Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6792

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
12163851 \ KG EXPL 26-58
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen eisers inzake dwangsommen burengeschil en bewijsverzuim

In deze zaak tussen buren over de verwijdering van camera’s en de verbeurde dwangsommen, vorderden eisers in kort geding dat zij niet gehouden zouden zijn tot betaling van de dwangsommen, dan wel dat deze gematigd zouden worden of dat incassomaatregelen verboden zouden worden.

De kantonrechter oordeelde dat hoewel de camera’s tijdig waren verwijderd, het bewijs daarvan niet tijdig aan gedaagden was geleverd door een fout van de advocaat van eisers. Dit leidde tot het verbeuren van dwangsommen. De primaire vordering werd daarom afgewezen.

Subsidiair werd geen matiging van de dwangsommen toegewezen omdat geen sprake was van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Ook was er geen sprake van onrechtmatigheid of misbruik van recht door gedaagden bij het incasseren van de dwangsommen.

De vordering tot het verbieden van incassomaatregelen werd eveneens afgewezen. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter J. Blokland en op 3 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van eisers worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12163851 \ KG EXPL 26-58
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

te [plaats] , [gemeente] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. M. Zwennes,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

te [plaats] , [gemeente] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. J.P. Groen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 april 2026, met producties 1-5;
- de producties 1-15 van [gedaagden] ;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Groen heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. Tussen hen zijn diverse geschillen ontstaan, onder meer over de loop van de erfgrens, de erfafscheiding en de aanwezigheid van camera’s.
2.2.
Bij vonnis van 21 mei 2025 is [eisers] in reconventie onder 4.8 onder meer veroordeeld “
om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de in rechtsoverweging 3.27 bedoelde camera’s te verwijderen en deze verwijderd te houden en bepaalt dat [eisers] hiervan binnen die termijn schriftelijk bewijs aan [gedaagden] levert door het verstrekken van foto’s van de plek waar de betreffende camera’s waren bevestigd, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagden] (de kantonrechter begrijpt: [eisers] ) hiermee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,”.
2.3.
[gedaagden] heeft het vonnis van 21 mei 2025 op 8 juli 2025 laten betekenen aan [eisers] , waarbij de termijn om aan het vonnis te voldoen zou verstrijken op 22 juli 2025. Op 18 september 2025 heeft [gedaagden] de verschuldigdheid van de € 10.000,- aan dwangsommen aan [eisers] aangezegd.
2.4.
Op 16 januari 2026 heeft [gedaagden] onder andere aan [eisers] medegedeeld dat hij het recht op nakoming van de veroordeling en op betaling van de volgens hem verbeurde dwangsommen onverkort zou handhaven en heeft [gedaagden] [eisers] verzocht (na verrekening) een bedrag van € 8.174,03 aan [gedaagden] te betalen.
2.5.
Tegen het vonnis van 21 mei 2025 is tijdig beroep ingesteld. De procedure in hoger beroep loopt nog. Een door het gerechtshof geëntameerd mediationtraject is niet geslaagd.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding:
primair:
I. verklaart dat voorshands niet is gebleken dat [eisers] dwangsommen verschuldigd is geworden;
subsidiair:
II. de dwangsommen matigt naar € 0,-;
primair en subsidiair:
