3.3.1.Inleiding
Uit het dossier blijkt dat in de periode van 14 september 2023 tot en met 11 februari 2024 in totaal 21 (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden, vooral in Alkmaar. In vrijwel alle gevallen werd gebruik gemaakt van een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), te weten knalvuurwerk in de vorm van Cobra’s 6 in combinatie met flesjes gevuld met snel ontbrandend materiaal, of werden niet tot ontploffing gekomen VBC’s of onderdelen daarvan aangetroffen.
Uit het dossier blijkt het vermoeden dat aan deze feiten een langdurig conflict ten grondslag ligt tussen de verdachte en zijn broer medeverdachte [medeverdachte A] (hierna: [medeverdachte A] ) enerzijds en [persoon A] (hierna: [persoon A] ) anderzijds. Dit vermoeden wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat [medeverdachte A] op 21 februari 2024 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar voor een poging tot doodslag, door op 12 mei 2022 met een vuurwapen op [persoon A] te schieten. [medeverdachte A] is sinds 21 mei 2022, op verschillende titels, gedetineerd.
Genoemd vermoeden wordt eveneens ondersteund door het feit dat 16 van de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen hebben plaatsgevonden bij woningen en panden die in verband kunnen worden gebracht met [persoon A] en zijn familie, vrienden of andere relaties, zoals zijn (voormalig) zakenpartner [persoon B] en [persoon C] .
In genoemde periode is voorts drie keer een explosief afgegaan bij de woning van de moeder van de verdachte en [medeverdachte A] en is de auto van hun tante in Amsterdam in brand gestoken. Ook is in genoemde periode onder de auto van [persoon D] , een nauw contact van de verdachte en [medeverdachte A] , een explosief gegooid waardoor deze auto vlam heeft gevat. Gebleken is dat ook hier gebruik is gemaakt van een VBC. Verder komt uit afgeluisterde (telefoon)gesprekken van de diverse verdachten in dit dossier naar voren dat de verdachte en [medeverdachte A] een conflict hebben met [persoon A] waarbij van beide kanten geweld wordt gebruikt. Ook hebben diverse getuigen over verschillende (pogingen tot) explosies/brandstichtingen verklaard dat deze te maken hebben met een ruzie tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A] .
Tot slot is aan de reeks (pogingen tot) explosies/brandstichtingen een einde gekomen met de aanhoudingen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte B] (hierna: [medeverdachte B] ).
Hoewel de exacte aard van het conflict niet duidelijk is geworden, gaat de rechtbank er, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van uit dat aan de (pogingen tot) explosies/brandstichtingen in de genoemde periode een conflict tussen de verdachte en [medeverdachte A] enerzijds en [persoon A] anderzijds ten grondslag ligt. Dit zal de rechtbank bij de beoordeling van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten dan ook tot uitgangspunt nemen.
3.3.2.Vrijspraak zaak A, feit 3 (primair en subsidiair) en feit 4 (primair en subsidiair)Onder 3 in zaak A wordt de verdachte verweten dat hij op 1 februari 2024 betrokken is geweest bij het veroorzaken van een ontploffing en/of brand bij een woning aan de [adres B] in Alkmaar.
De beschuldiging in zaak A onder 4 houdt in dat de verdachte betrokken is geweest bij pogingen tot het veroorzaken van een ontploffing en/of brand bij woningen aan respectievelijk de [adres C] te Alkmaar op 1 februari 2024 en de [adres D] te Alkmaar op 3 en 4 februari 2024.
Primair zijn deze feiten ten laste gelegd als medeplegen. Subsidiair gaat het om het medeplegen van het uitlokken van deze feiten, waarbij de uitlokkingshandelingen zouden bestaan uit het geven van de opdracht, het in het vooruitzicht stellen van een betaling, het verstrekken van de adressen waar de explosies moesten plaatsvinden en/of het geven van instructies en/of aanwijzingen aan de uitvoerders.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte als medepleger van deze feiten kan worden aangemerkt. Dit standpunt is in belangrijke mate gebaseerd op de zienswijze dat de incidenten moeten worden gezien als onderdeel van het hiervoor beschreven conflict tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A] .
