Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
bijlage IIbij dit vonnis.
hij’ (een onbekend gebleven derde) zijn broer naar laat kijken en hij de straatnaam niet heeft, waarop de verdachte aan de medeverdachte een adres ([adres A]) doorgeeft, naar de rechtbank aanneemt zijnde een adres op Curaçao.
Corendon, welkom aan boord”. Hierop reageren ze beiden met meerdere vreugdestickers. De medeverdachte geeft aan dat hij vervoer zal regelen en ze spreken af om
“samen te gaan”en dat ze
“alleen even moeten kijken hoe laat het land”. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte en de medeverdachte met elkaar vieren dat [koerier A] een geslaagde vlucht lijkt te gaan maken en dat ze haar samen zullen ophalen van Schiphol.
Corendon, welkom aan boord” die hij had ontvangen van de verdachte door aan [persoon A] met daarbij een sticker van een saluerende soldaat en met duimpjes omhoog. [persoon A] reageert hierop op 4 maart 2024 om 15:27 uur met de tekst “
voordat je open bel mij”.
het ding wel goed gaat”. De verdachte vraagt de medeverdachte “
of het harder wordt”,waarop de medeverdachte reageert:
“we kunnen nog 6 uur zitten in de bioscoop popcorn verkopen”.
dit stuur je dan naar je vriend”. De medeverdachte heeft op 15 april 2024 tweemaal € 238,50 overgemaakt naar [koerier A], waarmee hij kennelijk (een deel van) de reis van [koerier A] betaalde. De reservering met de doorgestreepte passagiersgegevens heeft de medeverdachte doorgestuurd aan [persoon A]. Ook worden er foto’s gedateerd 11 april 2024 op de telefoon van de medeverdachte aangetroffen van een koffer met dubbele bodem en witte sealbags die nog in de bodem van de koffer zitten. De verdachte vraagt op 14 april 2024 om een foto aan de medeverdachte. De medeverdachte stuurt een foto terug van vermoedelijk brokken cocaïne.
dat ze me melden zodat ik kom, maar stil man”, waarop de verdachte antwoordt: “
ze gaan contact met je opnemen. Kijk naar je telefoon”, waarop [koerier B] een duimpje stuurt (emoticon). Kennelijk moest er kort voor de vlucht nog iets bij [koerier B] worden afgeleverd en verliep het contact daarover vanuit de organisatie naar [koerier B] via de verdachte.
dit loopt gesmeerd”. In de ochtend van 31 januari 2024 deelt de medeverdachte een foto met de verdachte van de vertraagde vlucht van [koerier B]. Om 14:04 uur stuurt de verdachte naar de medeverdachte: “
2-0 hermano”. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat de verdachte en medeverdachte blij zijn en het als ‘gescoord’ zien dat [koerier B] een geslaagde vlucht maakt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze vreugde niet de persoon [koerier B] betreft, maar dat wat zij meeneemt naar Nederland en kort voor haar vertrek vanaf Curaçao met tussenkomst van de verdachte overhandigd heeft gekregen. Dat het de verdachte te doen is om de (inhoud van de) koffer van [koerier B], blijkt bovendien uit het navolgende.
ze de wiel van de koffer hebben verkloot”, waarop de verdachte reageert: “
als het ding zelf niet verkloot is het goed”. De verdachte spreekt vervolgens met [koerier B] af voor het station Rotterdam.
als jullie klaar zijn voor mij, laat mij weten zodat we ontmoeten” en spreekt ze een voicemailbericht voor de verdachte in, waarin ze zegt dat ze niets van hem hoort en dat ze wil dat hij haar vandaag van de hand doet, zodat ze klaar zijn. Hierop antwoordt de verdachte haar dat [bijnaam medeverdachte] contact met haar gaat opnemen. [bijnaam medeverdachte] is de naam die de verdachte gebruikt voor de medeverdachte (zie hiervoor p. 44 van het zaaksdossier C4&C5). [koerier B] schrijft op 9 februari 2024 aan de verdachte “
ik zou nog 200 euro krijgen toch, ik bracht 700 mee, ik krijg 3300”.
2-0 hermano” blijkt volgens de rechtbank dat sprake is geweest van een geslaagde invoer. Net als bij feit 2, blijkt bovendien ook bij dit feit 1 dat de koerier met tussenkomst van de verdachte, kort voor haar vertrek naar vliegveld Hato bezoek heeft gehad van een derde uit de organisatie, kennelijk om de verdovende middelen bij de koerier af te leveren. Daarbij valt op dat de cocaïne(pasta) in de transporten uitgevoerd door [koerier A] (feiten 2 en 3) blijkens de foto’s in het dossier in glazen ovenschalen werden gelegd (zo de rechtbank begrijpt, om te drogen) en ook in deze zaak de ovenschaal terugkomt, namelijk omdat de verdachte in deze zaak, nadat hij [koerier B] met haar koffer heeft afgehaald van het treinstation Rotterdam, advies vraagt over het aanschaffen van een ovenschaal. Hieruit leidt de rechtbank af dat er op het treinstation te Rotterdam een overdacht van de door [koerier B] ingevoerde verdovende middelen aan de verdachte moet zijn geweest.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
8.Beslissing
30 maanden.