III. [gedaagden] verbiedt om verdere incasso- en/of stuitingsmaatregelen te nemen, en/of te verrekenen, m.b.t. deze dwangsommen, tot hierover onherroepelijk is beslist, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- bij overtreding van dit verbod.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] heeft voor betekening van het vonnis van 21 mei 2025 de camera’s verwijderd waartoe hij was veroordeeld en heeft daar foto’s van gemaakt en deze zijn op 3 juni 2025 doorgestuurd naar [gedaagden] . Later heeft [eisers] om hem moverende redenen de camera’s weer opgehangen en nog weer later weggehaald. Van dit laatste weghalen heeft [eisers] tijdig foto’s gestuurd naar zijn advocaat. De advocaat meende echter dat deze foto’s al eerder waren doorgestuurd en heeft nagelaten deze tweede set foto’s door te sturen naar de wederpartij, vóór 23 juli 2025 (het laatste moment waarop [eisers] aan [gedaagden] diende te bewijzen dat de camera’s verwijderd waren). De camera’s waren dus voor de uiterste datum van 23 juli 2025 verwijderd en dit was voor [gedaagden] zichtbaar vanuit zijn eigen tuin. Er is niet op 23 juli 2025 of kort daarna door [gedaagden] gesteld dat er niet zou zijn voldaan aan het vonnis en dat de dwangsommen waren gaan lopen. Nu de camera’s tijdig waren verwijderd en alleen door een misverstand de foto’s daarvan niet bij [gedaagden] terecht zijn gekomen, zijn geen dwangsommen verschuldigd geworden.
Daarnaast is [eisers] van mening dat het laten “vollopen” van dwangsommen - zonder enig bericht aan de wederpartij - terwijl [gedaagden] wist, althans kon weten, dat de bedoelde camera’s waren verwijderd, onbetamelijk is en derhalve onrechtmatig, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover de dwangsommen verbeurd zouden zijn, dienen deze dan ook gematigd te worden naar € 0,- en/of moet het [gedaagden] worden verboden incassomaatregelen te nemen met betrekking tot deze dwangsommen en/of deze te verrekenen.
3.3.
[gedaagden] voert samengevat het volgende verweer. [eisers] heeft erkend dat het verbod is overtreden; bewijs van de verwijdering van de camera’s dat volgens [eisers] zou hebben plaatsgevonden, is niet tijdig aan [gedaagden] toegezonden. [eisers] heeft de camera’s om hem moverende redenen weer opgehangen, nadat hij ze aanvankelijk had verwijderd. Bewijs van de stelling van [eisers] dat verwijdering (opnieuw) zou hebben plaatsgevonden, ontbreekt. In dit kort geding kan er niet vanuit worden gegaan dat [eisers] de camera’s tijdig heeft verwijderd en om die reden heeft [eisers] de dwangsommen verbeurd. De voorwaarde dat [eisers] bewijs aan [gedaagden] moe(s)t toezenden ingevolge het vonnis van 21 mei 2025, is nu eenmaal bedoeld om discussie over de vraag of en wanneer de camera’s zijn weggehaald, te voorkomen. Daar komt bij dat de primaire vordering in kort geding niet kan worden toegewezen en dat er voor [eisers] geen blijvende, tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid is of was om aan de veroordeling te voldoen (artikel 611d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Daardoor is voor matiging geen aanleiding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang heeft. Gelet op de gestelde verbeurde dwangsommen en het bericht van [gedaagden] op 16 januari 2026 dat hij bij het uitblijven van betaling en na aankondiging eventueel executiemaatregelen zal gaan treffen, is de kantonrechter van oordeel dat [eisers] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. [gedaagden] heeft het spoedeisend belang bovendien niet betwist.
Toetsingskader kort geding
4.2.
De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Wel dwangsommen verschuldigd
4.3.
[eisers] stelt dat de camera’s op tijd verwijderd waren (vóór 23 juli 2025) en dat dit zichtbaar was voor [gedaagden] . Aangezien enkel door een misverstand de foto’s daarvan niet bij [gedaagden] zijn terechtgekomen, is [eisers] geen dwangsommen verschuldigd geraakt en vordert [eisers] dat de kantonrechter voorshands verklaart dat niet is gebleken dat [eisers] dwangsommen verschuldigd is geworden.
4.4.
De kantonrechter wijst de primaire vordering van [eisers] af. Onderdeel van de veroordeling in het vonnis van 21 mei 2025 was niet alleen het verwijderen van de bewuste camera’s, maar ook het leveren van bewijs van verwijdering binnen de gestelde termijn. Vast staat dat de foto’s van de verwijderde camera’s niet op tijd terechtgekomen zijn bij [gedaagden] , door een fout van de advocaat van [eisers] . Dit hebben [eisers] en zijn advocaat zelf erkend. Daarmee is juist wél gebleken dat [eisers] niet op tijd bewijs heeft verstrekt van de verwijdering en is [eisers] de dwangsommen verschuldigd geraakt. Dat hij niet tijdig heeft voldaan aan het leveren van bewijs van verwijdering van de camera’s komt voor rekening en risico van [eisers] . De primaire vordering zal dan ook worden afgewezen.
