Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6825

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11709924 \ CV EXPL 25-1469
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 11 algemene voorwaarden eiserArtikel 32 lid 1 Wetboek van Koophandel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding operational leaseovereenkomst wegens niet-betaling en toewijzing vorderingen

De zaak betreft een geschil over een operational leaseovereenkomst tussen een leasebedrijf en een vennootschap onder firma die keukeninventaris heeft geleased. De leaseovereenkomst is gesloten op 21 augustus 2024, waarbij de gedaagden de keukeninventaris in gebruik kregen tegen maandelijkse leasetermijnen.

De gedaagden zijn in gebreke gebleven met betalingen, waarop de eiser de overeenkomst op 16 december 2024 heeft ontbonden en betaling van achterstallige en toekomstige leasetermijnen heeft gevorderd. De gedaagden betwisten het bestaan van de overeenkomst en voeren tekortkomingen in de levering aan, maar deze stellingen zijn onvoldoende onderbouwd en worden verworpen.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat de gedaagden tekort zijn geschoten in hun betalingsverplichtingen, waardoor de ontbinding door de eiser gerechtvaardigd is. De vorderingen tot betaling van €30.976,71 aan leasetermijnen, €2.683,80 aan contractuele boete, €1.101,00 aan incassokosten en €2.881,35 aan proceskosten worden toegewezen. De vordering tot afgifte van het leaseobject is komen te vervallen omdat dit reeds is geretourneerd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de leaseovereenkomst ontbonden en veroordeelt de gedaagden tot betaling van achterstallige en toekomstige leasetermijnen, contractuele boete, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11709924 \ CV EXPL 25-1469 TB
Vonnis van 23 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.P.J. Visser,
tegen

1.[gedaagde 1]

te [plaats 2] ,
procederend in persoon,
hierna te noemen: [gedaagde 1]

2.2. [gedaagde 2] ,

te [plaats 2] ,
procederend in persoon,
hierna te noemen: [gedaagde 2]
gedaagde partijen
en

