Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7055

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
15/050021-26; 15/284695-24 (tul); 23/002812-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging met oplegging ISD-maatregel

Op 15 februari 2026 heeft de verdachte zijn moeder in haar woning wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd door de voordeur te barricaderen en haar te verhinderen de woning te verlaten. Tevens bedreigde hij meerdere politieagenten en een hulpofficier van justitie met brandstichting en geweld, waarbij een sterke gaslucht werd waargenomen en meerdere woningen werden ontruimd.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en stelde vast dat de verdachte opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn had op de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De bedreigingen werden eveneens bewezen verklaard. De verdachte heeft een belast verleden met een patroon van geweldsdelicten en ernstige psychosociale problematiek, waaronder een hardnekkige alcoholverslaving.

Gezien het recidiverisico en de complexiteit van de problematiek, en het falen van eerdere hulpverleningstrajecten, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op. Daarnaast werden aan de benadeelde politiefunctionarissen immateriële schadevergoedingen van €300 per persoon toegekend, vermeerderd met wettelijke rente, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen vanwege de oplegging van de ISD-maatregel. De rechtbank concludeerde dat de ISD-maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij en behandeling van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar en toekenning van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/050021-26; 15/284695-24 (tul); 23/002812-24 (tul)
Uitspraakdatum: 16 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
nu gedetineerd in [PI] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. K. Leyendeckers, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij, op of omstreeks 15 februari 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft de verdachte;
- een of meerdere malen bij het openen van de voordeur van de woning de voordeur af te sluiten en/of dicht te duwen en/of;
- de huissleutels [slachtoffer 1] afgepakt en/of;
- [slachtoffer 1] tegen gehouden om naar buiten te gaan en/of;
- de deur van de woning van die [slachtoffer 1] op slot gedaan waardoor zij niet weg kon en/of
- een of meerdere malen de voordeur en/of de woning met een tafel en/of kasten te barricaderen;
Feit 2
hij, op of omstreeks 15 februari 2026 te Zaandam, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening te weten als hulpofficier van justitie en/of brigadier en/of (hoofd)agent bij de Eenheid Noord-Holland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] dreigend de woorden toe te voegen
-"Ik steek alles in de fik en ik neem jullie allemaal mee” en/of;
-“Ik steek mezelf in de fik! En ik neem jullie allemaal met mij mee!,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn moeder. De verdachte wilde slechts de politie buiten de woning houden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering feit 1 (wederrechtelijke vrijheidsberoving)
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte is op 15 februari 2026 naar de woning van zijn moeder gegaan om haar te bezoeken. Naar aanleiding van een melding van een buurtbewoner dat er in die woning dingen vernield zouden worden, stond op enig moment de politie voor de woning. De politie heeft de moeder van de verdachte meermalen gevraagd om de voordeur van de woning te openen. Zij hoorden haar toen zeggen dat zij de voordeur niet open kon en mocht maken. Kort daarna heeft zij de voordeur van het slot gehaald. Op het moment dat zij de deur opende, werd deze door de verdachte met kracht terug het slot ingeduwd. Uit het dossier volgt dat hij daarbij ook de huissleutel van zijn moeder heeft afgepakt en vervolgens de voordeur heeft gebarricadeerd met een tafel uit de woonkamer.
De verdachte heeft verklaard dat hij met deze handelingen wilde voorkomen dat de politie de woning zou betreden om hem mee te nemen. Door zijn handelen kon de politie de woning niet betreden, met als noodzakelijke consequentie dat zijn moeder de woning niet kon verlaten. Dat maakt dat zij wederrechtelijk van haar vrijheid werd beroofd. Dat de verdachte dit moet hebben beseft, blijkt alleen al uit het feit dat hij de voordeur van de woning direct dichtduwde toen zijn moeder die had geopend. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat de verdachte met zijn handelen opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn moeder. De rechtbank acht feit 1 daarom wettig en overtuigend bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1
hij, op 15 februari 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft de verdachte;
- bij het openen van de voordeur van de woning de voordeur afgesloten en dichtgeduwd en;
- de huissleutels [slachtoffer 1] afgepakt en;
- [slachtoffer 1] tegengehouden om naar buiten te gaan en;
- de voordeur met een tafel gebarricadeerd.
