Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6572

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/15/377001
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 BWArt. 2:238 lid 2 BWArt. 7:677 BWArt. 7:686a BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen voormalig statutair directeur na vennootschapsrechtelijk ontslag

De voormalige statutair directeur van VandN Worldwide B.V. vorderde in kort geding een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding na een aandeelhoudersbesluit tot onmiddellijk ontslag. Hij stelde dat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit vernietigbaar is wegens schending van procedurele vereisten en dat, zelfs als het ontslag rechtsgeldig zou zijn, er geen dringende reden was voor ontslag op staande voet.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit inderdaad vernietigbaar kan zijn omdat de directeur niet vooraf is gehoord, maar dat dit in kort geding niet tot toewijzing van loon of vergoedingen kan leiden. De arbeidsrechtelijke beoordeling van ontslag op staande voet behoort toe aan de kantonrechter in een bodemprocedure, waarvoor een vervaltermijn geldt.

Hoewel de vervaltermijn nog niet was verstreken, vond de rechter het te ver gaan om in kort geding vooruit te lopen op de uitkomst van die procedure. De vorderingen werden daarom afgewezen. Tevens werd de eiser veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd op 4 juni 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van de voormalig statutair directeur worden afgewezen vanwege de vervaltermijn voor de bodemprocedure over het ontslag op staande voet.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/377001 / KG ZA 26-205
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. Frankfort,
tegen
VANDN WORLDWIDE B.V.,
te Haarlemmermeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: VandN
vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger]
geen gemachtigde
De zaak in het kort:Kort geding. Voormalig statutair directeur vordert gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding na aandeelhoudersbesluit tot onmiddellijk ontslag, voor het geval in een bodemprocedure bij de rechtbank vast komt te staan dat het vennootschapsrechtelijk ontslag rechtsgeldig is. De vorderingen worden afgewezen, omdat voor de bodemprocedure ter beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet bij de kantonrechter een vervaltermijn geldt. Weliswaar is de vervaltermijn van die procedure (nog) niet verstreken, maar het reikt te ver om op de eventuele uitkomst van die procedure vooruit te lopen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de betekende dagvaarding van [eiser] van 7 mei 2026 met 7 producties;
  • de nadere stukken van VandN van 20 mei 2026 met 13 producties;
  • de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar door de gemachtigde van [eiser] spreekaantekeningen zijn overgelegd;
  • de nadere stukken van VandN van 26 mei 2026 en de reactie van de rechter dat ze deze stukken/bewijsvoering buiten beschouwing zal laten.
1.2.
Het vonnis is bepaald voor vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] (geboren op [geboortedatum] 1966) was sinds 1 juli 2018 statutair directeur (Managing Director AMS) van VandN. Zijn maandsalaris bedroeg € 7.300,00 bruto exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
2.2.
VandN houdt zich bezig met logistieke dienstverlening tussen Europa en China. Het hoofdkantoor is gevestigd op Schiphol, daarnaast zijn er zustervennootschappen in Duitsland en Italië. Vanuit het Nederlandse hoofdkantoor wordt onder meer de IT en boekhouding van de drie vestigingen verzorgd. Tussen de drie vestigingen zijn onder meer winstdelingsovereenkomsten afgesproken.
2.3.
De aandeelhouders van VandN zijn mevrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) (85%) en de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) (15%). De aandelen in de Duitse en Italiaanse vennootschappen worden mede gehouden door Hantong Holding, een holdingvennootschap van mevrouw [betrokkene 3], de echtgenote van de heer [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]). [betrokkene 1] is ook aandeelhouder van de Italiaanse vennootschap. [betrokkene 4] was feitelijk leidinggevende binnen de groep en tot 8 april 2026 ook in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst bij VandN.
2.4.
Op 8 en 9 september 2025 heeft [betrokkene 2] per email een aantal vragen gesteld aan [eiser] over ‘
compliance, transparency, and shareholder rights.’ Op 9 september 2025 heeft [betrokkene 1] (de grootaandeelhouder) hierop gereageerd richting [betrokkene 2] en [eiser], waarbij zij schrijft, voor zover relevant:
‘Hi [betrokkene 2], this is a discussion between shareholders and CEO of the companies. [eiser] is heavily involved in day-to-day operations due to shortage of labor in our AMS branch. Please do not further disturb him with below messages. Anything unclear that needs to be discussed you can initiate an email to me as the majority shareholder and to [betrokkene 4] who manages the companies.’
2.5.
Bij besluit van 7 april 2026 hebben de aandeelhouders van VandN, [betrokkene 2] en [betrokkene 1], besloten dat [eiser] met onmiddellijke ingang als statutair bestuurder van VandN werd ontslagen. Als ontslaggronden worden in het besluit genoemd (i) ernstig plichtsverzuim en (ii) het in gevaar brengen van de continuïteit van de onderneming. [eiser] is voorafgaand aan het ontslagbesluit niet in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken.
2.6.
[eiser] is op 7 april 2026 uitgeschreven als statutair directeur bij de KvK. [eiser] heeft vanaf 7 april 2026 geen loon meer ontvangen.
2.7.
Bij e-mail van 8 april 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] de ontslaggronden weersproken, gewezen op de ongeldigheid van het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit en arbeidsrechtelijke consequenties. De gemachtigde van [eiser] heeft VandN onder meer verzocht te bevestigen dat VandN het ontslag heeft ingetrokken, dat [eiser] zal worden toegelaten tot zijn werk en dat VandN de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding zal betalen.
2.8.
VandN heeft niet gereageerd op de e-mail van de gemachtigde van [eiser].