3.3. [gedaagde 3] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3]
niet verschenen,
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden hierna samen aangeduid als [naam 1] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna samen aangeduid als [gedaagde 2]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 april 2025
- het mondelinge antwoord van 3 juli 2025
- het schriftelijke aanvullend antwoord van 14 juli 2025
- de e-mail van [gedaagde 2] van 4 september 2025
- het tussenvonnis van 11 september 2025
- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026. [eiser] en haar gemachtigde waren op die zitting aanwezig. [gedaagde 2] waren niet aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [eiser] ter toelichting van haar standpunt naar voren heeft gebracht.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2026.
- [gedaagde 2] zijn na de zitting in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 januari 2026.
- de e-mail van [gedaagde 2] van 26 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een leasebedrijf dat tegen betaling roerende zaken beschikbaar stelt aan klanten. Om deze dienst te kunnen aanbieden, koopt [eiser] de betreffende roerende zaak van de leverancier, waarna [eiser] deze zaak aan een klant verhuurt tegen een leasetermijn (operational lease).
2.2.
Op 21 augustus 2024 is er een complete lijn vitrine plus bakkerij vitrine en kasten (hierna: keukeninventaris) van Horeca Gemak B.V. (de leverancier) bij [naam 1] afgeleverd.
2.3.
Na meerdere betalingsherinneringen heeft [eiser] bij brief van 16 december 2024 de overeenkomst ontbonden en [naam 1] gevraagd om betaling van de achterstallige en toekomstige leasetermijnen en om teruggave van het leaseobject. Hierna heeft [eiser] haar vordering op [naam 1] uit handen gegeven aan haar gemachtigde.
2.4.
In september 2025 heeft [naam 1] de keukeninventaris geretourneerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – kort weergegeven –:
a. een verklaring voor recht dat de operational leaseovereenkomst is ontbonden,
b. dat de kantonrechter [naam 1] hoofdelijk veroordeelt aan [eiser] te betalen:
i. de achterstand en de toekomstige termijnen van € 32.600,41, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 25 april 2025 tot aan de dag van betaling,
ii. de incassokosten van € 1.101,00,
iii. de rente tot 25 april 2025 van € 1.372,62,
iv. de contractuele boete van € 2.683,80,
v. de proceskosten,
c. dat de kantonrechter hoofdelijk [naam 1] veroordeelt tot afgifte aan [eiser] van het leaseobject in goede staat binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom,
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een operational leaseovereenkomst tot stand gekomen op 21 augustus 2024. Hierop zijn algemene voorwaarden van toepassing. Op grond van de leaseovereenkomst heeft [eiser] tegen betaling van een maandelijkse leasetermijn van € 447,30 een set aan leaseobjecten ter beschikking gesteld aan [naam 1] voor een huurperiode van zestig maanden. [naam 1] hebben de verschuldigde leasetermijnen ook na herinneringen en aanmaningen niet betaald. [eiser] heeft de overeenkomst daarom ontbonden op 16 december 2024. [naam 1] zijn naast de achterstallige leasetermijnen op grond van de algemene voorwaarden ook een schadevergoeding verschuldigd ter hoogte van alle toekomstige leasetermijnen.
3.3.
[gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 2] voeren aan dat tussen partijen geen leaseovereenkomst is gesloten, omdat de leaseovereenkomst niet door [eiser] is ondertekend. Bovendien bestaat [gedaagde 1] niet meer. Het restaurant heet nu [naam 2] Op 25 december 2024 is een bedrag van € 1.623,70 aan [eiser] betaald ter zake van de leaseovereenkomst. Verder stellen [gedaagde 2] dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De kwaliteit van de geleverde spullen was niet goed en het was niet compleet. Ze hebben drie maanden op de rest van de spullen gewacht en op een monteur. Daarnaast verwijten [gedaagde 2] [eiser] dat zij geen vergunning hebben gekregen omdat [eiser] heeft geweigerd de overeenkomst te ondertekenen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Verstek [gedaagde 3]
4.1.
[gedaagde 2] heeft in deze procedure verweer gevoerd. Uit het verweer blijkt dat dit mede is gevoerd namens [gedaagde 1] en niet namens [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen hem wordt daarom verstek verleend. Omdat [gedaagde 2] wel zijn verschenen in de procedure, wordt dit vonnis voor alle procespartijen beschouwd als een vonnis op tegenspraak. [1]
4.2.
Omdat de kantonrechter verstek heeft verleend tegen [gedaagde 3] , geldt als uitgangspunt dat de vorderingen van [eiser] tegen hem worden toegewezen, tenzij de vorderingen de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Omdat [gedaagde 3] wordt aangesproken als vennoot van [gedaagde 1] , namens wie verweer is gevoerd in deze procedure, is de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen ten opzichte van [gedaagde 3] hetzelfde lot delen als de vorderingen ten opzichte van [gedaagde 1] Immers, er is geen grondslag om [gedaagde 3] tot méér te veroordelen dan waartoe hij als vennoot van [gedaagde 1] geboden is.
