Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6952

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
15/165277-25 en 15/360896-24 (vord tul)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis heropening onderzoek en schorsing in zaak poging afpersing met mes

Op 17 mei 2025 wordt verdachte beschuldigd van poging tot afpersing in Alkmaar door een mes te tonen en te eisen de inhoud van de kassa af te geven, subsidiair bedreiging. De officier van justitie vordert vijf maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging, terwijl de verdediging pleit voor tbs met voorwaarden of een zorgmachtiging.

Tijdens de zitting van 9 juni 2026 behandelt de rechtbank de zaak inhoudelijk, maar constateert dat het onderzoek niet volledig is. Er bestaat onduidelijkheid over de geschiktheid en beschikbaarheid van opnameplekken voor tbs met voorwaarden versus dwangverpleging.

De rechtbank besluit het onderzoek te heropenen en te schorsen tot uiterlijk 13 augustus 2026, met de opdracht aan de officier van justitie om de reclassering te laten informeren over de mogelijke opnameplekken, wachtlijsten en overbruggingsplekken in forensische klinieken.

De verdachte wordt opgeroepen voor de hervatting van het onderzoek, waarbij ook de benadeelde partij wordt geïnformeerd. De rechtbank benadrukt dat de reeds door verdachte doorgebrachte voorarrestperiode de gevorderde gevangenisstraf overstijgt.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst tot uiterlijk 13 augustus 2026 voor aanvullende informatie over opnameplekken voor tbs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/165277-25 en 15/360896-24 (vord tul)
Uitspraakdatum: 11 juni 2026 (bij vervroeging)
Tegenspraak
Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
nu gedetineerd in P.I. Haaglanden (PPC).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
(mr. R. Funke Küpper) en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard) naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij op 17 mei 2025 in Alkmaar heeft geprobeerd [het slachtoffer] af te persen door een mes aan hem te tonen en/of daarbij te zeggen “geef mij de inhoud van je kassa maar. Hoeveel zit er eigenlijk in?”. Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als een bedreiging.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit tussenvonnis gehecht.

2.Standpunten

2.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De officier van justitie onderschrijft het advies van de reclassering van 27 maart 2026 en heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden op te leggen, evenals oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging.
2.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de strafoplegging heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat een zorgmachtiging, of anders tbs met voorwaarden de aangewezen maatregel is. Tbs met dwangverpleging is een te zware maatregel, gelet op de rapportages van de psycholoog (van 19 december 2025) en de psychiater (van 30 januari 2026), waarin wordt geadviseerd tot oplegging van tbs met voorwaarden. De psychiater heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de ernst van het delict, de wachttijden voordat een behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan aanvangen en de omstandigheid dat het hoge beveiligingsniveau van een tbs-kliniek voor de verdachte niet noodzakelijk zou zijn. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte een kans te geven om te laten zien dat hij zich kan en wil conformeren aan de voorwaarden.

3.Beraadslaging

De rechtbank heeft op de zitting van 9 juni 2026 de zaak inhoudelijk behandeld en op dezelfde dag het onderzoek gesloten. Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en gelet hierop zal het onderzoek worden heropend. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Blijkens de ter zitting ingenomen standpunten van partijen bestaat onder meer verschil van mening over de vraag of, bij een veroordeling, oplegging van tbs met dwangverpleging is aangewezen of dat tbs met voorwaarden volstaat. In het maatregelenrapport van de reclassering van 27 maart 2026 heeft de reclassering negatief geadviseerd over een tbs met voorwaarden en heeft zij geadviseerd de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen. Als de rechtbank toch tbs met voorwaarden zou opleggen, heeft de reclassering bijzondere voorwaarden geformuleerd waaraan de verdachte zich zou moeten houden. Een van die voorwaarden betreft opname in een zorginstelling (een FPK of een soortgelijke instelling) aansluitend aan detentie. De reclassering heeft echter niet vermeld in welke kliniek en per wanneer de verdachte zou kunnen worden geplaatst in het geval dat de rechtbank zou beslissen tot oplegging van tbs met voorwaarden. Evenmin blijkt uit het reclasseringsrapport, voor het geval niet op korte termijn een plaatsing in een kliniek mogelijk is, voor welke kliniek de verdachte op een wachtlijst zal worden geplaatst en op welke locatie en per welke datum een overbruggingsplek voor de verdachte beschikbaar is.
De rechtbank acht deze informatie noodzakelijk om, bij een veroordeling, een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over de voorliggende alternatieven.
De rechtbank zal daarom het onderzoek ter terechtzitting heropenen en de officier van justitie de opdracht geven de reclassering de rechtbank te laten informeren over de hiervoor vermelde en in het dictum nader omschreven punten.
De rechtbank zal de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen datum gelasten. Daarbij dient de reclassering voldoende tijd te worden gegund om een opnameplek te kunnen realiseren. De rechtbank merkt daarbij wel nadrukkelijk op dat het onderzoek zo snel mogelijk dient te worden hervat, mede gelet op de omstandigheid dat de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht (circa dertien maanden) de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf (voor de duur van vijf maanden) ruimschoots overstijgt. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat het onderzoek ter terechtzitting zo snel mogelijk, maar toch uiterlijk op 13 augustus 2026 dient te worden hervat.

4.Beslissing

De rechtbank:
heropent het onderzoek ter terechtzitting;
schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, maar niet later dan tot 13 augustus 2026;
deze termijn is langer dan een maand om de klemmende reden dat moet worden aangenomen dat een kortere termijn te kort zal zijn voor het vinden van een (overbruggings)plek voor de verdachte door de reclassering;
geeft de officier van justitie de opdracht om de reclassering de rechtbank zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 13 augustus 2026, te informeren over onderstaande punten:
  • in welke forensische kliniek of een soortgelijke zorginstelling en per welke datum, uiterlijk gelegen op 27 augustus 2026, de verdachte zal kunnen worden geplaatst;
  • als niet binnen die termijn een concrete opnameplaats en -datum bekend is: voor welke forensische kliniek of een soortgelijke zorginstelling de verdachte op een wachtlijst zal worden geplaatst, en per welke datum, uiterlijk gelegen op 27 augustus 2026, en in welke instelling een overbruggingsplek voor de verdachte beschikbaar is;
beveelt de oproeping van de verdachte, en de onmiddellijke kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw, tegen de datum en het tijdstip waarop het onderzoek op de zitting wordt hervat;
beveelt de officier van justitie om de benadeelde partij op de hoogte te stellen van de datum en het tijdstip van de volgende zitting.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit tussenvonnis is gewezen door:
mr. I.A.M. Tel, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. F.H.B. Budde, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.
Bijlage I – de tenlastelegging
hij, op of omstreeks 17 mei 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] en/of Snackbar [naam snackbar], in elk geval aan een ander toebehoorde(n),
- een mes aan [het slachtoffer] heeft getoond en/of
- (vervolgens) de woorden toe te voegen: "geef mij de inhoud van je kassa maar. Hoeveel zit er eigenlijk in?", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 17 mei 2025 te Alkmaar, [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [het slachtoffer] een mes te tonen.