Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6789

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/11889127
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 6:230l BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering aannemer tot betaling restant aanneemsom wegens niet vastgestelde tekortkoming

In deze zaak vordert een aannemer betaling van het restant van de aanneemsom voor werkzaamheden aan een kelder en begane grondvloer van een nog te bouwen woning. De consument heeft betaling geweigerd wegens vermeende tekortkomingen in de uitvoering.

De kantonrechter beoordeelt de overeenkomst en stelt vast dat de aannemer niet gehouden was tot het uitvoeren van de door de consument genoemde aanvullende werkzaamheden, zoals het plaatsen van onderslagbalken en een hoeklijn. Ook het hoogteverschil in de vloer levert geen tekortkoming op, omdat de consument namens zijn constructeur akkoord heeft gegeven op tekeningen waarin dit verschil expliciet werd vermeld.

De vordering van de aannemer wordt daarom toegewezen, inclusief contractuele rente, maar de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens een ongeldige aanmaning. De tegenvordering van de consument wordt afgewezen. De kantonrechter wijst tevens op de naleving van precontractuele informatieplichten en toetst de toepasselijke algemene voorwaarden, die niet oneerlijk worden bevonden.

Uitkomst: De vordering van de aannemer tot betaling van het restant van de aanneemsom wordt toegewezen omdat niet is vastgesteld dat de aannemer tekort is geschoten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11889127 \ CV EXPL 25-3334/MdV
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.C.J. Hanrath,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: T.L.M van der Heijden (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.)
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een aannemer betaling van facturen voor het realiseren van een kelder en begane grond vloer voor de nog te bouwen woning van een consument. De consument heeft de facturen niet betaald, omdat de aannemer niet alle overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd. De kantonrechter wijst de vordering echter toe, omdat niet vast is komen te staan dat de aannemer tekort is geschoten in zijn verplichtingen. De door de consument gestelde geleden schade komt daardoor niet voor verrekening in aanmerking. Ook de door de consument voorwaardelijk ingestelde eis in reconventie is om diezelfde reden niet toewijsbaar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 12 september 2015
- de conclusie van antwoord met daarin een eis in reconventie van [gedaagde]
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 22 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 14 oktober 2021 heeft [eiser] , naar aanleiding van een aanvraag door [gedaagde] en een gesprek op het kantoor van [eiser] , een offerte aan [gedaagde] toegestuurd voor het realiseren van een kelder, keldervloer en een begane grondvloer voor nog te bouwen woning van [gedaagde] .
2.2.
Deze offerte heeft geresulteerd in een overeenkomst van aanneming van werk, welke op 24 november 2021 door [gedaagde] voor akkoord is ondertekend. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van Aanneming van werk (AVA 2013 herzien in december 2014) van toepassing verklaard.
2.3.
Door omstandigheden aan de kant van [gedaagde] is er niet direct gestart met de werkzaamheden, maar op 6 oktober 2023 stuurt [gedaagde] [eiser] een e-mail waarin hij aangeeft dat de financiering rond is en dat er gestart kan worden met het uitvoeren van de werkzaamheden. In deze e-mail geeft [gedaagde] het volgende aan.
‘(werkzaamheden conform de tekeningen van de constructeur van 2/3/2022 versie C)’
Verder maken partijen een nieuwe prijsafspraak, omdat de prijzen na het sluiten van de overeenkomst zijn gestegen. Zij komen overeen dat [eiser] de werkzaamheden zal verrichten voor een totaalbedrag van € 114.950,00 inclusief btw,
2.4.
Op 11 januari 2024 stuurt [eiser] vervolgens onder andere tekeningen van de leverancier die de vloer zal leveren aan [gedaagde] en zijn constructeur toe. Op deze tekening heeft de leverancier als opmerking vermeld dat er, na het plaatsen van de vloerdelen, een hoogteverschil zal ontstaan tussen de vloer boven de kelder en de rest van de begane grond vloer. Op 19 januari 2024 laat de constructeur van [gedaagde] [eiser] weten de stukken te hebben gecontroleerd en dat deze akkoord zijn. [eiser] start vervolgens met het uitvoeren van de werkzaamheden.
2.5.
Op 14 april 2024 stuurt [gedaagde] [eiser] een e-mail waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen.
‘Donderdagavond aangekomen in [plaats 2] en was verrast door de aanblik van de vloer. Het viel me op dat het deel van de vloer boven de kelder lager ligt dan de rest. Dat is niet de bedoeling.
Voor zover ik kan zien is het hoogteverschil te wijten aan het ontbreken van een verhoging op de keldermuur.
