Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6889

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/11812049
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling en deblokkering creditcard wegens misbruik van procesrecht

Eiser vorderde betaling van een bedrag van €2.898,00 en deblokkering van zijn creditcard bij ING Bank. ING had het bedrag reeds vóór de dagvaarding betaald en de creditcard geblokkeerd vanwege een fraudeonderzoek naar stelselmatige chargebackverzoeken van eiser.

De rechtbank oordeelde dat de vordering tot betaling niet ontvankelijk was omdat het bedrag al was voldaan. De vordering tot deblokkering werd afgewezen omdat de overeenkomst tussen partijen was beëindigd. Daarnaast was er geen sprake van tekortkoming of onrechtmatige daad door ING.

De rechtbank stelde vast dat eiser misbruik maakte van het procesrecht door een evident ongegronde vordering in te stellen, gericht op financieel gewin. Daarom werd eiser veroordeeld tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van ING, begroot op €9.984,00. Het vonnis werd bij vervroeging uitgesproken op 17 juni 2026.

Uitkomst: De vorderingen tot betaling en deblokkering van de creditcard worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11812049 \ CV EXPL 25-2686 WD
Vonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: ROI Services B.V.,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de conclusie van repliek, met één productie;
- de conclusie van dupliek, met producties;
- de conclusie van eis in het incident van [eiser] ;
- de conclusie van antwoord in het incident van ING, met één productie;
- de akte uitlating van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
ING is een financiële instelling die betaalproducten zoals betaalrekeningen en creditcards aanbiedt. ING maakt daarbij gebruik van algemene voorwaarden.
2.2.
Voor haar creditcardhouders biedt ING de zogenaamde “GeldTerugService” aan. Deze service houdt in dat een gebruiker van een door ING verstrekte creditcard na een internetaankoop onder bepaalde voorwaarden bij ING een verzoek kan doen tot terugbetaling/ terugboeking van het met de internetaankoop aan de verkoper betaalde bedrag. Een dergelijk verzoek wordt aangeduid als een “chargebackverzoek”.
2.3.
Op 13 maart 2025 heeft ING een van [eiser] ontvangen chargebackverzoek aan hem bevestigd. Dit verzoek zag op een aankoopbedrag van € 2.898,00 met een creditcard van [eiser] .
2.4.
De afdeling Fraud Investigations van ING heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van het chargebackverzoek van 13 maart 2025 en eerdere chargebackverzoeken van [eiser] , waarvan ING het aankoopbedrag al heeft terugbetaald. In verband met dit onderzoek heeft ING de uitbetaling van het bedrag van € 2.898,00 opgeschort en de door ING aan [eiser] verstrekte creditcard(s) geblokkeerd.
2.5.
Op 17 juli 2025 heeft ING het bedrag van € 2.898,00 aan [eiser] betaald.
2.6.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft ING de overeenkomst met [eiser] opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter:
(i) ING veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 2.898,00, te vermeerderen met rente en kosten;
(ii) ING veroordeelt tot deblokkering van de door haar aan [eiser] verstrekte creditcard, met een dwangsom.
3.2.
ING voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De hoofdvorderingen
4.1.
De kantonrechter zal de vordering tot betaling van het bedrag van € 2.898,00 afwijzen. [eiser] heeft immers erkend dat hij dit bedrag van ING heeft ontvangen. Het bedrag is vóór het uitbrengen van de dagvaarding aan hem betaald. Desondanks heeft [eiser] zijn vordering niet ingetrokken of verminderd, zodat de kantonrechter daarop afwijzend moet beslissen.
4.2.
De vordering tot het deblokkeren van de creditcard zal ook worden afgewezen. ING heeft de overeenkomst met [eiser] beëindigd. Dat [eiser] hiertegen heeft geprotesteerd en aanspraak heeft gemaakt op herstel van de contractuele relatie, is gesteld noch gebleken. Gelet op de beëindiging van de overeenkomst heeft [eiser] jegens ING geen aanspraak meer op gebruik van de creditcard.
De nevenvorderingen
4.3.
De gevorderde vergoeding van rente en kosten zullen ook worden afgewezen, omdat ING de betaling terecht heeft opgeschort en geen sprake is van een tekortkoming, onrechtmatige daad en/of schending van de zorgplicht. De kantonrechter motiveert deze beslissing als volgt.
4.4.
ING heeft uiteengezet waarom zij aanleiding heeft gezien om een fraudeonderzoek op te starten en de betaling van het aankoopbedrag enige tijd op te schorten. ING heeft daarbij gewezen op de melding die zij van International Card Services heeft ontvangen en op de bevindingen van haar eigen fraudeafdeling. Kort gezegd komen deze bevindingen erop neer dat [1] :
( i) [eiser] veel Appleproducten en andere elektronica aanschaft, veelal bij buitenlandse verkopers;
(ii) [eiser] doorgaans daarbij gebruik maakt van creditcards;
(iii) de aankopen onder verschillende namen worden gedaan;
(iv) [eiser] in alle onderzochte gevallen de levering betwist en vervolgens aanspraak maakt op terugbetaling van de koopsom;