De rechtbank neemt evenals de officier van justitie tot uitgangspunt dat het conflict tussen de verdachte, [medeverdachte A] en [persoon A] ten grondslag ligt aan de betreffende (pogingen tot) ontploffingen/brandstichtingen. De woning aan de [adres B] in Alkmaar is immers in verband te brengen met [persoon B] , de voormalig zakenpartner van [persoon A] , terwijl de woning aan de [adres D] in Alkmaar het woonadres is van [persoon A] . De poging een VBC tot ontploffing te brengen bij de [adres C] moet als een vergissing ten opzichte van nummer [adres D] worden beschouwd. Een andere verklaring voor deze reeks van gewelddadigheden is niet aannemelijk geworden. De rechtbank komt evenwel met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte tot een ander oordeel dan de officier van justitie. Vooropgesteld moet worden dat ieder bewijs voor directe betrokkenheid van de verdachte bij de uitvoering van de betreffende feiten ontbreekt. Het zou in de visie van de officier van justitie dan ook moeten gaan om betrokkenheid ‘op afstand’.
Met betrekking tot de gebeurtenissen in de nacht van 1 februari 2024 (ontploffing [adres B] en poging ontploffing [adres C] ) kent de officier van justitie – naast het verband met het conflict van de verdachte en [medeverdachte A] met [persoon A] – betekenis toe aan de omstandigheid dat de telefoon van de verdachte en die van [medeverdachte B] zich rond het tijdstip van de explosie in elkaars nabijheid bevonden in de omgeving van de woning van [medeverdachte B] in Amsterdam. De politie stelt dat het goed mogelijk is dat [medeverdachte B] op dat moment instructies aan de uitvoerders stuurde, terwijl hij in het gezelschap verkeerde van de verdachte en er zodoende gelegenheid was tot aansturing door de verdachte en tot onderling overleg en afstemming. Dat de verdachte en [medeverdachte B] daadwerkelijk samen waren rond het tijdstip van deze ontploffing en poging ontploffing blijkt echter niet uit het dossier. De rechtbank heeft in het dossier geen (ander) bewijs aangetroffen waaruit blijkt dat de verdachte een rol heeft gehad bij de uitvoering van de feiten van 1 februari 2024.
Ook wat betreft de feiten van 3 en 4 februari 2024 is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat voor directe betrokkenheid van de verdachte.
De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de verklaring van de getuige [getuige A] . Volgens de officier van justitie heeft zij immers verklaard dat de verdachte haar zelf heeft verteld dat hij achter de explosies zit waar de politie onderzoek naar doet. Dit leest de rechtbank echter niet in haar verklaringen. Uit haar aangifte (J procesdossier Map L TCI en getuigen p. 33) komt juist naar voren dat zij angst heeft voor de verdachte omdat zij dingen van hem weet ‘van horen en zeggen’. In een later proces-verbaal van bevindingen (ibidem, p. 36) tekent de politie uit haar mond op de woorden: ‘ [voornaam verdachte] heeft mij dit zelf verteld’, maar gezien de context kan dit even goed zien op het bestaan van het conflict met [persoon A] . De rechtbank ziet hierin dus geen bewijs voor directe betrokkenheid van de verdachte bij specifieke explosies.
Datzelfde geldt voor het tap-gesprek van 6 augustus 2024 tussen de verdachte en zijn (ex)vriendin [getuige B] (H procesdossier Map J Tap, p. 284-288). Volgens de officier van justitie bevestigt [getuige B] in dit gesprek dat de verdachte achter ‘de aanslagen’ zit. Weliswaar gebruikt [getuige B] woorden als ‘explosiefje’, ‘voordeur opblazen’ en ‘vuurwerkje klaarzetten’, maar naar het oordeel van de rechtbank kan uit het gesprek geen directe betrokkenheid van de verdachte bij specifieke ontploffingen worden afgeleid.