Ook viel mij op stalen hoeklijn aan de oostzijde van de kelderwand niet is gemonteerd. Wellicht dat jullie dat alsnog gaan doen, maar omdat alle spullen inmiddels weg zijn twijfel ik daar aan.’
2.6.
Vervolgens vindt er op 6 mei 2024 een gesprek plaats tussen partijen. Naar aanleiding van dat gesprek stuurt [gedaagde] [eiser] op 7 mei 2024 een e-mail waarin het volgende is opgenomen.
‘Hierbij even hetgeen we besproken hebben:
  • uitkraging kelderwand volgens het detail op tekeningnummer T08 op tekening [naam] 2-3-2022 (versie C) eventueel opvangen met gegalvaniseerd stalen hoeklijn.
  • hoogteverschil vloer boven kelder en vloer kruipruimte is ontstaan door achterwege blijven ‘neus’ op de kelderwand (zie bovengenoemd tekeningnummer). Dit is op te lossen door extra dikke laag dekvloer evt met extra isolatie.
  • De stalen onderslag balken zijn niet onder de vloer gelegd. Afgesproken is om met de constructeur een eventueel alternatief (bv stalen kolommen vastklikken in de fundering met chemische ankers) te onderzoeken.’
2.7.
[eiser] stuurt op 7 mei 2024 een e-mail aan de constructeur waarin zij aangeeft dat haar werk erop zit, maar dat de ligger die in het constructief ontwerp is opgenomen nog niet is geplaatst en dat er gekeken moet worden naar opties om dit te ondervangen.
2.8.
De door [eiser] op 12 april en 17 mei 2024 aan [gedaagde] gestuurde facturen voor het restant van de aanneemsom worden door [gedaagde] , ondanks aanmaning daartoe gedeeltelijk onbetaald gelaten.
2.9.
Op 5 oktober 2024 laat [gedaagde] [eiser] weten dat de werkzaamheden niet correct zijn uitgevoerd en dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden. [gedaagde] stelt voor deze schade te verrekenen met het bedrag dat hij [eiser] nog moet betalen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.915,07, te vermeerderen met € 2.071,69 aan contractuele rente, € 1.455,76 aan buitengerechtelijke incassokosten, de proces- en nakosten en de verdere rente over deze bedragen.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht. Ondanks dat heeft [gedaagde] de laatste twee termijnfacturen van de aanneemsom zonder geldige reden onbetaald gelaten. [gedaagde] moet deze facturen, verminderd met het bedrag dat hij inmiddels heeft betaald, daarom alsnog betalen. Ook is [gedaagde] vanwege het uitblijven van betaling de contractueel overeengekomen rente en een vergoeding voor de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij zijn betalingsverplichting heeft opgeschort, omdat [eiser] tekort is geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [gedaagde] verwijt [eiser] dat zij, tegen de gemaakte afspraken in:
  • de nok op de kelderwand niet heeft uitgevoerd, waardoor de vloer boven de kelder 15 cm lager ligt dan de rest van de vloer,
  • de onderslagbalken voor de stalen constructie niet heeft aangebracht,
  • de stalen hoekbalk voor de stalen constructie aan de oostzijde van de kelder niet heeft aangebracht.
[gedaagde] voert aan dat hij deze tekortkomingen direct na de oplevering aan [eiser] heeft gemeld, maar dat [eiser] niet tot herstel is overgegaan. Als gevolg van het tekortschieten door [eiser] heeft [gedaagde] schade geleden. Deze schade bestaat volgens [gedaagde] uit kosten die hij heeft moeten maken om de werkzaamheden die [eiser] niet heeft verricht alsnog uit te laten voeren door een derde, ad € 8.988,08. Daarnaast heeft [gedaagde] vertragingsschade geleden van in totaal € 15.590,11. [gedaagde] doet een beroep op verrekening van de door hem geleden schade met de vordering van [eiser] , waardoor [eiser] niets meer van hem te vorderen heeft.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
Voor het geval er wordt geoordeeld dat de vordering van [gedaagde] niet voor verrekening in aanmerking komt, vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van € 24.578,19, vermeerderd met rente en de proceskosten.
3.5.
[eiser] betwist de vordering van [gedaagde] en voert aan dat de werkzaamheden die [eiser] volgens [gedaagde] niet heeft verricht geen onderdeel uitmaakten van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [eiser] hoefde deze werkzaamheden dan ook niet uit te voeren en van tekort schieten is daardoor geen sprake. Omdat [eiser] niet tekort is geschoten is zij ook niet aansprakelijk voor de door [gedaagde] gestelde geleden schade.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Vast staat dat [gedaagde] de laatste twee termijnfacturen van de aanneemsom niet aan [eiser] heeft betaald. Aangezien [gedaagde] de hoogte van de facturen niet heeft betwist, moet hij deze in beginsel betalen, tenzij zijn verweer slaagt.