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - te verklaren voor recht dat geen dringende reden bestond voor het ontslag als bestuurder en (daarmee) beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [eiser] vordert verder als voorlopige voorziening de gefixeerde schadevergoeding over de wettelijke opzegtermijn ad € 14.600,- bruto (twee maandsalarissen), (een voorschot op) de wettelijke transitievergoeding van € 26.125,04 bruto alsmede (een voorschot op) een billijke vergoeding ad € 50.000,00 bruto.
3.2.
[eiser] legt primair aan de vordering ten grondslag dat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit vernietigbaar is. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat, zelfs als het ontslagbesluit rechtsgeldig is, de opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang niet rechtsgeldig is bij gebreke van een dringende reden in de zin van 7:677 BW. Een dringende reden is niet ingeroepen, laat staan onderbouwd. Om die reden zijn de gevorderde vergoedingen verschuldigd.
3.3.
VandN voert aan dat wel degelijk sprake was van een noodzaak tot onmiddellijk ingrijpen. De aandeelhouders hebben vastgesteld dat bij VandN sprake is van aanhoudende en ernstige financiële achteruitgang zonder dat [eiser] als statutair directeur heeft ingegrepen. Verder maken de aandeelhouders zich zorgen over mogelijke ‘
compliance issues’ en mogelijke ‘
illegal employment risks’.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering waarbij geldt dat [eiser] vanaf 7 april 2026 geen loon meer heeft ontvangen. Dit vindt de voorzieningenrechter voldoende reden om [eiser] in zijn vorderingen te ontvangen.
4.3.
In deze procedure moet worden beoordeeld of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat toewijzing bij wijze van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De beslissing wordt daarom gebaseerd op feiten die zijn erkend of niet weersproken, dan wel voorshands aannemelijk zijn geworden.
Vennootschapsrechtelijk ontslag
4.4.
[eiser] stelt primair dat het ontslagbesluit op grond van artikel 2:15 BW Pro vernietigbaar is. Op grond van artikel 2:238 lid 2 BW Pro had VandN [eiser] voorafgaand aan het besluit tot ontslag in de gelegenheid moeten stellen om zijn standpunt kenbaar te maken. Dat is niet gebeurd. [eiser] is niet opgeroepen, niet geïnformeerd over het voorgenomen ontslagbesluit en niet in de gelegenheid gesteld te reageren. VandN heeft deze gang van zaken niet weersproken.
4.5.
De voorzieningenrechter kan het standpunt van [eiser] terzake de vernietigbaarheid van het vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit volgen. Schending van procedurele vereisten kan tot vernietigbaarheid van een ontslagbesluit leiden. Dit heeft tot gevolg dat de bestuurder formeel niet rechtsgeldig ontslagen is en de arbeidsovereenkomst voortduurt. [eiser] vordert in (het petitum van de dagvaarding in) de onderhavige kort geding procedure echter geen loon. [eiser] heeft dit desgevraagd ter zitting bevestigd. [eiser] stelt dat hij in een bodemprocedure de vernietiging van het ontslagbesluit zal vorderen en dat het loon daar aan de orde zal komen.
Arbeidsrechtelijk ontslag
4.6.
[eiser] stelt zicht subsidiair op het standpunt dat, zelfs als het vennootschapsrechtelijk ontslag rechtsgeldig zou zijn, de opzegging van de arbeidsovereenkomst door VandN op 7 april 2026 met onmiddellijke ingang niet rechtsgeldig is bij gebreke van een dringende reden. [eiser] vordert op grond daarvan betaling van de gefixeerde schadevergoeding en een voorschot op de transitievergoeding en de billijke vergoeding. [eiser] realiseert zich dat als in de door hem aangekondigde bodemprocedure de vernietiging van het ontslagbesluit zal worden toegewezen, de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, althans niet ten gevolge van het bestreden ontslagbesluit. [eiser] vordert een voorschot op de arbeidsrechtelijke vergoedingen omdat gezien de evidente vertrouwensbreuk tussen partijen de conclusie gerechtvaardigd is dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval op enig moment in de niet te verre toekomst (rechtsgeldig) wordt beëindigd.
4.7.
VandN heeft ter zitting onder meer meegedeeld dat zij per 7 april 2026 geen loon meer heeft betaald omdat [eiser] vanaf dat moment geen werkzaamheden meer heeft verricht.
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende. [eiser] vordert de arbeidsrechtelijke vergoedingen voor het geval in de door hem aan te spannen bodemprocedure komt vast te staan dat het vennootschapsrechtelijk ontslag rechtsgeldig is. In het arbeidsrecht is de beoordeling van (de rechtsgeldigheid van) een ontslag op staande voet in een bodemprocedure voorbehouden aan de kantonrechter. Deze procedure dient op grond van artikel 7:686a BW bij verzoekschrift te worden ingeleid binnen de vervaltermijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Nadien ingediende vorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard. Weliswaar is de vervaltermijn van de bodemprocedure bij de kantonrechter op de dag van de uitspraak in dit kort geding nog niet verstreken, maar het reikt naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver om op dit moment op de eventuele uitkomst van die procedure vooruit te lopen. Op grond van artikel 223 Rv Pro kan ook bij de kantonrechter een voorlopige voorziening worden gevraagd voor de duur van het geding. De vorderingen van [eiser] zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen.
4.9.
Voor de door [eiser] gevraagde verklaring voor recht is binnen de reikwijdte van een kort geding geen ruimte. Deze vordering wordt om die reden afgewezen.
Proceskosten
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VandN worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
924,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 924,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. J.J. Dijk, in aanwezigheid van de griffier.