[gedaagde 1] in liquidatie
4.3.
Als door [gedaagde 2] onweersproken gesteld staat vast dat de vennootschap onder firma [gedaagde 1] inmiddels is ontbonden. Voor de onderhavige procedure heeft dat geen gevolgen. Uit artikel 32 lid 1 Wetboek Pro van Koophandel alsmede uit de jurisprudentie [2] vloeit voort dat na de ontbinding van een vennootschap onder firma de bijzondere rechtstoestand van het afgescheiden vermogen blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van de zaken van de vennootschap nodig is, waaronder de afwikkeling van lopende processen. Verder geldt dat het feit dat de vennootschap onder firma thans in liquidatie verkeert, niets af doet aan de aansprakelijkheid van de vennoten van de vennootschap onder firma.
De overeenkomst
4.4.
In de eerste plaats is tussen partijen in geschil de vraag of tussen [naam 1] en [eiser] een overeenkomst tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat dit het geval is en overlegt daartoe een operational leaseovereenkomst die door een vertegenwoordiger van [gedaagde 1] is ondertekend. [gedaagde 2] betwisten dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met [eiser] , omdat de overeenkomst niet door [eiser] is getekend. [naam 1] hebben de keukeninventaris geleased van Horeca Gemak.
4.5.
Het verweer van [gedaagde 2] dat van een overeenkomst (met [eiser] ) geen sprake is, slaagt niet. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. [eiser] heeft met het door haar overgelegde afschrift van de schriftelijke overeenkomst en de toelichting ter zitting over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen voldoende onderbouwd dat partijen de door haar gestelde overeenkomst zijn aangegaan. Uit de overeenkomst volgt dat de overeenkomst door [gedaagde 2] namens [naam 1] is ondertekend, waarmee zij het in het contract neergelegde aanbod van [eiser] hebben aanvaard. Met de enkele stelling dat op de overeenkomst de handtekening van [eiser] ontbreekt, hebben [gedaagde 2] het bestaan en de inhoud van deze overeenkomst niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Voorts blijkt ook uit de afgiftebevestiging, die onderdeel uitmaakt van de documentatie rondom de afgifte van de keukeninrichting, en waarvan [gedaagde 2] de ondertekening niet betwisten, dat [eiser] optreedt als financieringsmaatschappij. Uit deze vermelding blijkt dat [gedaagde 2] reeds bij de ondertekening van de leaseovereenkomst en voorts nogmaals bij de afgifte bekend waren met de betrokkenheid van [eiser] als partij bij de overeenkomst, en met de rolverdeling tussen Horeca Gemak als leverancier en [eiser] als eigenaar en financier. Dat partijen deze overeenkomst zijn aangegaan, vindt bovendien bevestiging in het feit dat daaraan ook uitvoering is gegeven. [naam 1] hebben de keukeninventaris namelijk geleverd gekregen en hebben ook (zij het pas na de ontbinding van de overeenkomst door [eiser] ) een aantal maandtermijnen alsnog betaald aan [eiser] . De door [eiser] aangevoerde grondslag voor haar vordering staat dus vast.
Ontbinding leaseovereenkomst door [eiser]
4.6.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst is ontbonden. Op grond van de wet en de algemene voorwaarden van [eiser] mag [eiser] de leaseovereenkomst ontbinden als [naam 1] tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen uit de leaseovereenkomst. Vast staat dat [naam 1] vanaf het begin van de overeenkomst een betalingsachterstand hebben laten ontstaan. [naam 1] zijn daarmee in beginsel in gebreke gebleven met het voldoen van hun betalings-verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst.
4.7.
[gedaagde 2] doen echter naar de kantonrechter begrijpt een beroep op opschorting omdat [eiser] te kort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Namelijk omdat de kwaliteit van de geleverde spullen niet goed was, ze drie maanden op de ontbrekende spullen hebben gewacht en hebben gewacht op een monteur die de spullen zou aansluiten. Daarnaast verwijten [gedaagde 2] [eiser] dat zij geen vergunning hebben gekregen van de gemeente omdat [eiser] heeft geweigerd de overeenkomst te ondertekenen. [gedaagde 2] onderbouwen dit echter verder niet. Dit had wel op hun weg gelegen omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroepen [3] . Dit geldt te meer nu [eiser] de tekortkomingen gemotiveerd heeft weersproken, onder andere door te wijzen op de door [naam 1] getekende afgiftebevestiging van de leaseobjecten. Met de daarop geplaatste handtekening wordt door [naam 1] onder meer bevestigd dat de levering compleet is, dat de werking is gecontroleerd, dat het leaseobject is geplaatst en vakkundig gemonteerd en/of geïnstalleerd en dat het leaseobject zich in een correcte en functionele staat bevindt en de door de leverancier toegezegde eigenschappen bezit alsmede de eigenschappen zoals deze door de fabrikant zijn gegarandeerd. Het beroep op opschorting kan dan ook niet slagen. Dit betekent dat [naam 1] gehouden waren tot betaling van de leasetermijnen van [eiser] . Betaling is echter achterwege gebleven, zo staat vast. [naam 1] zijn daarmee tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de leaseovereenkomst. Door deze tekortkoming van [naam 1] mocht [eiser] de overeenkomst ontbinden. De kantonrechter zal de gevorderde verklaring voor recht daarom toewijzen.
