Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6578

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/15/370443 / HA ZA 25-658
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:136 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van overboekingen tussen ex-samenwoners wegens ongerechtvaardigde verrijking

Partijen, ex-samenwoners met twee minderjarige kinderen, woonden sinds 2020 samen in de woning van de vrouw. De man maakte tussen september 2020 en december 2023 in totaal €187.250 over aan de vrouw, deels uit verkoopopbrengst van zijn appartement. Na beëindiging van de relatie in mei 2024 vordert de man dit bedrag terug, stellende dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt omdat het geld is gebruikt voor aankoop, verbouwing en verduurzaming van de woning die op naam van de vrouw staat.

De vrouw betwist dat het volledige bedrag is besteed aan de woning en voert een verrekenverweer aan wegens haar bijdragen aan huishoudkosten, schulden en autokosten van de man. De rechtbank oordeelt dat €156.000 van de overboekingen onbetwist is besteed aan de woning en dat de vrouw zich hiermee heeft verrijkt ten koste van de man. De overige bedragen zijn onvoldoende onderbouwd als bestemd voor de woning en hoeven niet te worden terugbetaald.

Het verrekenverweer faalt omdat de vrouw haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en de gegrondheid van haar vorderingen niet eenvoudig kan worden vastgesteld. De rechtbank wijst de vordering van de man toe tot betaling van €156.000 plus wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: De vrouw moet €156.000 terugbetalen aan de man met wettelijke rente, het overige wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370443 / HA ZA 25-658
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[de man],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.E. Muller,
tegen
[de vrouw],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P. Wieringa.
De zaak in het kort
Partijen zijn in 2020 met elkaar gaan samenwonen in de toenmalige woning van de vrouw. In de periode september 2020 - juli 2021 is een bedrag van in totaal € 11.000,- aan huurinkomsten uit het toenmalige appartement van de man overgemaakt aan de vrouw. In 2023 zijn partijen met hun kinderen verhuisd naar een grotere woning. Die woning is geleverd aan de vrouw en staat dus op haar naam. De man heeft in februari en maart 2023 (na verkoop van zijn appartement eind 2022) een bedrag van in totaal € 156.000,- overgemaakt aan de vrouw. In de periode maart – december 2023 heeft de man nog een bedrag van in totaal € 20.250,- overgemaakt aan de vrouw. De relatie van partijen is in mei 2024 geëindigd. De man vordert in deze procedure een bedrag van € 187.250,- terug van de vrouw. Volgens de man is dit (door hem aan de vrouw betaalde) bedrag aangewend voor de aankoop, verbouwing en verduurzaming van de woning van de vrouw. Na het uiteengaan van partijen heeft de vrouw een grote, verbouwde, verduurzaamde woning en heeft de man niets. De vrouw is daarom volgens de man ongerechtvaardigd verrijkt, althans heeft de man de bedragen onverschuldigd aan de vrouw betaald, althans is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw de bedragen behoudt, aldus de man. De vrouw voert verweer. Zij betwist dat het volledige door de man gevorderde bedrag is besteed aan de aankoop, verbouwing en verduurzaming van de nieuwe woning. Verder beroept de vrouw zich op verrekening, omdat de man volgens haar verplicht was bij te dragen in de kosten van de huishouding, hetgeen hij volgens de vrouw onvoldoende heeft gedaan. Ook stelt de vrouw dat zij schulden van de man en de auto waarin hij reed heeft betaald. Ook die bedragen wenst zij te verrekenen met een eventuele vordering van de man op haar.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw een bedrag van € 156.000,- aan de man moet betalen, omdat de rechtbank op basis van de stukken en hetgeen over en weer is gesteld vaststelt dat dit bedrag is besteed aan de koop, verbouwing en verduurzaming van de woning die geheel in eigendom aan de vrouw toebehoort, zodat de vrouw, die zich deze kosten heeft kunnen besparen, voor dit bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt. Voor het overige heeft de man onvoldoende onderbouwd dat het geld voor de koop, verbouwing en verduurzaming van de nieuwe woning is aangewend. Het verrekenverweer van de vrouw slaagt niet, deels omdat de vrouw haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en deels omdat niet eenvoudig valt vast te stellen dat dit verweer gegrond is.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 januari 2026
- de akte met producties 28 t/m 32 van de man
- de aanvullende producties 5 t/m 8 van de vrouw
- de aanvullende producties 9 t/m 13 van de vrouw
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden
- de pleitnota van mr. Muller namens de man
- de notities mondelinge behandeling van mr. Wieringa namens de vrouw
- het proces-verbaal van gedeeltelijke schikking van 16 maart 2026
- de akte van uitlating van de man van 1 april 2026, met daarin een vermindering van eis zodat op de vorderingen in de dagvaarding onder III en IV niet meer hoeft te worden beslist
- de akte van uitlating van de man van 15 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samen twee nu nog minderjarige kinderen.
