeder dat zij heeft ingestemd met een schoolkeuze in [plaats] . De moeder ging ervan uit dat [de minderjarige] tijdelijk in [plaats] naar school zou gaan, totdat de definitieve afspraken van het ouderschapsplan zouden gelden, te weten wonen en schoolgang in [plaats] .
3.3.
Verder verzoekt de moeder primair via een gewijzigd verzoek een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij de moeder is in de even weken en in de oneven weken bij de vader met maandag als wisseldag (uit school/BSO, of bij geen school om 8:30 uur). Subsidiair verzoekt de moeder een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij de vader is van maandag tot woensdag (naar school) en van woensdag (uit school en bij geen school 8:30 uur) tot en met vrijdag bij de moeder, en de weekenden om en om (tot maandag naar school) bij de vader of de moeder. De moeder legt aan dit verzoek ten grondslag dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat zij na augustus 2024 de zorg over [de minderjarige] gelijk zouden verdelen. De gemaakte afspraken over de 50/50-zorgregeling zijn echter niet nader gespecificeerd en onduidelijk is welke dagen welke ouder de zorg draagt voor [de minderjarige] . Volgens de moeder handelt de vader niet naar wat in het belang van [de minderjarige] is, omdat de moeder [de minderjarige] op zijn voorwaarden alleen in weekenden mag zien en dan ook nog in beperkte mate. De aanhoudende onduidelijkheid over de zorgregeling is niet in het belang van [de minderjarige] . Temeer omdat de periode dat [de minderjarige] haar moeder beperkt gezien heeft al grote impact heeft gehad op [de minderjarige] . Er moet volgens de moeder zo snel mogelijk verandering komen in deze situatie. Daarbij vindt de moeder het belangrijk dat zij blijft aansluiten bij de school van [de minderjarige] .
3.4.
Daarnaast verzoekt de moeder ten aanzien van de zomervakantie te bepalen dat [de minderjarige] in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder verblijft en de laatste drie weken bij de vader en in de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat partijen een vakantieregeling hebben afgesproken in het ouderschapsplan, waarbij de zomervakantie in onderling overleg dient te worden verdeeld. Volgens de moeder houdt de vader zich niet aan de vakantieregeling en het is afgelopen zomer gebleken dat het de ouders niet lukt om in onderling overleg de zomervakantie te verdelen.
3.5.
Tot slot verzoekt de moeder te bepalen dat de moeder het Amerikaanse paspoort van [de minderjarige] in beheer heeft en de vader het Nederlandse paspoort. De moeder stelt daartoe dat er tussen partijen geregeld discussies zijn over het in beheer hebben van de paspoorten. De door de moeder voorgestelde regeling lijkt een logische en redelijke beheer regeling.

4.4. Verweer en zelfstandig verzoek

4.1.
De vader heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel haar verzoeken af te wijzen.
4.2.
Hij verzoekt zelf middels een zelfstandig verzoek primair om de volgende zorgregeling vast te stellen:
Week 1 en week 3: [de minderjarige] verblijft van maandag tot vrijdag uit school bij de vader en vanaf vrijdag uit school tot en met zondagavond bij de moeder. De vader haalt haar om 18.00 uur bij de moeder op.
Week 2 en week 4. [de minderjarige] verblijft van maandag tot woensdag bij de vader. Woensdag gaat zij uit school naar de moeder en de vader haalt haar om 18.00 uur op bij de moeder. Vrijdag en de rest van het weekend verblijft [de minderjarige] bij de vader.
Subsidiar verzoekt de vader de volgende zorgregeling vast te leggen:
[de minderjarige] verblijft drie weekenden per maand van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de moeder en de vader haalt haar op;
[de minderjarige] wordt op woensdag om 12.00 uur door de vader gebracht naar de moeder, en
de moeder brengt haar om 18.00 uur weer naar de vader.
De vader legt aan dit verzoek ten grondslag dat de door de vader verzochte uitbreiding van de zorgregeling aansluit bij de huidige schoolvrije woensdag. Bovendien wordt deze zorgregeling op dit moment ook met enige regelmaat door de ouders uitgevoerd. Zolang de moeder haar hoofdverblijf buiten de directe leefomgeving van [de minderjarige] houdt, is een verdergaande uitbreiding van de zorgregeling praktisch niet uitvoerbaar zonder een onevenredige belasting van [de minderjarige] . Tegen die achtergrond bestaat geen aanleiding de zorgregeling verder open te breken dan deze beperkte uitbreiding, aldus de vader.
4.3.
Daarnaast is de vader van mening dat het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen moet worden afgewezen en de vader verzoekt de rechtbank te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn. De vader legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de moeder – toen bleek dat het moeilijk was voor de vader een geschikte woonruimte in [plaats] te vinden – heeft ingestemd met [plaats] als woon- en schoolplaats van [de minderjarige] . Deze toestemming heeft de moeder gegeven nadat partijen het ouderschapsplan hebben ondertekend. Daarnaast betwist de vader dat de keuze voor [plaats] als woonplaats en schoolkeuze tijdelijk van aard was. Het is volgens de vader ook niet logisch om [de minderjarige] tijdelijk op een school te plaatsen.
4.4.
Ook verzoekt de vader te bepalen dat de moeder moet bijdragen in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 880,-, met ingang van 1 maart 2024.
4.5.
Tot slot verzoekt de vader de rechtbank te bepalen dat de proceskosten geheel dan wel gedeeltelijk door de moeder worden gedragen.

