Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 22 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
2.De feiten
- uitkraging kelderwand volgens het detail op tekeningnummer T08 op tekening [naam] 2-3-2022 (versie C) eventueel opvangen met gegalvaniseerd stalen hoeklijn.
- hoogteverschil vloer boven kelder en vloer kruipruimte is ontstaan door achterwege blijven ‘neus’ op de kelderwand (zie bovengenoemd tekeningnummer). Dit is op te lossen door extra dikke laag dekvloer evt met extra isolatie.
- De stalen onderslag balken zijn niet onder de vloer gelegd. Afgesproken is om met de constructeur een eventueel alternatief (bv stalen kolommen vastklikken in de fundering met chemische ankers) te onderzoeken.’
3.Het geschil
- de nok op de kelderwand niet heeft uitgevoerd, waardoor de vloer boven de kelder 15 cm lager ligt dan de rest van de vloer,
- de onderslagbalken voor de stalen constructie niet heeft aangebracht,
- de stalen hoekbalk voor de stalen constructie aan de oostzijde van de kelder niet heeft aangebracht.
4.De beoordeling
voordatde tekening van de vloerenleverancier op 11 januari 2024 aan [gedaagde] en zijn constructeur is toegestuurd. Op die tekening is door de vloerenleverancier onmiskenbaar en expliciet benadrukt dat de vloer boven de kelder lager komt te liggen dan de rest van de begane grond vloer. De constructeur heeft namens [gedaagde] desgevraagd akkoord gegeven op die tekening. [gedaagde] heeft – niet onbegrijpelijk – gesteld dat hij ervan uitging dat de vloer boven de kelder nog zou worden opgehoogd. Echter, gelet op het feit dat er namens hem akkoord is gegeven op de tekening waarop uitdrukkelijk is vermeld dat de aan te brengen vloer lager zal zijn dan de rest van de vloer, maakt dat [eiser] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat partijen het hierover eens waren en zij de vloer dus niet hoefde op te hogen. Ook het hoogteverschil in de vloer levert daarom geen tekortkoming op.