Ook heeft de officier van justitie gewezen op een Snapchat-gesprek van [medeverdachte B] met een zogeheten ‘virtual agent’ (een politieambtenaar die zich voordeed als [medeverdachte A] ). Het gesprek begint met een bericht van de politie aan [medeverdachte B] : ‘blauw weet dat je die kk ossos in alkmaar voor ons heb gedaan’. [medeverdachte B] reageert even later, als hij kennelijk denkt dat hij contact heeft met de verdachte, met: ‘Voor wat herhaal je ’t nog’. De officier van justitie interpreteert deze reactie zo dat [medeverdachte B] daarmee bevestigt dat hij de ‘ossos’ (huizen) in Alkmaar heeft ‘gedaan’ voor [medeverdachte A] en de verdachte. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de reactie van [medeverdachte B] slechts blijkt dat de verdachte dit kennelijk al eerder tegen hem heeft gezegd. Een bevestiging van [medeverdachte B] dat hij ‘huizen’ in Alkmaar heeft ‘gedaan’ voor de verdachte en [medeverdachte A] , leest de rechtbank echter niet in dit gesprek.
Tot slot kan naar het oordeel van de rechtbank ook uit de overige door de officier van justitie aangehaalde tap- en OVC-gesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte direct betrokken is geweest bij de (pogingen tot) ontploffingen en brandstichtingen op 1, 3 en 4 februari 2024.
De rechtbank ziet kortom, anders dan de officier van justitie, in het dossier geen bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de genoemde feiten, noch in de vorm van medeplegen, noch in de vorm van (medeplegen van) uitlokking. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de feiten die aan hem in zaak A onder 3 primair en subsidiair en onder 4 primair en subsidiair zijn ten laste gelegd.
3.3.4.Bewijsmotivering en bespreking van gevoerde verweren
Zaak A, feit 2
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 5 oktober 2023, rond 23.30 uur, heeft zich een ontploffing voorgedaan bij een bedrijfspand aan de [adres A] in Alkmaar. Door de ontploffing is een beginnende brand ontstaan, die door een voorbijganger is geblust. Uit forensisch onderzoek ter plaatse is gebleken dat de ontploffing is veroorzaakt door een VBC, die bestond uit ten minste drie stuks Cobra 6 vuurwerk, die aan een plastic fles met snel ontbrandende vloeistof waren vast getapet. Door de drukgolf van de explosie en de ontstane brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten, te weten voor het pand [adres A] , de aangrenzende panden en de daarin aanwezige goederen. Buurtbewoners zagen direct na de explosie een persoon wegrennen. Deze persoon is door hen aangehouden en aan de politie overgedragen. Het bleek te gaan om de minderjarige [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A] ). [betrokkene A] heeft bekend dat hij de vuurwerkbom bij het pand [adres A] in Alkmaar tot ontploffing heeft gebracht.
Verklaring [betrokkene A]
De verklaringen die [betrokkene A] heeft afgelegd houden – samengevat – onder meer het volgende in.
[betrokkene A] is op 5 oktober 2023 via Snapchat benaderd door iemand met de schermnaam ‘ [naam A] ’. Deze [naam A] berichtte dat hij [betrokkene A] nodig had om die avond een explosief te laten afgaan in Alkmaar. Hij zou daar een goed bedrag voor krijgen. [betrokkene A] is hier op ingegaan. Vervolgens werd [betrokkene A] via Snapchat benaderd door een persoon die [voornaam A] zou heten. [voornaam A] gaf aan dat hij de naam van [betrokkene A] van [naam A] had gekregen. [voornaam A] had van [naam A] gehoord dat [betrokkene A] ‘het’ zou gaan doen. [betrokkene A] is die avond door [voornaam A] met de auto opgehaald bij het station in Wormerveer en naar Alkmaar gebracht. [voornaam A] heeft ergens een explosief opgehaald en aan [betrokkene A] gegeven. Het waren drie Cobra’s, die aan een Spa-fles met iets vloeibaars waren vastgemaakt. [voornaam A] heeft [betrokkene A] verteld hoe en bij welk adres de explosie moest plaatsvinden en er zijn afspraken gemaakt over de plek waar [voornaam A] [betrokkene A] naderhand weer zou ophalen. In de auto heeft [voornaam A] een paar schoenen aan [betrokkene A] gegeven, zodat hij niet ‘heet’ zou zijn met zijn eigen schoenen. Toen het volgens [voornaam A] tijd was, is [betrokkene A] naar het opgegeven adres gegaan en heeft hij het explosief laten afgaan met behulp van een aansteker die hij van [voornaam A] had meegekregen. Na de explosie is [betrokkene A] gaan rennen, maar hij werd aangehouden door enkele mannen. [betrokkene A] beschouwt [voornaam A] als de opdrachtgever en [naam A] als een tussenpersoon. Het in de telefoon van [betrokkene A] aangetroffen Snapchat-contact [account A] is [voornaam A] . [naam A] had tegen [betrokkene A] gezegd dat hij [account A] moest toevoegen op Snapchat.