2.2.
Op enig moment is budgetcoach [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) de financiën van de man gaan beheren.
2.3.
In maart 2020 zijn partijen gaan samenwonen in de koopwoning van de vrouw gelegen aan het [adres 1] in [plaats 3] (hierna: [adres 1]). Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.4.
Nadat partijen zijn gaan samenwonen is het koopappartement van de man gelegen aan [adres 2] in [plaats 1] (hierna: [adres 2]) aan een derde verhuurd. In de periode september 2020 – juli 2021 zijn de huurinkomsten van [adres 2] overgeboekt naar de rekening van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer] (hierna: de pin-rekening).
2.5.
In 2022 hebben partijen besloten op zoek te gaan naar een grotere woning. Partijen hebben advies ingewonnen over de financiering van een nieuwe woning. De financieel adviseur heeft partijen geadviseerd de nieuwe woning op naam van de vrouw te zetten, de bestaande hypotheek van de vrouw mee te nemen en de aankoop van de nieuwe woning voor het overige te financieren uit eigen middelen uit de verkopen van [adres 1] en [adres 2].
2.6.
Eind 2022 is [adres 2] verkocht en geleverd aan een derde. De notaris heeft aan de man € 194.851,65 (de overwaarde na aftrek van kosten en belasting) overgemaakt. Omdat de man niet zelf over een dusdanig groot bedrag wilde kunnen beschikken heeft hij in januari en februari 2023 een bedrag van in totaal € 180.000,- overgemaakt naar een rekening die beheerd werd door [betrokkene].
2.7.
Op 9 februari 2023 is het bod van partijen van € 435.000,- op de woning gelegen aan de [adres 3] in [plaats 2] (hierna: [adres 3]) geaccepteerd.
2.8.
In februari en maart 2023 heeft [betrokkene] van de door haar beheerde rekening de volgende bedragen overgemaakt naar de privérekening van de man, onder vermelding van de hieronder vermelde omschrijvingen:
- 16 februari 2023 € 48.000,- inzake koop nieuwe woning
- 17 februari 2023 € 45.000,- deel overboeking inzake aanbetaling koophuis
- 20 februari 2023 € 37.000,- restant overboeking voor koopwoning
- 13 maart 2023
€ 39.000,- overboeking inzake aankoop woning
totaal € 169.000,-
2.9.
De man heeft, eveneens in februari en maart 2023, van zijn privérekening de volgende bedragen overgemaakt naar de pin-rekening:
- 16 februari 2023 € 48.000,-
- 17 februari 2023 € 45.000,-
- 20 februari 2023 € 37.000,-
- 13 maart 2023
€ 26.000,-
totaal € 156.000,-
2.10.
Daarnaast heeft de man in de periode maart – december 2023 verschillende bedragen naar de pin-rekening overgemaakt van in totaal € 20.250,-.
2.11.
Op 14 augustus 2023 is [adres 3] aan [de vrouw] geleverd. Na verbouwing en verduurzaming van [adres 3] zijn partijen er in november 2023 met hun kinderen gaan wonen.
2.12.