Geen matiging van de dwangsommen
4.5.
Subsidiair heeft [eisers] gevorderd de dwangsommen te matigen naar € 0,-. Volgens [eisers] is het laten “vollopen” van de dwangsommen, terwijl [gedaagden] wist of kon weten dat de camera’s waren verwijderd, onbetamelijk en onrechtmatig, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
4.6.
Ingevolge artikel 611d lid 1 Rv kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (hierna: de dwangsomrechter) de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De beoordeling in het kader van een vordering op de voet van art. 611d lid 1 Rv ziet dus op de gevallen dat sprake is van een onmogelijkheid om aan een nog niet uitgevoerde hoofdveroordeling te voldoen. Buiten het geval van onmogelijkheid zoals bedoeld in art. 611d Rv kan de dwangsom niet worden opgeschort, opgeheven of verminderd. De rechter moet terughoudend zijn met de toepassing van artikel 611d. Deze procedure mag niet worden gebruikt als verkapt hoger beroep.
4.7.
Zoals hiervoor al is geoordeeld, zijn de dwangsommen die [eisers] boven het hoofd hingen, vorig jaar al “volgelopen”. Alleen al daaruit leidt de kantonrechter af dat er voor matiging geen gronden (meer) bestaan. Voor zover [eisers] heeft bedoeld te stellen dat er sprake is van “onmogelijkheid” om aan de hoofdveroordeling te voldoen, wijst de kantonrechter erop dat de camera’s op enig moment door [eisers] zijn verwijderd. [eisers] heeft in die zin de onmogelijkheid onvoldoende onderbouwd. Verder zijn de bewijsstukken van de verwijdering (foto’s) door een vergissing van de advocaat van [eisers] niet doorgestuurd naar [gedaagden] . Deze fout komt, zoals reeds gezegd, voor rekening en risico van [eisers] . Van een onmogelijkheid voor [eisers] (in de zin dat al het mogelijke is gedaan en kon worden verwacht) om aan de veroordeling te voldoen, is niet gebleken. Er is dan ook geen grond voor matiging van de dwangsommen.
4.8.
Ook is geen sprake van onrechtmatigheid of strijdigheid met redelijkheid en billijkheid (de kantonrechter begrijpt hier: misbruik van recht) doordat [gedaagden] aanspraak maakt op de verbeurde dwangsommen. [eisers] heeft hiervoor onvoldoende aangevoerd. Het vonnis van 21 mei 2025 was voor beide partijen helder en gaf [gedaagden] een titel om ervoor te zorgen dat [eisers] de bedoelde camera’s zou verwijderen en daarvan bewijsstukken zou aanleveren. [gedaagden] heeft terecht aangevoerd dat de foto’s van de verwijderde camera’s niet - op tijd - zijn aangeleverd (zoals ook volgt uit het exploot van 18 september 2025), dus is niet vast komen te staan dat de camera’s ook daadwerkelijk op tijd weg waren en/of zijn. De dwangsommen zijn dan ook verbeurd en mogen worden geïncasseerd door [gedaagden] . [eisers] heeft er zelf voor gekozen om na het weghalen van de camera’s, deze weer opnieuw op te hangen. De mogelijke vergissing die dat heeft opgeleverd bij de advocaat van [eisers] , kan er niet toe leiden dat [gedaagden] misbruik van recht maakt door de dwangsommen aan te zeggen. [gedaagden] staat hier namelijk buiten.
4.9.
De conclusie is dan ook dat de subsidiaire vordering van [eisers] zal worden afgewezen.
Geen verbod
4.10.
Gelet op het voorgaande, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de vordering onder III. toe te wijzen. [gedaagden] maakt geen misbruik van recht door de verbeurde dwangsommen te innen en er is onvoldoende aangevoerd als gevolg waarvan het hem verboden zou moeten worden om verdere incasso- en/of stuitingsmaatregelen te nemen, en/of te verrekenen met betrekking tot deze dwangsommen. De kantonrechter zal die vordering ook afwijzen.
Proceskosten
4.11.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.