Feit 2
hij, op 15 februari 2026 te Zaandam, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening te weten als hulpofficier van justitie en brigadier en (hoofd)agent bij de Eenheid Noord-Holland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] dreigend de woorden toe te voegen:
-"Ik steek alles in de fik en ik neem jullie allemaal mee” en;
-“Ik steek mezelf in de fik! En ik neem jullie allemaal met mij mee!”.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.
Feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar wordt opgelegd, zonder aftrek van het voorarrest.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel aan de verdachte op te leggen, maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die eerder ook aan de verdachte zijn opgelegd en voorwaarden die zien op het werken aan financiële stabiliteit en het inspannen voor en het behouden van dagbesteding. Subsidiair heeft hij verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen onder dezelfde voornoemde bijzondere voorwaarden.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zijn moeder in haar woning van haar vrijheid beroofd. Hij heeft hiermee inbreuk gemaakt op de bewegingsvrijheid van zijn moeder en haar angst aangejaagd, terwijl de eigen woning bij uitstek een plek is waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Hij heeft politieagenten en een hulpofficier van justitie bedreigd door te schreeuwen zichzelf en de woning in brand te zullen steken en daarbij iedereen mee te nemen, terwijl zij op dat moment in de nabijheid van de woning waren. Zij hebben verklaard dat zij vrijwel direct daarna ook een sterke gaslucht roken. Omdat zij op dat moment op de galerij van het wooncomplex stonden en zich daarom niet snel aan de situatie konden onttrekken, moet dit zeer bedreigend en beangstigend voor hen zijn geweest. Door de dreigende woorden van de verdachte zijn meerdere woningen in het appartementencomplex ontruimd. De impact hiervan is voor de slachtoffers groot. Bovendien heeft het geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de buurtbewoners. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden vaker onherroepelijk is veroordeeld voor bedreiging en andersoortige delicten en daarvoor taakstraffen en (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd kreeg. Er is sprake van een duidelijk delictpatroon aangaande geweldsfeiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 april 2026 van Reclassering Fivoor, opgesteld door [naam] . In dit advies staat dat de verdachte een patroon van geweldsdelicten vertoont, vaak in combinatie met middelengebruik. De verdachte heeft een belast verleden, ernstige psychosociale problematiek en een alcoholafhankelijkheid ontwikkeld als copingstrategie. Het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. Gezien de forse psychiatrische en middelenproblematiek en het feit dat eerdere voorwaardelijke trajecten niet haalbaar zijn gebleken, adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, zodat intensieve behandeling en nazorg kunnen worden gegarandeerd.
Ter terechtzitting heeft [naam] het reclasseringsadvies gehandhaafd en benadrukt dat de afgelopen jaren de verdachte niet heeft kunnen profiteren van de geboden hulp, het voorwaardelijke kader niet toereikend is gebleken en dat de reclassering geen alternatief meer ziet voor het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Ter zitting heeft de verdachte toegelicht dat hij vindt dat de ISD-maatregel geen geschikte oplossing voor hem is, omdat een eerdere ondertoezichtstelling en PIJ-maatregel niet het gewenste effect hebben gehad. Dit heeft te maken met de groepssetting van de behandelingen. Een individuele behandeling zou volgens de verdachte dan ook een betere oplossing zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden wordt voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat de verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het openbaar ministerie stelt. De verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Dat betekent dat er geen reëel alternatief voor oplegging van de ISD-maatregel is. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige dat er geen reële alternatieven
zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van de verdachte te
behandelen. De verdachte heeft in de afgelopen jaren meerdere (uitgebreide) hulpverleningstrajecten opgelegd gekregen, maar zonder het gewenste resultaat. Op 15 februari 2024 heeft de verdachte het meest recent voorwaarden opgelegd gekregen, bestaande uit een meldplicht, ambulante behandelverplichting, klinische opname en middelencontrole. Nog voordat dat vonnis onherroepelijk werd, is de verdachte op negatief advies van de kliniek vertrokken. De verdachte kreeg daarna opnieuw een kans om mee te werken aan een klinische behandeling en ging met goedkeuring van de reclassering werken in Frankrijk. Na enige tijd werd hij daar weggestuurd en kwam daarna in Nederland zijn afspraken met de reclassering niet meer na. De verdachte weigerde toen definitief mee te werken aan een klinische opname. Volgens de reclassering is sprake van onmacht bij de verdachte omdat het hem niet lukt om de juiste keuzes te maken als de spanning toeneemt. Er is sprake van forse problematiek op diverse leefgebieden en die problematiek mondt uit in alcoholgebruik. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er sprake is van een hardnekkige alcoholverslaving, dat het alcoholmisbruik leidt tot het delictgedrag en dat het hem zelf niet lukt om van de alcohol af te blijven.