Op of omstreeks 27 mei 2024 is de relatie van partijen geëindigd en heeft de man [adres 3] verlaten. De man huurt nu een woning in [plaats 1].
2.13.
In een brief van 26 juni 2025 heeft (de advocaat van) de man de vrouw onder meer verzocht tot betaling van (in totaal) € 183.250,- binnen veertien dagen. De vrouw heeft niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert – na vermindering van eis – samengevat:
I. voor recht te verklaren dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt met een bedrag van € 187.250,-, althans dat de man aan de vrouw een bedrag van € 176.250,- onverschuldigd heeft betaald, althans dat aan de man een vergoeding toekomt van € 187.250,- op grond van de redelijkheid en billijkheid;
II. de vrouw te veroordelen tot (terug)betaling aan de man van € 187.250,- te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 183.250,- vanaf 10 juli 2025;
III. De vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aantoonbaar aanzienlijke bedragen aan de vrouw heeft voldaan die besteed zijn aan de aankoop, verbouwing en verduurzaming van [adres 3]. De vrouw heeft nu vanwege de betalingen en inspanningen van de man een volledig verbouwde en verduurzaamde woning in eigendom. De vrouw heeft haar hypotheek niet hoeven verhogen, wat haar een kostenbesparing van € 176.250,- heeft opgeleverd, terwijl de man voor dat bedrag is verarmd. Daarnaast heeft de vrouw zonder instemming van de man de huurinkomsten van [adres 2] van € 11.000,- op haar rekening laten storten waardoor zij met dit bedrag is verrijkt, zonder dat daar een redelijke grond voor was, en de man met dit bedrag is verarmd. Voor zover geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking stelt de man zich op het standpunt dat hij het bedrag van € 176.250,- onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald. De man verkeerde, op basis van het advies van de financieel adviseur die partijen hadden geraadpleegd, in de veronderstelling dat hij mede-eigenaar van [adres 3] zou worden. Kort na de betalingen en inspanningen van de man is de relatie van partijen echter door de vrouw beëindigd en er is geen sprake geweest van eigendomsoverdracht of een andere rechtsgrond die de betalingen rechtvaardigt. Voor zover ook geen sprake is van onverschuldigde betaling betoogt de man dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw het bedrag van € 187.250,- behoudt.
3.3.
De vrouw voert verweer. De huurinkomsten van € 11.000,- zijn niet zonder overleg of instemming aan de vrouw overgemaakt en waren een bijdrage van de man in de kosten van de huishouding. Verder betwist de vrouw dat het bedrag van € 156.000,- dat zij in februari en maart 2023 heeft ontvangen van de man volledig is aangewend voor de aankoop, verbouwing en verduurzaming van [adres 3]; van het aankoopbedrag van [adres 3] is een bedrag van € 120.003,29 afkomstig van de man. Voor het overige is [adres 3] volgens de vrouw gefinancierd met de hypotheek en overwaarde van [adres 1]. Over het overige deel van de bedragen die de man aan de vrouw heeft overgemaakt voert de vrouw aan dat de man weliswaar een lijst heeft overgelegd met verbouwingskosten waaraan hij zou hebben meebetaald, maar dat hij daar geen bewijzen van overlegt. Het bedrag van € 20.250,- (door de man in delen overgemaakt in de periode maart – december 2023) is volgens de vrouw gebruikt voor vakantie, vaste lasten en betaling van schuldeisers van de man. Verder betoogt de vrouw dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de bedragen volledig terug te vorderen, omdat zij met de kinderen van partijen in [adres 3] woont en niet beschikt over eigen middelen om zulke grote bedragen terug te betalen. Toewijzing van de vordering zou betekenen dat zij [adres 3] moet verkopen. Aan de vereisten voor onverschuldigde betaling is volgens de vrouw niet voldaan omdat de man de bedragen met zijn volle verstand heeft overgemaakt. Voor zover de vrouw een schuld aan de man heeft beroept zij zich op verrekening met een bedrag van € 78.905,51. Dit bedrag bestaat uit:
- € 88.500,- voor kosten huishouding maart 2020 – mei 2024;
- € 4.791,00 voor door de vrouw betaalde schulden en verplichtingen van de man;
- € 4.283,90 voor aanschaf en kosten van een auto die de man gebruikte (Seat Ibiza) =
€ 97.574,90 minus € 18.669,39 (salarisbetalingen en huurinkomsten [adres 2]).