5.Verweer op zelfstandig verzoek

De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader en verzoekt deze af te wijzen.

6.De visie van de Raad

6.1.
Uit het rapport van de Raad van 9 december 2025 blijkt – kort samengevat – het volgende.
6.1.1.
De Raad adviseert de rechtbank om een zorgregeling vast te leggen waarbij [de minderjarige] in de oneven weken bij de moeder en in de even weken bij de vader verblijft en waarbij de overdracht op woensdag plaatsvindt. Ten aanzien van de zomervakantie adviseert de Raad het verzoek van de moeder toe te wijzen. Verder onthoudt de Raad zich van een advies over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Het zou een Salomon’s oordeel zijn, aldus de Raad.
6.1.2.
Ten aanzien van de schoolkeuze van [de minderjarige] geeft de Raad enerzijds aan dat het in het belang van [de minderjarige] zou kunnen zijn om niet opnieuw een wisseling te hoeven meemaken. Nu zij haar plek en de rust heeft gevonden zou het goed zijn dat zij hier de komende jaren haar schoolcarrière kan voortzetten. [de minderjarige] doet het nu goed en heeft vertrouwen in beide ouders. Anderzijds betoogt de Raad dat het gezien de leeftijd en ontwikkelingsfase van [de minderjarige] nog wel mogelijk is om een schoolwissel aan te gaan. De Raad heeft daarbij geen zorgen over de draagkracht en capaciteiten van [de minderjarige] , om zich een nieuwe schoolomgeving eigen te maken. Daarbij benadrukt de Raad dat bij een plaatsing op een school in [plaats] er een scheefgroei kan ontstaan. [de minderjarige] zal een stevige basis bij de vader hebben, omdat ze daar naar school gaat en meer schoolse sociale contacten aangaat. Hoe ouder ze wordt hoe sterker haar wens kan worden om met vriendjes en vriendinnetjes hobby’s, clubjes en dergelijke te doen. Haar leven in [plaats] kan daardoor meer gevuld worden in tegenstelling tot haar leven in [plaats] , waardoor gelijkwaardigheid in het gedrang kan komen. Ditzelfde geldt ook wanneer [de minderjarige] in [plaats] naar school zal gaan.

