Eisers, exploitanten van metaalverwerkingsbedrijven, verzochten de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord om een juridisch oordeel over de toepassing van het overgangsrecht uit de Omgevingswet op hun bodembeschermende voorzieningen. De Omgevingsdienst gaf een negatief advies, waarna het college het bezwaar van eisers tegen dit bestuurlijk rechtsoordeel niet-ontvankelijk verklaarde.
De rechtbank oordeelt dat een bestuurlijk rechtsoordeel slechts in uitzonderlijke gevallen gelijkgesteld wordt aan een besluit, namelijk wanneer het onredelijk bezwarend is om een procedure over een daadwerkelijk besluit af te wachten. Eisers stelden dat het voor hen onevenredig bezwarend is om het besluit af te wachten vanwege investeringen, negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering, handhavingsrisico's en onduidelijkheid over bevoegd gezag.
De rechtbank vindt echter dat eisers onvoldoende concreet hebben onderbouwd waarom het afwachten van een besluit onredelijk bezwarend zou zijn. Ook is niet gebleken dat het advies van de Omgevingsdienst aan ILT reeds tot besluitvorming heeft geleid. De handhavingsmaatregel tegen eisers kan in een procedure worden aangevochten. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond.
De rechtbank wijst ook verzoeken om vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan door rechter Elzakkers op 3 juni 2026 en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.