3.4.
Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader in.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de vrouw (een gedeelte van) een bedrag van € 187.250,- aan de man moet (terug)betalen. De vrouw betwist niet dat zij dit bedrag heeft ontvangen. Het bedrag is opgebouwd uit de volgende bedragen:
- € 11.000,- aan huurinkomsten van [adres 2] dat de vrouw rechtstreeks op haar rekening heeft ontvangen;
- € 156.000,- dat de man in vier delen aan de vrouw heeft overgemaakt in februari en maart 2023;
- € 20.250,- dat de man in delen aan de vrouw heeft overgemaakt in de periode maart – december 2023.
De rechtbank zal hierna eerst voor ieder van deze bedragen ingaan op de vraag of de vrouw aan de man moet (terug)betalen. Voor zover de rechtbank tot de conclusie komt dat de vrouw aan de man moet (terug)betalen zal de rechtbank ingaan op het beroep dat de vrouw heeft gedaan op de redelijkheid en billijkheid en op het verrekenverweer van de vrouw.
€ 11.000 huurinkomsten hoeft de vrouw niet terug te betalen aan de man
4.2.
Over de huurinkomsten van [adres 2] is de rechtbank van oordeel dat deze niet zonder redelijke grond aan de vrouw zijn betaald en dat deze niet alleen aan de vrouw ten goede zijn gekomen, zodat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling en de vrouw dit bedrag ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de man moet terugbetalen. De rechtbank licht dit toe.
4.3.
De vrouw betwist dat zij zonder overleg of toestemming van de man de huurinkomsten aan zich heeft laten overmaken. Deze huurinkomsten zijn volgens de vrouw gebruikt om de kosten van de gezamenlijke huishouding te betalen. Dit was toen de enige inkomstenbron van de man die daarvoor beschikbaar was. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de vrouw naar een e-mail van [betrokkene] van 13 februari 2020 aan de man en de vrouw waarin staat:
ik heb de inkomsten m.b.t. zijn woning niet meegenomen in het overzicht, volgens mij wordt dit dan “gebruikt” voor jullie gezamenlijke huishouden?
De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, anders dan dat hij zelf ook boodschappen betaalde. De man verwijst daarbij echter naar bankafschrijvingen in 2023, terwijl de huurinkomsten zien op de periode september 2020 - juli 2021. De man heeft het standpunt van de vrouw dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Bovendien blijkt nergens uit dat de man ooit aan [betrokkene] heeft verzocht om de huurinkomsten of heeft geprotesteerd tegen het aanwenden van deze inkomsten voor de kosten van de huishouding. Dit deel van de vordering zal de rechtbank dan ook afwijzen.
De vrouw is verrijkt met een bedrag van € 156.000,- en de man is met dit bedrag verarmd, zodat de vrouw dit bedrag aan de man moet betalen op grond van artikel 6:212 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
4.4.
Wat betref het in vier delen door de man aan de vrouw betaalde bedrag van € 156.000,- is de rechtbank van oordeel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw omdat zij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat dit bedrag is besteed aan de aankoop, verbouwing en verduurzaming van [adres 3], de woning van de vrouw, waar de man inmiddels niet meer woont. Voor dit bedrag zijn de aankoop, verbouwing en verduurzaming van [adres 3] dus voor rekening van de man gekomen, heeft de vrouw zich die uitgaven bespaard terwijl de man met dit bedrag is verarmd. De rechtbank licht dit toe.
4.5.