4.8.
[gedaagde 2] hebben in hun reactie van 26 februari 2026 op het proces-verbaal van de zitting nog aangevoerd dat zij ondanks de tekortkomingen van [eiser] betalingen hebben gedaan die zij thans terug willen van [eiser] . Voor zover [gedaagde 2] daarmee hebben bedoeld een tegenvordering in te stellen, is dat te laat. Een tegenvordering kan enkel worden ingesteld bij conclusie van antwoord [4] . Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat blijkens het overgelegde bankafschrift de betaling pas is gedaan nadat de overeenkomst door [eiser] buitengerechtelijk was ontbonden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen betreft de door [gedaagde 2] gedane betaling dan ook geen termijnbetaling maar een betaling die in mindering strekt op het totaal door [naam 1] verschuldigde bedrag.
Betalingsvorderingen [eiser]
4.9.
[eiser] vordert betaling van € 32.600,41 voor de achterstallige leasetermijnen, en een schadevergoeding voor de leasetermijnen die [naam 1] bij het in stand blijven van de overeenkomst tot het einde van de looptijd gehouden zouden zijn te voldoen (de toekomstige leasetermijnen). Uit artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden van [eiser] volgt dat als de leaseovereenkomst wordt ontbonden als gevolg van een tekortkoming van [naam 1] , [naam 1] bij wijze van schadevergoeding alle toekomstige leasetermijnen moeten betalen. [naam 1] hebben de hoogte van de vordering verder niet betwist. De kantonrechter zal de vergoeding voor de achterstallige en toekomstige leasetermijnen daarom toewijzen, met dien verstande dat door [naam 1] gedane termijnbetaling op 25 december 2024 van € 1.623,70 daarop in mindering strekt. [naam 1] moeten daarom een bedrag van € 30.976,71 aan hoofdsom betalen.
4.10.
[eiser] vordert ook betaling van de contractuele boete van € 2.683,80, wegens het niet binnen vijf werkdagen terugzenden van de apparatuur. [eiser] vordert deze boete eveneens met een beroep op artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden van [eiser] . [gedaagde 2] hebben geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze boete. Omdat de keukeninventaris pas na verstrijken van de gestelde termijn is geretourneerd, zal de gevorderde contractuele boete worden toegewezen. [eiser] heeft bij dagvaarding ook een vordering tot afgifte van de leaseobjecten ingesteld, maar heeft deze vordering op de zitting laten vervallen omdat [gedaagde 2] de leaseobjecten, weliswaar ruim na de ontbinding en de daarvoor gestelde termijn, aan [eiser] hebben geretourneerd.
4.11.
[eiser] vordert wettelijke handelsrente over de achterstallige leasetermijnen en over de als schadevergoeding gevorderde toekomstige leasetermijnen. Wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW ziet echter alleen op verbintenissen tot nakoming van handelsovereenkomsten, en niet op een verbintenis tot schadevergoeding. De vordering met betrekking tot de toekomstige leasetermijnen is een schadevergoeding, waarover dus geen wettelijke handelsrente verschuldigd is. [eiser] heeft niet inzichtelijke gemaakt welk deel van het bedrag van de gevorderde hoofdsom ziet op de achterstallige leasetermijnen en welk deel ziet op de toekomstige leasetermijnen. De kantonrechter zal daarom over dit gehele bedrag de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toewijzen.
4.12.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.101,00 worden toegewezen.
4.13.
[naam 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.881,35
4.14.
De veroordeling wordt (voor zover gevorderd) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de operational leaseovereenkomst is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [naam 1] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen:
a. een bedrag van € 30.976,71, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
b. een bedrag van € 2.683,80 aan contractuele boete,
c. een bedrag van € 1.101,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [naam 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.881,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [naam 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 140 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.HR 27 juni 1975, NJ 1976/128
3.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
4.Artikel 137 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.