Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
die je mij via de app stuurde. De indeling van de architect gaan we waarschijnlijk loslaten en tijdens de bouw gaan we daar naar kijken.(…)
{afbeelding 1}
4.Het geschil
5.De beoordeling
(€ 729.759 + € 3.254,90).
€ 22.000 inclusief btw (€ 18.181,82 exclusief btw) wordt uitgekomen op een nog beduidend lager bedrag van € 339.426,78 exclusief btw (€ 354.918,60 + € 2.690 - € 18.181,82).
€ 22.000 inclusief btw bedragen. Hierboven is al toegelicht dat de rechtbank [eisers] hierin volgt. Dat betekent dat [eisers] uit hoofde van een verbintenis tot ongedaanmaking aanspraak kunnen maken op terugbetaling van dit bedrag. Voor het overige kunnen [eisers] uit hoofde van een ongedaanmakingsverbintenis geen aanspraak maken op terugbetaling van de door hen betaalde bedragen. De aannemingsovereenkomst is immers, voor zover deugdelijk uitgevoerd, niet ontbonden en dus in stand gebleven. Dat betekent dat [eisers] de daarvoor overeengekomen prijs verschuldigd zijn gebleven; een ongedaanmakingsverbintenis kan alleen zien op het ontbonden deel van de overeenkomst. [eisers] hebben niet gesteld dat zij al deels hadden betaald voor het nog niet uitgevoerde werk, en dit volgt ook niet uit de bevindingen van Top Expertise. Top Expertise heeft alleen berekend hoeveel het zou kosten om het niet uitgevoerde werk
door derdente laten uitvoeren en op grond daarvan conclusies getrokken over de waarde van het verrichte werk. De gevolgtrekking dat [eisers] in de situatie met ontbinding duurder uit zouden zijn dan in de situatie dat [bedrijf 1] het aangenomen werk zelf had afgerond, zou echter alleen een rol kunnen spelen in het kader van een vordering tot vergoeding van (ontbindings)schade op grond van artikel 6:277 BW Pro. Daaruit volgt nog niet dat [eisers] voor het wel verrichte werk meer aan [bedrijf 1] hebben betaald dan partijen daarvoor waren overeengekomen.
(rb: inmiddels verminderd tot € 428.060) had voldaan, zou nog een bedrag van € 294.499 (
rb: dat moet dan dus zijn: € 301.699) resteren. Het verschil tussen dit laatste bedrag en de offerte van de nieuwe aannemer bedraagt € 80.356,71, welk bedrag van [bedrijf 1] als aanvullende schade gevorderd wordt, aldus [eisers]
€ 301.699) toewijsbaar. [eisers] hebben met het rapport van Top Expertise en de offerte van de nieuwe aannemer voldoende onderbouwd dat de ontbinding onder meer tot gevolg had dat het werk door een andere aannemer tegen meerkosten moest worden afgemaakt. Die meerkosten zijn als schade als gevolg van de ontbinding aan [bedrijf 1] toe te rekenen. De hoogte van de schade dient te worden begroot op de wijze die het meest met de schade in overeenstemming is. De offerte van de nieuwe aannemer – die lager is dan de begroting van de meerkosten door Top Expertise – kan daarvoor als uitgangspunt dienen. Tijdens de zitting hebben Duijssens c.s. bevestigd dat deze aannemer het werk ook heeft uitgevoerd; [bedrijf 1] heeft dat niet bestreden. [bedrijf 1] voert aan dat Duijssens c.s. niet hebben gespecificeerd of onderbouwd wat [bedrijf 1] nog tot stand moest brengen, zodat de offerte niet kan worden gevolgd, maar dat betoog gaat niet op. In de offerte van de aannemer staat tot in detail weergegeven op welke werkzaamheden deze ziet. In dat licht mocht van [bedrijf 1], die de werkzaamheden aan [eisers] heeft geoffreerd en dus als geen ander weet op welke werkzaamheden de aannemingsovereenkomst betrekking had, worden verwacht dat hij bij zijn betwisting concreet zou aangeven welke geoffreerde werkzaamheden dan buiten de oorspronkelijke opdracht zouden vallen. Ook het bedrag van de offerte is door [bedrijf 1] onvoldoende weersproken.