Ter zitting heeft de vrouw erkend dat van de vier grote overboekingen in februari en maart 2023 een bedrag van € 120.003,29 is aangewend voor de aankoop van [adres 3]. Aangezien de vrouw 100 % eigenaar is van [adres 3] is in ieder geval voor dit bedrag de vrouw verrijkt en de man verarmd. De vrouw heeft zich dit bedrag immers kunnen besparen bij de aankoop van [adres 3].
4.6.
In geschil is dus of en in hoeverre een bedrag van € 35.997,71 (het overige gedeelte van de vier grote overmakingen in februari en maart 2023) is besteed aan verbouwing en verduurzaming van [adres 3], zoals de man heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit bedrag is besteed aan de verbouwing en verduurzaming van [adres 3], zodat ook voor dit bedrag de vrouw (die zich deze kosten heeft kunnen besparen) is verrijkt en de man is verarmd. Hiervoor acht de rechtbank in de eerste plaats redengevend dat alle vier de grote overboekingen door [betrokkene] aan de man een omschrijving hebben die refereert aan de nieuwe woning. De bedragen waren dus ‘gelabeld’ als bestemd voor [adres 3]. Bovendien zijn de bedragen binnen vrij korte tijd overgemaakt. Dit maakt het onaannemelijk dat de bedragen bestemd waren voor een ander doel, zoals reguliere kosten van de huishouding. Niet betwist is bovendien dat [adres 3] daarna, in de periode augustus 2023 – januari 2024 ingrijpend is verbouwd en verduurzaamd. Het had op de weg van de vrouw gelegen, die de administratie voerde en de bankrekeningen beheerde, concreet aan te tonen waar dit geld aan is besteed en dat zij de verbouwing en verduurzaming geheel met eigen geld heeft gefinancierd. Dit heeft zij niet gedaan. Ter zitting heeft zij desgevraagd slechts in algemene zin verklaard dat partijen grote bedragen hebben moeten betalen voor schulden en dat soort dingen, waaronder € 1.000,- aan een deurwaarder. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de betwisting van de vrouw dat het bedrag van € 156.000,- niet volledig is besteed aan de aankoop, verbouwing en verduurzaming van [adres 3].
Het bedrag van € 20.250,- hoeft de vrouw niet (terug) te betalen aan de man
4.7.
Voor het bedrag van € 20.250,- dat in (kleinere) gedeeltes is overgemaakt in de periode maart – december 2023 ligt dit anders. Voor dit bedrag is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling en de vrouw hoeft dit bedrag ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de man terug te betalen. De rechtbank legt dit hieronder uit.
4.8.
De bedragen waaruit het bedrag van € 20.250,- is samengeteld waren om te beginnen niet aantoonbaar ‘gelabeld’ voor de nieuwe woning en zijn in kleinere hoeveelheden en over een langere periode naar de pin-rekening overgemaakt. Van deze rekening werden niet alleen de kosten van de verbouwing en verduurzaming, maar ook de andere uitgaven van het gezin voldaan. Uit het dossier is niet op te maken waar de bedragen waaruit het bedrag (van € 20.250,-) is opgebouwd precies aan zijn besteed. Wel rijst het beeld op dat deze bedragen in ieder geval gedeeltelijk aan andere uitgaven zijn besteed dan aan de verbouwing en verduurzaming: uit de in het geding gebrachte afschriften van de pin-rekening lijkt te volgen dat van deze bedragen (€ 1.000 + € 3.250 + € 1.000 = ) € 5.250,- is overgemaakt naar de rekening van een van de minderjarige kinderen van partijen en een bedrag van (€ 2.500,- + € 2.500,- =) € 5.000,- is overgemaakt aan derden onder vermelding van ‘vakantie’. Tot slot maakt de rechtbank uit het in het geding gebracht Whatsappverkeer tussen partijen op dat de vrouw in de periode waarin de man deze bedragen overmaakte regelmatig om een bijdrage in de maandelijkse kosten aan hem vroeg. Gelet op al deze feiten en omstandigheden had het op de weg van de man gelegen nader te motiveren en onderbouwen voor welke kosten van de verbouwing en verduurzaming de bedragen waaruit het bedrag van € 20.250,- is opgebouwd zouden zijn aangewend. Dit heeft hij niet gedaan zodat de rechtbank op dit punt aan zijn stellingen voorbij gaat.
