Partijen, ex-samenwoners met twee minderjarige kinderen, woonden sinds 2020 samen in de woning van de vrouw. De man maakte tussen september 2020 en december 2023 in totaal €187.250 over aan de vrouw, deels uit verkoopopbrengst van zijn appartement. Na beëindiging van de relatie in mei 2024 vordert de man dit bedrag terug, stellende dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt omdat het geld is gebruikt voor aankoop, verbouwing en verduurzaming van de woning die op naam van de vrouw staat.
De vrouw betwist dat het volledige bedrag is besteed aan de woning en voert een verrekenverweer aan wegens haar bijdragen aan huishoudkosten, schulden en autokosten van de man. De rechtbank oordeelt dat €156.000 van de overboekingen onbetwist is besteed aan de woning en dat de vrouw zich hiermee heeft verrijkt ten koste van de man. De overige bedragen zijn onvoldoende onderbouwd als bestemd voor de woning en hoeven niet te worden terugbetaald.
Het verrekenverweer faalt omdat de vrouw haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en de gegrondheid van haar vorderingen niet eenvoudig kan worden vastgesteld. De rechtbank wijst de vordering van de man toe tot betaling van €156.000 plus wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 en compenseert de proceskosten tussen partijen.