De eerder opgelegde bijzondere voorwaarden zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen. Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten eist ook de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel. Gelet op het voorgaande moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Deze maatregel is bij uitstek geschikt voor de behandeling van de verslavingsproblematiek van de verdachte. Het is van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen om behandeling van zijn problematiek alle kansen te geven en om het risico op recidive in te perken ter bescherming van de maatschappij. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De problematiek van de verdachte is op dit moment te complex om te kunnen volstaan met de maatregel voor de duur van één jaar. De rechtbank ziet geen reden om te bepalen dat er een tussentijdse toetsing moet plaatsvinden.

7.Vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] vorderen allen een bedrag van € 300,- aan immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De benadeelde partijen hebben de vorderingen gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van alle vorderingen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen omdat de immateriële schade onvoldoende is komen vast te staan en de handelingen van de verdachte in ieder geval niet hebben geleid tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarnaast waren het geen persoonsgerichte bedreigingen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vorderingen te matigen tot een bedrag van € 100,-. Ook heeft de raadsman verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Een verzochte vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als een benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.
Gelet op de overeenkomstigheid van de vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank volstaan met een gezamenlijke behandeling van die vorderingen. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partijen ten tijde van de uitlatingen van de verdachte een gaslucht dachten te ruiken waardoor zij doodsangsten uitstonden dat de verdachte daadwerkelijk brand zou stichten in de woning en zo een explosie teweeg zou brengen. Ook hadden de benadeelden wegens de ruimte waarin zij zich toen bevonden, beperkt de mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken. De benadeelde partijen hebben concreet onderbouwd dat zij als gevolg van de bedreiging en de vrees die zij hebben gehad voor hun leven, kampten met slaapproblemen en langer durende gevoelens van angst en stress ervaren.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden, zij door het strafbare feit ‘op andere wijze’ in hun persoon zijn aangetast.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoedingen billijk zijn. De rechtbank wijst de vorderingen van de benadeelde partijen daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag dat de verdachte de schadevergoedingen volledig heeft betaald.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting] aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8.Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Vordering tot tenuitvoerlegging 15/284695-24
Bij vonnis van 6 september 2024 in de zaak met parketnummer 15/284695-24 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot onder meer een taakstraf voor de duur van 24 uren subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is op 12 september 2024 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 20 september 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Vordering tot tenuitvoerlegging 23/002812-24
Bij arrest van 8 december 2025 in de zaak met parketnummer 23/002812-24 heeft het gerechtshof te Amsterdam de verdachte ter zake van vernieling veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 24 december 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd arrest vastgestelde proeftijd is ingegaan op 23 december 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging in verband met de gevorderde oplegging van de ISD-maatregel.
8.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen indien wordt overgegaan tot het opleggen van de ISD-maatregel.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd over de vorderingen te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk.
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijden schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en heeft daarmee de algemene voorwaarden overtreden. Maar omdat in deze strafzaak aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, acht de rechtbank het niet opportuun om nu de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen te gelasten. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 38m, 38n, 57, 63, 282 en 285 Sr.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
twee jaren.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijgeleden schade tot een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 6]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 300,- (driehonderd euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 september 2024 van de politierechter te Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/284695-24 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van 8 december 2025 van het gerechtshof te Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/002812-24 opgelegde voorwaardelijke straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Talmricht, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.H.A. Sluiter en mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)