Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6613

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
11350325 \ CV EXPL 24-2724
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWRichtlijn 93/13/EEGECLI:NL:HR:2021:1677ECLI:EU:C:2021:68
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering na ambtshalve toetsing precontractuele informatie en algemene voorwaarden

De zaak betreft een civiele procedure tussen een handelaar en een consument over een vordering voortvloeiend uit een overeenkomst waarop algemene voorwaarden van toepassing zijn. De gedaagde partij is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter heeft ambtshalve onderzocht of de eisende partij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten zoals voorgeschreven in artikel 6:230l BW. Uit de door de eisende partij overgelegde akte blijkt dat aan deze plichten is voldaan. Tevens is getoetst of de toepasselijke algemene voorwaarden, met name artikel 16, oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG en het Dexia-arrest. Dit beding is niet oneerlijk bevonden.

De eisende partij vordert betaling van een bedrag inclusief wettelijke rente. De kantonrechter wijst de vordering toe, met uitzondering van een deel van de wettelijke rente die niet voldoende is onderbouwd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten, met uitzondering van de kosten voor het opstellen van de akte, die voor rekening van de eisende partij komen.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.

Uitkomst: De vordering wordt grotendeels toegewezen met wettelijke rente vanaf de dagvaarding en veroordeling van de gedaagde tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11350325 \ CV EXPL 24-2724
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde] B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 12 maart 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en hoe zij daarbij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten, de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen uit de algemene voorwaarden die op de vordering van toepassing zijn. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.

2.De verdere beoordeling

Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.1.
Uit de toelichting van de eisende partij in haar akte blijkt dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij in haar akte voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.3.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [2] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden BOVAG autobedrijven koop/reparatie en onderhoud’ van april 2018 (hierna: de algemene voorwaarden).
2.5.
Het beding uit de algemene voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten artikel 16, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.6.
De eisende partij heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij heeft echter niet toegelicht over welke periode deze rente is berekend en waarom. De kantonrechter kan daardoor niet beoordelen of er een grondslag voor deze vordering bestaat. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
2.7.
De vordering wordt voor het overige toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2.8.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 72,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.214,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.056,00 vanaf 30 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 112,99;
griffierecht € 328,00;
salaris gemachtigde € 144,00;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 72,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.4.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).