4.2.
Volgens [gedaagde] is [eiser] tekort geschoten in zijn verplichtingen, doordat zij bepaalde werkzaamheden die zij wel had moeten verrichten niet heeft uitgevoerd. [eiser] betwist dat zij tekort is geschoten, omdat de werkzaamheden waar het om gaat volgens haar geen onderdeel uitmaken van de tussen partijen gesloten overeenkomst.
4.3.
Om vast te kunnen stellen of [eiser] tekort is geschoten zal de kantonrechter allereerst moeten beoordelen wat partijen zijn overeengekomen. Voor die beoordeling is niet alleen de tekst van de overeenkomst van belang, maar ook de betekenis die partijen in dat kader over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij in dat kader redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zal de kantonrechter een onderscheid maken tussen enerzijds de onderslagbalken en de hoeklijn en anderzijds het hoogteverschil in de vloer.
Onderslagbalken en hoeklijn
4.4.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) de bewijslast op de partij rust die zich op een bepaald rechtsgevolg van gestelde feiten beroept als die feiten worden betwist. In dit geval stelt [gedaagde] dat [eiser] tekort is geschoten door geen onderslagbalken en geen hoeklijn aan te brengen terwijl zij dat wel had moeten doen. Het is dus aan [gedaagde] , die zich op de rechtsgevolgen van die tekortkoming beroept, om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het plaatsen van onderslagbalken en een hoeklijn wel deel uitmaakten van de tussen partijen gesloten overeenkomst, omdat [eiser] dat betwist.
4.5.
Niet betwist is dat in de offerte en overeenkomst uit 2021 niets is opgenomen over het plaatsen van onderslagbalken en een hoeklijn en dat deze werkzaamheden ook niet door [eiser] zijn gefactureerd. Uit deze stukken volgt dan ook niet dat [eiser] gehouden was deze werkzaamheden uit te voeren. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat deze stukken niet leidend zijn, omdat partijen later een nieuwe overeenkomst hebben gesloten, waarbij [gedaagde] expliciet heeft aangegeven dat er gebouwd moest worden conform tekening C. De stelling dat partijen in 2023 een hele nieuwe overeenkomst hebben gesloten volgt de kantonrechter niet. Partijen hebben in 2023 weliswaar een nieuwe prijsafspraak gemaakt en [gedaagde] heeft daarbij aangegeven dat de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd volgens ‘tekening C’, maar omdat de inhoud van de werkzaamheden niet wezenlijk anders werd moeten deze afspraken slechts gezien worden als een wijziging/aanvulling van de in 2021 tussen partijen gesloten overeenkomst. Voor de vraag wat partijen zijn overeengekomen is de overeenkomst uit 2021 dus wel degelijk van belang. Bovendien wil het feit dat op tekening C de onderslagbalken en de hoeklijn zijn ingetekend niet zeggen dat het op de weg van [eiser] lag om deze aan te brengen. [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter namelijk terecht aangevoerd dat de tekeningen zagen op de hele woning die nog gebouwd moest worden, terwijl de opdracht van [eiser] beperkt was tot het maken van de kelder en de vloer voor de begane grond. Dit heeft logischerwijs tot gevolg dat [eiser] niet gehouden was om alle dingen die op de tekening stonden uit te voeren. Ook de omstandigheid dat [eiser] na het gesprek met [gedaagde] op 6 mei 2024 zelf nog een e-mail heeft gestuurd naar de constructeur met de vraag om te kijken naar andere opties voor de ontbrekende onderslagbalken, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [eiser] de onderslagbalken wel aan had moeten brengen. Daarvoor is meer nodig en zoals hiervoor is overwogen ontbreken verdere aanknopingspunten hiervoor.
4.6.
De conclusie is dus dat [gedaagde] zijn stelling dat het plaatsen van onderslagbalken en een hoeklijn deel uitmaakten van de tussen partijen gesloten overeenkomst onvoldoende concreet heeft gemaakt of onderbouwd. Dit heeft tot gevolg dat niet vast is komen te staan dat [eiser] op dit punt tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.
4.7.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat [eiser] haar had moeten waarschuwen dat het moeilijk zou zijn om de onderslagbalken nog te plaatsen als de vloer eenmaal was gelegd en dat dit ook een tekortkoming oplevert. Dit verweer faalt eveneens. De waarschuwingsplicht van een aannemer gaat niet zover dat hij moet waarschuwen voor zaken waarvoor hij niet aansprakelijks is.
Het hoogteverschil van de vloer
4.8.