Identificatie [medeverdachte B]
Op 22 mei 2024 is onder [medeverdachte B] een iPhone 15 Pro in beslag genomen. Het op deze telefoon ingestelde Snapchat-account was ‘ [account B] ’. Daarnaast was aan deze telefoon een Snapchat-account gekoppeld met de username ‘ [usernaam A] ’ en de schermnaam ‘ [naam A] ’. Gezien het feit dat de telefoon in beslag genomen is onder [medeverdachte B] , dat de username van zowel Facebook als de Apple Wallet op de telefoon ‘ [medeverdachte B] ’ was en dat op de telefoon selfies van [medeverdachte B] en met deze telefoon gemaakte foto’s van een identiteitsbewijs van [medeverdachte B] zijn aangetroffen, lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat [medeverdachte B] ten tijde hier van belang de gebruiker was van deze telefoon en van het daaraan gekoppelde Snapchat-account met de schermnaam ‘ [naam A] ’. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders van deze telefoon en dit Snapchat-account gebruik heeft gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat [medeverdachte B] de persoon is die [betrokkene A] ‘ [naam A] ’ noemt en met wie [betrokkene A] op 5 oktober 2023 via Snapchat contact heeft gehad en die het contact tussen [betrokkene A] en ‘ [voornaam A] ’ tot stand heeft gebracht.
Identificatie [verdachte]
Aan het Snapchat-account met de gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ blijkt met ingang van 5 oktober 2023 het emailadres [mailadres A] @icloud.com te zijn gekoppeld. Bij een zoekslag in de politiesystemen kwam naar voren dat dit icloud-account in 2022 werd gebruikt in een iPhone die in beslag was genomen onder [medeverdachte A] . Bij onderzoek aan een onder de moeder van [medeverdachte A] en [verdachte] in beslag genomen smartphone bleek dat in deze telefoon het Snapchat-account met gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ als tegencontact stond opgeslagen. Tevens werd een screenshot/snapshot aangetroffen van een Snapchat-conversatie waarin ‘ [account A] ’ het volgende bericht stuurt:
Ik ben [verdachte] hallo, Hallo [voornaam B] ik ben [verdachte] u wilde mij spreken, Kopieer dat, Hallo [voornaam B] ik ben [verdachte] u wilde mij spreken.Blijkens de door Snapchat verstrekte gegevens is de schermnaam ‘ [usernaam B] ’ op 5 oktober 2023 veranderd in ‘ [account A] ’. Het account ‘ [account A] ’ is op 7 oktober 2023 verwijderd. Dit betekent dat de conversatie waarin de gebruiker met schermnaam ‘ [account A] ’ zich voorstelt als ‘ [verdachte] ’ moet hebben plaatsgevonden tussen 5 oktober en 7 oktober 2023. De rechtbank leidt uit deze bevindingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, af dat de verdachte op 5 oktober 2023 de gebruiker was van het Snapchat-account met de schermnaam ‘ [account A] ’. Dit leidt de rechtbank tevens tot de conclusie dat de verdachte de persoon is die [betrokkene A] in zijn verklaringen aanduidt als ‘ [voornaam A] ’.
Medeplegen
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte door [medeverdachte B] in contact is gekomen met [betrokkene A] . De verdachte heeft [betrokkene A] opgehaald in Wormerveer en naar Alkmaar gebracht. Hij heeft [betrokkene A] een VBC overhandigd en geïnstrueerd waar en hoe hij deze tot ontploffing moest brengen. Vervolgens heeft hij [betrokkene A] een aansteker meegegeven, en een paar schoenen, om – zo begrijpt de rechtbank – voor de politie niet herkenbaar (‘heet’) te zijn aan zijn eigen schoenen. [betrokkene A] is door de verdachte in de buurt van het beoogde doelwit afgezet en heeft de VBC daadwerkelijk laten ontploffen.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n), die – ook al heeft de verdachte de vuurwerkbom niet zelf geplaatst – in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het primair tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Zaak E
De tenlastelegging in deze zaak ziet op – kort gezegd – het medeplegen van de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] . Deze verdenking vloeit rechtstreeks voort uit het hiervoor in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde feit.