Tussenconclusie: de vrouw moet de man € 156.000,- betalen. Het terugvorderen van dit bedrag is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid
4.9.
Uit het bovenstaande volgt dat de man een vordering heeft van € 156.000,- op de vrouw op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Het terugvorderen van dit bedrag is, anders dan de vrouw betoogt, in de gegeven omstandigheden niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het feit dat de vrouw zou moeten verhuizen indien zij dit bedrag aan de man moet betalen weegt namelijk niet op tegen de belangen van de man, die op dit moment geen eigen vermogen meer bezit om een nieuwe woning te kunnen kopen.
Verrekenverweer gaat niet op
4.10.
De vrouw beroept zich op verrekening van hetgeen zij aan de man verschuldigd is met haar vordering vanwege door haar in verhouding tot de man te veel gemaakte kosten voor de huishouding, afbetaling van schulden en kosten voor de auto. Dit verweer gaat niet op. Voor een deel heeft de vrouw haar vorderingen onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd, zodat deze niet zijn komen vast te staan. Voor een deel is de gegrondheid van de vorderingen niet op eenvoudige wijze vast te stellen, omdat vaststelling van de vorderingen uitgebreide bewijslevering zou vergen zodat het verrekenverweer afstuit op artikel 6:136 BW Pro. De rechtbank licht dit hieronder toe voor de verschillende opgevoerde verrekenposten.
Kosten huishouding
4.11.
De rechtbank begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat zij zich beroept op afspraken die partijen zouden hebben gemaakt over de kosten van de huishouding dan wel hierop dat het ‘niet meer dan normaal en redelijk’ is dat twee mensen die een affectieve relatie hebben en samenwonen de kosten van de huishouding bij helfte delen.
4.12.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Voor samenwoners zonder samenlevingsovereenkomst gelden geen wettelijke regels voor de verdeling van de kosten van de huishouding. Het uitgangspunt is dat partijen hierover zelf afspraken maken. De stelling van de vrouw dat deze kosten bij helfte moeten worden gedeeld als een samenlevingsovereenkomst ontbreekt, omdat dit standaard in samenlevingsovereenkomsten staat, volgt de rechtbank niet. Er geldt geen regel in algemene zin dat iedere partij voor een gelijk deel moet bijdragen in de kosten van de huishouding. In de praktijk wordt bijvoorbeeld ook vaak een verdeling op basis van evenredigheid van inkomen (naar rato) toegepast. Bepalend is dan ook wat partijen in de gegeven omstandigheden met elkaar hebben afgesproken en welke invulling partijen aan die afspraken hebben gegeven.
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde afspraken onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd, zodat deze afspraken niet zijn komen vast te staan. Volgens de vrouw hebben partijen mondeling afgesproken dat de man aan de kosten van de huishouding in de periode maart 2020 tot en met december 2022 € 1.000,- per maand zou bijdragen en over de periode januari 2023 tot en met mei 2024 € 2.500,- per maand. Ter zitting heeft de vrouw het echter enigszins anders toegelicht en heeft zij verklaard dat partijen in januari 2023, toen de man zijn schulden had afbetaald, de afspraak hebben gemaakt dat beide partijen hun inkomsten, die voor allebei ongeveer € 2.500,- waren, zouden inbrengen. De vermeende afspraak voor de periode maart 2020 tot en met december 2022 heeft de vrouw niet geconcretiseerd of nader toegelicht.
Volgens de man daarentegen hebben partijen geen afspraken gemaakt over de kosten van de huishouding, maar droeg hij wel bij: hij deed wel eens boodschappen en kocht spullen voor de kinderen. Ook heeft de man ter zitting verklaard dat zijn werk als zzp-er de ene maand meer opleverde dan de andere maand en dat hij tijdens de verbouwing van [adres 3] zijn zaak twee maanden heeft dichtgegooid.