7.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
7.1.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de moeder de Duitse nationaliteit bezit en de vader en [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit bezitten. Het verzoek betreft een geschil over de zorgregeling, beheer van de paspoorten, de hoofdverblijfplaats en de schoolkeuze van [de minderjarige] en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
7.2.
Omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk.
Overwegingen vooraf
7.3.
Net als de Raad, ziet de rechtbank een conflict tussen de ouders, waar [de minderjarige] de dupe van dreigt te worden. Toen de ouders uit elkaar gingen, hebben zij een ouderschapsplan opgesteld waarin duidelijk is verwoord waar en hoe de ouders het gezamenlijk ouderschap wilden vormgeven: co-ouderschap in [plaats] . Dit ouderschapsplan maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking van 8 november 2023 en had dan ook door beide ouders nagekomen moeten worden. De situatie is op een gegeven moment echter gewijzigd. Volgens de moeder heeft de vader eenzijdig besloten om [de minderjarige] definitief op een school in [plaats] in te schrijven en met haar definitief naar [plaats] te verhuizen. Volgens de vader is dat in overleg en overeenstemming met de moeder geweest. De rechtbank kan op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen wie het gelijk aan zijn of haar zijde heeft. Uit de over en weer overgelegde correspondentie tussen de ouders kan de rechtbank niet zonder meer afleiden of de verhuizing naar en schoolinschrijving in [plaats] een tijdelijke afspraak betrof of niet. De rechtbank kan wel vaststellen dat, hoe ouders ook in deze gewijzigde situatie zijn terechtgekomen, [de minderjarige] sinds maart 2024 met haar vader in [plaats] woont en het grootste gedeelte van de week bij hem is. Daarnaast gaat [de minderjarige] naar school in [plaats] , waardoor haar leven zich voornamelijk in [plaats] afspeelt. De moeder ziet [de minderjarige] drie weekenden in de maand en elke woensdagmiddag. Ook in [plaats] heeft [de minderjarige] vriendjes en activiteiten zoals zwemles.
7.4.
Met [de minderjarige] gaat het naar omstandigheden goed. Uit voornoemd rapport van de Raad blijkt dat ze zich inmiddels goed ontwikkelt, in beide ouders vertrouwen heeft en het bij beide ouders fijn heeft. Ten aanzien van de geschilpunten tussen de ouders, maakt de rechtbank uit voornoemd rapport van de Raad en de toelichting daarop ter zitting op dat de uiteindelijke beslissing volgens de Raad niet echt uitmaakt. De ouders wantrouwen en diskwalificeren elkaar over en weer, maken zich zorgen over de opvoedvaardigheden van de andere ouder en hebben ter onderbouwing van hun standpunt allebei veel producties ingebracht. Volgens de Raad zijn beide ouders echter liefdevolle en capabele opvoeders en hebben zij beiden het beste met [de minderjarige] voor. Of [de minderjarige] in [plaats] of in [plaats] woont en naar school gaat, maakt niet zozeer uit, als er maar duidelijkheid is voor [de minderjarige] én beide ouders hierachter staan.
7.5.
De moeder hecht veel waarde aan het ouderschapsplan en wil dat die wordt nagekomen: [de minderjarige] ’s hoofdverblijf wordt [plaats] en in [plaats] zal zij naar school gaan. De vader woont inmiddels in [plaats] en vindt dat de huidige situatie geborgd dient te worden: [de minderjarige] behoudt haar hoofdverblijf in [plaats] en gaat in [plaats] naar school. Duidelijk is dat voor beide ouders verhuizen naar de stad waar de andere ouder woont, geen optie is. De moeder houdt vast aan [plaats] en de vader aan [plaats] . De rechtbank overweegt dat het ouderschapsplan en de naderhand ontstane situatie in [plaats] weliswaar een rol spelen, maar dat in haar oordeel het belang van [de minderjarige] voorop staat.
Vervangende toestemming school
7.6.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . Dit betekent dat beide ouders toestemming moeten geven voor de inschrijving van [de minderjarige] op een basisschool. Geschillen hierover kunnen op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.
7.7.
[de minderjarige] is een meisje van zes jaar dat (bijna) sinds de start van haar basisschooltijd naar de [school] in [plaats] gaat. Inmiddels zit [de minderjarige] ruim twee jaar op deze school en uit het raadsrapport blijkt dat [de minderjarige] het daar nu goed doet. Ze lijkt het fijn te hebben op deze school en de buitenschoolse opvang. Blijkens wat op de zitting is besproken, zou een wisseling van school voor [de minderjarige] betekenen dat ze de kleuterklas op deze school zou afsluiten en vanaf groep drie naar een nieuwe school in [plaats] zou gaan. De Raad heeft in haar rapport geschreven zich geen zorgen te maken over de draagkracht en capaciteiten van [de minderjarige] om zich een nieuwe schoolomgeving eigen te maken, ook omdat ze de overstap naar groep drie nog moet maken, maar naar het oordeel van de rechtbank maakt dat nog niet dat de door de moeder verzochte schoolwisseling ook in haar belang is te achten. De basis van de leefomgeving van [de minderjarige] wordt gevormd door school en de omgeving waar zij naar school gaat. Met het verzoek van de moeder wordt de basis van de leefomgeving van [de minderjarige] opnieuw gewijzigd, wat de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] acht.
7.8.
De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [de minderjarige] in haar korte leven al grote veranderingen heeft meegemaakt. Zo heeft ze eerst een periode alleen met de moeder in de [land] gewoond waarbij ze de vader beperkt zag. Vervolgens is [de minderjarige] van de moeder in de [land] naar de vader in Nederland verhuisd en zag ze de moeder beperkt. [de minderjarige] woont nu in [plaats] , waar ze het goed doet en het ook fijn heeft. Vanaf de vader kan [de minderjarige] daarnaast naar school lopen, wat voor haar heel gunstig is. Als [de minderjarige] naar [school] in [plaats] zou gaan, betekent dat een reistijd van moeder – school van ongeveer 20 minuten met het openbaar vervoer en van vader – school, afhankelijk van de spits tussen [plaats] en [plaats] , ongeveer 25 minuten met de auto. Ten opzichte van de huidige situatie waarbij [de minderjarige] lopend naar school kan, acht de rechtbank dat een te grote belasting voor haar.
7.9.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om van school te wisselen en daarmee opnieuw de basis van haar leefomgeving te verplaatsen van [plaats] naar [plaats] . Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor [school] in [plaats] zal dan ook worden afgewezen.
7.10.