Op grond van de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van feit 2 primair in zaak A is gestoeld stelt de rechtbank vast dat de minderjarige [betrokkene A] ertoe is aangezet een ernstig strafbaar feit te plegen, namelijk het tot ontploffing brengen van een explosief bij een bedrijfspand, met gemeen gevaar voor goederen als gevolg. Ook [betrokkene A] zelf liep als uitvoerder van deze opdracht gevaar. Het aansteken van een zwaar explosief (drie Cobra’s 6 tegelijk, in combinatie met een snel ontbrandende vloeistof) brengt immers grote risico’s met zich. Daarnaast heeft [betrokkene A] het risico gelopen om voor het plegen van dit feit strafrechtelijk te worden vervolgd en veroordeeld. [betrokkene A] was vanwege zijn jonge leeftijd kwetsbaar en voelde zich blijkens zijn verklaringen in een situatie gebracht waarin hij geen ‘nee’ meer kon zeggen. Het onder deze omstandigheden vervoeren en overbrengen van een minderjarige en het aan hem verstrekken van middelen voor het teweegbrengen van een ontploffing, waardoor de verdachten zelf aanzienlijk minder risico’s liepen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de verdachten hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.
Pleegplaats
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging als pleegplaats alleen Alkmaar vermeldt. De niet ongebruikelijke uitbreiding ‘althans in Nederland’ ontbreekt. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de verdachten en [betrokkene A] zich bevonden toen contact werd gelegd via Snapchat, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen worden verklaard. Dit brengt met zich dat ook het element ‘werven’ in de tenlastelegging niet bewezen kan worden.
Medeplegen
Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van zaak A, feit 2 primair heeft overwogen met betrekking tot het medeplegen, is de rechtbank van oordeel dat de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] door de verdachte en [medeverdachte B] tezamen en in vereniging is gepleegd.
Zaak A feit 1
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (al binnen de organisatie) gepleegde misdrijven. Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Dat is anders als uit de bewijsvoering slechts blijkt van het verrichten van hand- en spandiensten door de verdachte voor de deelnemers aan de criminele organisatie, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte daarbij handelde in de wetenschap dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Dan staat niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan de criminele organisatie op.
Bestaan criminele organisatie
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan de verdachte ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Andere deelnemers aan deze organisatie waren in ieder geval [medeverdachte A] en [medeverdachte B] .
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Met het vonnis van heden in de zaak van [medeverdachte B] heeft de rechtbank onder meer bewezen verklaard dat [medeverdachte B] als medepleger betrokken was bij vijf (pogingen tot) brandstichting(en)/ teweegbrengen van ontploffing(en) bij diverse woningen die in verband kunnen worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Overigens blijkt niet dat [medeverdachte B] betrokken is bij genoemd conflict. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte contact had met zowel [medeverdachte A] als met [medeverdachte B] , met wie [medeverdachte A] tot 12 augustus 2023 gedetineerd was. Daartoe verwijst de rechtbank onder meer naar het in de telefoon van [medeverdachte A] aangetroffen screenshot (gemaakt op 22 augustus 2023) van een selfie van de verdachte en [medeverdachte B] in een auto, met daarbij de tekst “Die jongens van me” en zogenaamde emoji’s in de vorm van hartjes. Uit opgenomen telecommunicatie, onder meer op 6 en 9 september 2023, dus na de vrijlating van [medeverdachte B] , blijkt dat de verdachte en [medeverdachte A] spreken over ‘ [bijnaam] ’, de bijnaam van [medeverdachte B] . De rechtbank duidt de inhoud van deze gesprekken zo, dat daarin gesproken wordt over wat [medeverdachte B] voor de verdachte en [medeverdachte A] zou kunnen betekenen. Er wordt immers gesproken over dat de verdachte ‘iets voor hem had’, maar dat hij ( [medeverdachte B] ) traag reageert, en ‘ [bijnaam] gaat nu om de seconde op ons reageren’. Kort hierna, op 14 september 2023, vindt vervolgens de eerste explosie plaats die met het in de inleiding genoemde conflict in verband kan worden gebracht. Ook op 5 oktober 2023 vindt een explosie plaats op een adres dat met het conflict in verband kan worden gebracht en waarvoor de verdachte en [medeverdachte B] bij vonnissen van heden als medeplegers worden veroordeeld.