Vast staat dat er, nadat [eiser] de werkzaamheden had afgerond, een verschil van 15 cm was tussen de constructievloer boven de kelder en de rest van de begane grond vloer. Ook staat vast dat [gedaagde] [eiser] hier op 22 april 2024 al op had gewezen en dat [eiser] dus had moeten begrijpen dat dit voor [gedaagde] niet wenselijk was.
4.9.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat [eiser] tekort is geschoten heeft [gedaagde] verwezen naar versie C en D van de constructietekeningen. Op deze tekeningen is de door [gedaagde] gewenste verhoging van de vloer te zien. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter voldoende aannemelijk geworden dat zowel versie C als versie D zijn opgesteld
voordatde tekening van de vloerenleverancier op 11 januari 2024 aan [gedaagde] en zijn constructeur is toegestuurd. Op die tekening is door de vloerenleverancier onmiskenbaar en expliciet benadrukt dat de vloer boven de kelder lager komt te liggen dan de rest van de begane grond vloer. De constructeur heeft namens [gedaagde] desgevraagd akkoord gegeven op die tekening. [gedaagde] heeft – niet onbegrijpelijk – gesteld dat hij ervan uitging dat de vloer boven de kelder nog zou worden opgehoogd. Echter, gelet op het feit dat er namens hem akkoord is gegeven op de tekening waarop uitdrukkelijk is vermeld dat de aan te brengen vloer lager zal zijn dan de rest van de vloer, maakt dat [eiser] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat partijen het hierover eens waren en zij de vloer dus niet hoefde op te hogen. Ook het hoogteverschil in de vloer levert daarom geen tekortkoming op.
Conclusie
4.10.
Doordat niet vast is komen te staan dat [eiser] tekort is geschoten, is zij niet aansprakelijk voor de schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden. Het door [gedaagde] gedane beroep op verrekening faalt daardoor en dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] in beginsel gehouden is de vordering van [eiser] te betalen.
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
4.11.
Omdat de vordering van [eiser] echter voortvloeit uit een tussen een handelaar en een consument gesloten overeenkomst, moet bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet in beginsel gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd door de handelaar. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
4.12.
Strikt genomen heeft [eiser] in de dagvaarding onvoldoende gesteld en onderbouwd hoe de overeenkomst met [gedaagde] tot stand is gekomen en of zij daarbij heeft gedaan aan de op haar rustende informatieplichten. Hoewel het in beginsel niet aan de kantonrechter is om zelf in producties opzoek te gaan naar deze informatie, heeft de kantonrechter dat bij wijze van uitzondering in dit geval wel gedaan. Uit de overgelegde offerte maakt de kantonrechter op dat de offerte tot stand is gekomen nadat partijen daarover hadden gesproken op het kantoor van [eiser] . Er is daarom sprake van een overeenkomst anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de inhoud van de overgelegde offerte en de daarop volgende overeenkomt leidt de kantonrechter af dat [eiser] heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten.
14.13.
De kantonrechter wijst [eiser] er wel op dat zij in eventuele vervolgzaken zich in de dagvaarding al uit dient te laten over de wijze van de totstandkoming van de overeenkomst en of daarbij is voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen.
4.14.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest , ook gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
4.15.
Op de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van Aanneming van werk (AVA 2013 herzien in december 2014) van toepassing verklaard. Bij de dagvaarding heeft [eiser] echter alleen een leesbare versie van de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk voor Zakelijke opdrachtgevers 2023 gevoegd. Op de zitting heeft [eiser] erkent dat dat niet de juiste algemene voorwaarden zijn en heeft zij aangeboden om alsnog de juiste algemene voorwaarden te overleggen. Uit praktisch oogpunt heeft de kantonrechter na de zitting echter zelf de juiste algemene voorwaarden opgezocht.
4.16.
De bedingen uit de algemene voorwaarden die verband houden met de vordering, te weten de artikelen 11. 1 en 11.2., zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
4.17.
De door [eiser] gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen. Omdat [gedaagde] de facturen van [eiser] niet tijdig heeft voldaan, is hij tevens de door [eiser] gevorderde contractuele rente verschuldigd. [gedaagde] heeft de door [eiser] overgelegde renteberekeningen niet weersproken. De rente zal daarom worden toegewezen zoals gevorderd.
4.18.
[eiser] heeft verder aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de aanmaning die [eiser] op 29 oktober 2024 niet voldoet aan de eisen uit artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In deze aanmaning zijn de incassokosten immers al opgenomen, waardoor er geen sprake is van een kosteloze aanmaning zoals bedoeld in voornoemd artikel.
4.19.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.589,21
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In voorwaardelijke reconventie
4.21.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de voorwaardelijke tegenvordering ook niet voor toewijzing in aanmerking.
4.22.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
(1 punt × € 577,00)
Totaal
577,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.915,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vermeerderd met 2% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.589,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.