De rechtbank begrijpt dat het voor de moeder moeilijk te accepteren is dat de vader – in haar optiek – eenzijdig de tussen hen gemaakte afspraken heeft gewijzigd en daar ‘mee weg lijkt te komen’. Bovendien heeft de moeder al een grote stap richting de vader gezet door haar leven en familie in de [land] achter te laten en naar [plaats] te verhuizen. De rechtbank dient echter het belang van [de minderjarige] voor ogen te houden. In dat kader is het in dit geval niet aan [de minderjarige] om zich aan te passen aan de moeder en wat de moeder wil, maar is het aan de moeder om zich – hoe lastig ook – aan te passen aan de nieuwe situatie omtrent [de minderjarige] .
Hoofdverblijfplaats
7.11.
Het verzoek van de moeder is gebaseerd op artikel 1:253a, tweede lid, onder b, van het BW. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of, bij afweging van de belangen van alle betrokkenen waarbij het belang van [de minderjarige] het zwaarste dient te wegen, het belang van [de minderjarige] meebrengt dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben in plaats van bij de vader.
7.12.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] , bij afweging van alle betrokken belangen, meebrengt dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal blijven houden. Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor inschrijving op [school] in [plaats] zal worden afgewezen. Dat betekent dat [de minderjarige] naar school zal blijven gaan in [plaats] . Indien de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zou worden bepaald, zou dat betekenen dat [de minderjarige] zou wonen in [plaats] en naar school zou gaan in [plaats] . Mede gelet op de afstand en reistijd voor een meisje van zes jaar, acht de rechtbank dat te belastend voor [de minderjarige] . Bovendien acht de rechtbank, zoals reeds onder 7.8 is overwogen, het niet in het belang van [de minderjarige] dat haar leefomgeving opnieuw wijzigt. De moeder wil graag met [de minderjarige] in [plaats] blijven wonen, conform de afspraken in het ouderschapsplan en voor haar familie en netwerk. De rechtbank heeft daar begrip voor, maar die wens van de moeder weegt niet op tegen voornoemd belang van [de minderjarige] bij behoud van haar huidige leefomgeving. De rechtbank zal het verzoek van de moeder met betrekking tot de hoofdverblijfplaats dan ook afwijzen en het verzoek van de vader toewijzen.
7.13.
De rechtbank geeft de vader uitdrukkelijk mee om, in het belang van [de minderjarige] , de moeder goed te betrekken bij alle belangrijke levensonderdelen van [de minderjarige] zoals school, hobby’s, sociale contacten en belangrijke afspraken met artsen, zodat ook de moeder goed op de hoogte is en blijft van haar verdere ontwikkeling.
Zorgregeling
7.14.
Op grond van artikel 1:253a van het BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van een van de ouders de zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
7.15.
De rechtbank stelt vast dat de ouders al geruime tijd strijd hebben over de zorgregeling. Partijen zijn in voornoemd ouderschapsplan overeengekomen dat de zorg over [de minderjarige] gelijk tussen de ouders zal worden verdeeld. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter op
3 oktober 2024 – op basis van de toen bij de rechtbank bekende feiten en stukken – een tijdelijke zorgregeling vastgesteld. In afwijking van het advies van de Raad is de rechtbank van oordeel dat een 50/50- zorgregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat een dergelijke regeling gelet op de huidige situatie waarbij de vader in [plaats] woont, [de minderjarige] in [plaats] naar school gaat en de moeder in [plaats] woont – en zij geen auto heeft – praktisch ingewikkeld uitvoerbaar is. Bovendien zou [de minderjarige] met lange reistijden van en naar school worden belast. De rechtbank is wel van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de zorg van de ouders zoveel mogelijk gelijk wordt verdeeld, omdat uit het raadsrapport blijkt dat beide ouders in staat zijn een kindvriendelijke, veilige en voldoende stabiele verzorging aan [de minderjarige] te bieden. Ook blijkt uit het door de partijen overeengekomen ouderschapsplan dat dit de intentie is geweest van partijen. Gelet op het vorenstaande wijzigt de rechtbank de zorgregeling zoals partijen deze zijn overeengekomen in het ouderschapsplan van 14 september 2023 en legt de zorgregeling vast zoals hieronder onder punt 8.3. staat opgenomen.
7.16.
Tijdens de zitting zijn partijen het volgende over de vakantieregeling overeengekomen:
-
zomervakantie: [de minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader, en in de even jaren de eerste drie weken bij vader en de laatste drie weken bij moeder.
-
voorjaarsvakantie:het ene jaar verblijft [de minderjarige] bij de moeder en het andere jaar bij de vader;
-
herfstvakantie: het jaar dat [de minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijft, is zij in de herfstvakantie bij de vader en andersom;
- meivakantie:[de minderjarige] verblijft het ene jaar bij de moeder en het andere jaar bij vader.
De rechtbank zal dit vastleggen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
7.17.
Tussen partijen is nog de verdeling van de kerstvakantie in geschil. De vader wenst dat deze bij helfte wordt verdeeld, terwijl de moeder verzoekt om te bepalen dat [de minderjarige] het ene jaar de gehele kerstvakantie bij de moeder is en het jaar daarop de gehele kerstvakantie bij de vader is. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij het ene jaar de gehele kerstvakantie bij de moeder is en het andere jaar bij de vader, zodat zij de mogelijkheid krijgt om ook kerst te kunnen vieren met haar familie in de [land] . De rechtbank zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de kerstvakantie dan ook toewijzen.
Beheer Nederlands paspoort en Amerikaans paspoort van [de minderjarige] .
7.18.
Uit de overgelegde stukken en tijdens de zitting is gebleken dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het beheer van de paspoorten van [de minderjarige] . Partijen zijn overeengekomen dat het Nederlandse paspoort van [de minderjarige] in het beheer van de vader zal zijn en dat het Amerikaanse paspoort in het beheer van de moeder zal zijn. Tijdens de zitting heeft de vader toegezegd hij het Amerikaanse paspoort van [de minderjarige] per direct aan de moeder zal afgeven. De rechtbank zal beslissen op de wijze als door partijen aangegeven, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
Kinderbijdrage
7.19.
De vader heeft op 3 maart 2026 verzocht om te bepalen dat de moeder een kinderbijdrage aan de vader moet betalen. Met inachtneming van de wettelijke verweertermijn van vier weken zal de behandeling van dit verzoek worden aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

