Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6897

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
C/15/378883 / JU RK 26-911
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin

De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin voor de duur van vier weken. De minderjarige verblijft reeds in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en staat onder toezicht.

De kinderrechter neemt kennis van incidenten waarbij de moeder onvoldoende weerbaarheid toont richting de vader, die zich bedreigend en dreigend gedraagt, onder meer door het overtreden van veiligheidsafspraken en het binnendringen van het moeder-kindhuis. De situatie brengt ernstig gevaar voor de minderjarige en andere bewoners met zich mee.

Gezien het onmiddellijke gevaar en de ernst van de situatie wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verleend en direct uitvoerbaar verklaard. De behandeling van het verzoek wordt verder aangehouden en een zitting wordt gepland om alle betrokkenen te horen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin voor vier weken met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378883 / JU RK 26-911
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 2 oktober 2025. Bij beschikking van 19 september 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, tot
19 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2025 een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de gezaghebbende moeder op een neutrale plek dan wel op een crisisplek binnen een pleeggezin. De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 september 2025 een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een moeder-kindhuis, welke machtiging vervolgens voor het laatst is verlengd tot 19 september 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] verblijft op basis van een machtiging uithuisplaatsing samen met de moeder in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] (voorheen [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ). In de afgelopen weken is sprake geweest van incidenten waaruit blijkt dat de moeder onvoldoende weerbaarheid heeft richting de vader. Zo spreekt de moeder stiekem af met de vader. Met de moeder zijn op 4 mei 2026 de zorgen besproken die er zijn over het in stand houden van de onveiligheid voor [de minderjarige] , maar ook voor de moeders en kinderen bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , het wantrouwen vanuit DJGB naar ouders en de weerbaarheid van moeder richting vader. In dit gesprek zijn met de moeder veiligheidsafspraken gemaakt en is besproken dat zij zich hieraan moet houden om te voorkomen dat [de minderjarige] elders uit huis geplaatst gaat worden. Op
6 mei 2026 is met de vader gesproken over de situatie en over de begeleide omgang tussen de ouders en [de minderjarige] . Tijdens de begeleide omgang daarna raakt de vader meermaals geëmotioneerd en boos en doet hij dreigende uitspraken over de betrokken jeugdbeschermer en de situatie. Ook in een telefoongesprek is de vader is hij bedreigend richting de GI.
Op 2 juni 2026 ontvangt de GI een mail van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] dat bewoners hebben gezien dat de vader via het badkamerraam het moeder-kindhuis is binnengekomen. De moeder ontkent dit en dreigt de GI aan te klagen wanneer wordt besloten om [de minderjarige] om deze reden elders te plaatsen. Ook is de vader tegen de veiligheidsafspraken overdag aanwezig in de buurt van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en wanneer hij aangesproken wordt geeft hij aan dat hij de moeder wilde bezoeken. Ook dit ontkent de moeder, volgens haar is de vader in een andere plaats. De moeder geeft aan er vandoor te willen gaan met [de minderjarige] . Op 9 juni 2026 is duidelijk geworden dat de vader op een camping verblijft op ongeveer 300 meter afstand van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1]
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op
[geboortedatum] in [plaats] , in een pleeggezin met ingang van 9 juni 2026 tot 7 juli 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van
mr. W.C. Oosterbroek op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door
mr. E.G. van Roest, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).