Het had op de weg van de vrouw gelegen de door haar gestelde afspraken nader toe te lichten. Dit heeft zij niet gedaan, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de kosten van de huishouding. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw weliswaar screenshots overgelegd van betaalverzoeken die zij via WhatsApp aan de man heeft gestuurd, maar hieruit blijkt slechts dat de vrouw in oktober en november 2023 verschillende betaalverzoeken voor maandelijkse kosten aan de man heeft gestuurd. Nergens in de berichten wordt gerefereerd aan afspraken.
Zelfs als de rechtbank er – veronderstellende wijs – vanuit gaat dat partijen hebben afgesproken vanaf januari 2023 ieder hun inkomsten in te brengen (zoals de vrouw ter zitting heeft verklaard) kan dat de vrouw niet baten. Niet is namelijk komen vast te staan dat de man inkomsten heeft gegenereerd die hij niet heeft ingebracht.
4.14.
Partijen hebben in hun stukken de nodige woorden gewijd aan de kwestie van de kinderalimentatie. Dat onderwerp ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor.
Afbetaling schulden en kosten auto
4.15.
Wat betreft de door de vrouw gestelde afbetaling van schulden van de man en door haar betaalde kosten van de auto geldt dat het verrekenverweer afstuit op artikel 6:136 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat de rechter een vordering kan toewijzen ondanks een beroep van gedaagde op verrekening, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering voor het overige voor toewijzing vatbaar is. Die situatie doet zich voor deze twee verrekenposten voor, omdat de man de vorderingen van de vrouw gemotiveerd betwist en vaststelling van deze vordering nader onderzoek en/of uitgebreide bewijslevering zou vergen.
4.16.
Wat betreft de afbetaling van schulden geldt dat de vrouw weliswaar gedetailleerd heeft uiteengezet dat en welke schulden zij voor de man heeft betaald, maar zij heeft dit niet onderbouwd met stukken, terwijl de man betwist hiervoor geld geleend te hebben. Bovendien heeft de vrouw gesteld dat het door de man aan haar betaalde bedrag van € 20.250,- deels gebruikt is voor betaling van schuldeisers van de man. Onduidelijk is daarom met welke bedragen de door de vrouw opgevoerde schulden van de man zijn betaald. Het vaststellen daarvan vergt, zo dit al mogelijk is, uitgebreid onderzoek en bewijslevering.
4.17.
Voor de kosten die zien op de auto geldt dat onduidelijk is gebleven of er afspraken tussen partijen zijn gemaakt over deze kosten (voor een auto die kennelijk – zo maakt de rechtbank op uit hetgeen ter zitting is verklaard – op naam stond van de vrouw). Ook voor deze kosten geldt bovendien dat onduidelijk is met welke bedragen ze betaald zijn. Zoals uit het bovenstaande blijkt is niet in geschil dát de man bijdragen heeft geleverd aan de pin-rekening, waarvan de verschillende uitgaven van het gezin werden betaald. Of en in hoeverre de vrouw in verhouding tot de man te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de auto vergt dus uitgebreid onderzoek en bewijslevering.
4.18.
Gelet op het voorgaande is wat betreft de door de vrouw opgevoerde afbetaling van schulden en kosten van de auto niet eenvoudig vast te stellen of het verrekenverweer van de vrouw gegrond is. Daarom is de conclusie dat het bedrag van € 156.000,- moet worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.19.
Omdat niet in geschil is dat de vrouw niet heeft voldaan aan het verzoek van (de advocaat van) de man bij brief van 26 juni 2025, in welke brief wettelijke rente is aangezegd, is de vrouw vanaf 10 juli 2025 in verzuim met terugbetaling van het bedrag van € 156.000,- en is zij daarover wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente is daarom toewijsbaar zoals gevorderd over dit bedrag.
Conclusie
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt met een bedrag van € 156.000,- en de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 156.000,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 juli 2025.
Proceskosten
4.21.
Gelet op de relatie tussen partijen zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt met een bedrag van € 156.000,00,
5.2.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 156.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 10 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
1589