8.De beslissing

De rechtbank:
8.1.
wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de school van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , [land] af;
8.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , [land] bij de vader zal zijn;
8.3.
stelt, met wijziging in zoverre van het door partijen op 14 september 2023 overeengekomen ouderschapsplan, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:
De minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , [land] verblijft bij de moeder:
- drie van de vier weekenden van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- elke woensdag uit school tot donderdag naar school.
Daarnaast stelt de rechtbank de volgende feestdagen- en vakantieregeling vast:
-
zomervakantie: [de minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader, en in de even jaren de eerste drie weken bij vader en de laatste drie weken bij moeder.
-
voorjaarsvakantie:het ene jaar verblijft [de minderjarige] bij de moeder en het andere jaar bij de vader;
-
herfstvakantie: het jaar dat [de minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de moeder verblijft, is zij in de herfstvakantie bij de vader en andersom;
- meivakantie:[de minderjarige] verblijft het ene jaar bij de moeder en het andere jaar bij vader
- kerstvakantie:het jaar dat [de minderjarige] in de meivakantie bij de moeder verblijft, is zij in de kerstvakantie bij de vader en andersom;
8.4.
stelt vast dat partijen de volgende afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de paspoorten van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , [land] :
- het Nederlandse paspoort van [de minderjarige] is in het beheer van de vader;
- het Amerikaanse paspoort van [de minderjarige] is in het beheer van de moeder.
8.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.6.
houdt de beslissingen over de kinderbijdrage en de proceskosten aan tot
[datum] ;
8.7.
verzoekt de advocaten de relevante financiële gegevens van partijen aan de rechtbank te doen toekomen;
8.8.
bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk 10 juli 2026 door de rechtbank ontvangen dient te zijn;
8.9.
wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E. Vogel als griffier en in het openbaar uitgesproken op
23 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.