De rechtbank stelt voorts vast dat binnen de criminele organisatie sprake was van een zekere rolverdeling. Uit het dossier (onder meer map Z: procesdossier criminele organisatie) blijkt immers dat bij de diverse (pogingen tot) brandstichting(en)/teweegbrengen van (een) ontploffing(en), via veelal Snapchat, uitvoerders, waaronder chauffeurs en degenen die de explosieven plaatsten en aanstaken, voor deze misdrijven werden gezocht door zogenaamde brokers/ronselaars. Daarbij werden de explosieven (VBC’s) aan de uitvoerders ter beschikking gesteld en werd in de meeste gevallen de opdracht gegeven een en ander te filmen. Dat sommige deelnemers aan de criminele organisatie wel eens van rol wisselden omdat ze zich bijvoorbeeld binnen de organisatie opwerkten van uitvoerder tot broker, of omdat zij een dubbelrol vervulden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet meer kan worden gesproken van een zekere rolverdeling.
Voor de rechtbank staat in dit verband vast dat in ieder geval de verdachte, als direct betrokkene bij het in de inleiding genoemde conflict, [medeverdachte A] , en ook [medeverdachte B] , onder meer vanwege zijn contacten met de verdachte en zijn betrokkenheid als medepleger waarvan ook één keer met de verdachte, bij diverse (pogingen tot) brandstichting(en)/teweegbrengen van (een) ontploffing(en), een rol vervulden binnen de criminele organisatie en dat er in ieder geval tussen hen sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.
Oogmerk
De rechtbank is voorts van oordeel dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Daartoe wordt allereerst verwezen naar het in de inleiding beschreven conflict. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het criminele oogmerk van de organisatie voortkomt uit het bestaan van dit conflict. De verdachte en [medeverdachte A] zijn immers beiden betrokken bij het conflict en zijn – zoals hierna wordt overwogen – ook beiden betrokken bij de oprichting van de criminele organisatie. Er is voorts sprake geweest van een groot aantal brandstichtingen en/of ontploffingen dan wel pogingen daartoe bij woningen of panden die in verband kunnen worden gebracht met het conflict. De rechtbank verwijst daarvoor naar het in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen overzicht van deze feiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het criminele oogmerk van de organisatie ook daadwerkelijk verwezenlijkt.
De verdachte als deelnemer aan de organisatie
Hoewel het de verdachte blijkens de tenlastelegging niet wordt verweten dat hij oprichter en/of leider van de criminele organisatie is, is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen hiervoor onder ‘bestaan criminele organisatie’ is overwogen, blijkt dat de verdachte ook een rol heeft gehad bij de oprichting van de criminele organisatie. De verdachte en [medeverdachte A] hebben immers contact met elkaar over ‘ [bijnaam] ’ ( [medeverdachte B] ) en wat [medeverdachte B] voor de verdachte en [medeverdachte A] kan betekenen. De rechtbank duidt deze contacten dan ook in het licht van de oprichting van deze organisatie, waarbij [medeverdachte A] , samen met de verdachte, [medeverdachte B] heeft geworven om een bijdrage te leveren aan het oogmerk van de criminele organisatie.
De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat bewezen verklaard kan worden dat de verdachte als medepleger, in ieder geval samen met [medeverdachte B] , betrokken was bij één brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing bij een adres dat in verband kan worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Daar komt nog eens bij dat ten aanzien van de verdachte ook bewezen is verklaard dat hij zich in relatie tot dit feit schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het crimineel uitbuiten van een minderjarige uitvoerder van dit feit.
Conclusie
Door dit beschreven handelen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de verwezenlijking van het hiervoor weergegeven oogmerk van de criminele organisatie en dat zijn opzet daar ook op was gericht. De rechtbank merkt de verdachte dan ook aan als deelnemer aan deze criminele organisatie zoals tenlastegelegd.