( v) [eiser] om zijn aankoopsom terug te verkrijgen herhaaldelijk een chargebackverzoek aan ING heeft gedaan;
(vi) [eiser] (gebruikte) Apple producten verkoopt.
[eiser] heeft deze bevindingen onvoldoende gemotiveerd weersproken, dus deze staan vast.
4.5.
De kantonrechter is het met ING eens dat het chargebackverzoek van [eiser] niet als een incidenteel verzoek kan worden beschouwd, maar sprake is van een patroon. [eiser] maakt zo stelselmatig en structureel gebruik van wettelijke, uit het oogpunt van consumentenbescherming ingevoerde bevoegdheden, dat de conclusie dat dit louter vanwege financieel gewin gebeurt, gerechtvaardigd is. In dat licht moet ook de door [eiser] van ING gevorderde betaling van de hoofdsom worden beschouwd. Dat ING om haar moverende redenen op 17 juli 2025 aanleiding heeft gezien om het bedrag van € 2.898,00 aan [eiser] uit te betalen, doet daaraan niet af.
4.6.
Dat ING onder de gegeven omstandigheden vanwege het door haar te plegen rechtmatigheidsonderzoek in redelijkheid tot tijdelijke opschorting van de betaling heeft kunnen overgaan, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter vindt de opschorting in dit geval ook gerechtvaardigd. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat ING niet is tekortgeschoten en niet in verzuim is komen te verkeren en dus geen rente en kosten verschuldigd is geworden. Van een onrechtmatige daad of schending van de zorgplicht door ING is ook geen sprake. Bovendien zijn de eventuele buitengerechtelijke kosten van [eiser] in deze omstandigheden niet in redelijkheid gemaakt.
De proceskosten
4.7.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van ING worden veroordeeld. ING verzoekt - voor het eerst in de conclusie van dupliek - om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. Voor vergoeding van werkelijk gemaakte proceskosten is slechts aanleiding, indien de kantonrechter kan vaststellen dat [eiser] met het instellen van de vordering jegens ING zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht (artikel 3:13 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)).
4.8.
Mede gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor in 4.1.tot en met 4.6. heeft overwogen, maakt [eiser] zich met het instellen van zijn vordering schuldig aan misbruik van procesrecht. Zijn vordering van de hoofdsom is evident ongegrond, omdat deze al vóór de dagvaarding is betaald. De vordering tot deblokkering van de creditcard is evident ongegrond, omdat de overeenkomst is geëindigd. En de vordering tot vergoeding van rente en kosten had achterwege moeten blijven in verband met de betrokken belangen van ING. [eiser] had op voorhand moeten begrijpen dat deze vordering geen kans van slagen had, omdat ING de betaling terecht had opgeschort vanwege het fraudeonderzoek naar de stelselmatige chargebackverzoeken van [eiser] . Hierbij weegt mee dat [eiser] uit financieel gewin handelt. ING heeft daarom in dit geval recht op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.
4.9.
ING heeft de hoogte van de kosten bij dupliek begroot op € 9.840,00. Zij heeft deze begroting onderbouwd met een gespecificeerde urenstaat [2] , welke zij in haar conclusie van antwoord in het incident heeft toegelicht. [eiser] heeft inhoudelijk gereageerd op de urenstaat en toelichting.
4.10.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Voor het beoordelen van de redelijkheid van het door de gemachtigde van ING opgevoerde urenaantal (61,5) is het van belang om vast te stellen wat het onderwerp is van deze procedure en de complexiteit daarvan. [eiser] doet voorkomen dat deze zaak louter als een eenvoudige consumentenzaak moet worden beschouwd. De kantonrechter gaat hierin niet mee. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat ING zich als verweer tegen de door [eiser] ingestelde vordering, waaronder de vordering tot betaling van de proceskosten, in redelijkheid heeft mogen beroepen op de uitkomsten van het door haar fraudeafdeling uitgevoerde onderzoek.
4.11.
De omvang van het procesdebat in deze zaak wordt dus niet alleen bepaald door de stellingen over en weer over het door [eiser] op 13 maart 2025 gedane chargebackverzoek en de daaropvolgende blokkering van de aan [eiser] verstrekte creditcard(s). Het in deze zaak relevante debat ziet ook op het door ING vastgestelde patroon van (i) aankopen met creditcards, (ii) betwisting van leveringen, (iii) aanspraken op terugbetaling, onder meer door chargebackverzoeken en (iv) (door)verkoping van producten aan derden.
4.12.
Gelet op één en ander vindt de kantonrechter het in rekening gebrachte urenaantal (61,5) en het tarief € 160,00 niet onredelijk. [eiser] heeft het aantal door de gemachtigde van ING opgegeven urenaantal op zichzelf ook niet betwist.
4.13.
De kantonrechter begroot de totale proceskosten op een bedrag van € 9.840,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met een bedrag van € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van ING, die worden begroot op een bedrag van € 9.984,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 (bij vervroeging).

Voetnoten

1.Zie alinea 37 van de conclusie van antwoord
2.Zie productie 26 bij conclusie van antwoord in het incident