ECLI:NL:RBNHO:2026:65

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
15/120999-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging doodslag door steken met een mes en slaan met een baksteen in Heemstede

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 20 april 2025 in Heemstede, waar de verdachte, na een ruzie, met een baksteen het raam van de woning van zijn ex-partner heeft ingegooid en vervolgens de aangever, [slachtoffer], met een baksteen op het hoofd heeft geslagen en met een mes in de flank heeft gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, wat betekent dat hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen zou leiden tot de dood van de aangever. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onderdeel 'voorbedachte raad', maar heeft de poging tot doodslag wel bewezen verklaard. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met de aangever. Daarnaast is er een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij, [slachtoffer], voor zowel materiële als immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/120999-25 (P)
Uitspraakdatum: 6 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 december 2025 en 23 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats 1] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] ,
nu gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. Z. Boufadiss, advocaat te Amsterdam), en mr. A.L. Louwerse, advocaat van de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort gezegd, primair tenlastegelegd dat hij op 20 april 2025 in Heemstede de heer [slachtoffer] heeft geprobeerd met voorbedachte raad van het leven te beroven, door ’s avonds naar een woning te komen en hem onder meer te slaan met een baksteen en te steken met een mes. Subsidiair is dit tenlastegelegd als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging luidt, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat:
primair
hij, op of omstreeks 20 april 2025 te Heemstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] een bericht heeft gestuurd waarin hij, verdachte, [slachtoffer] waarschuwt uit de buurt te blijven van de ex-partner van verdachte en/of
- zich naar de woning van diens ex-partner heeft begeven, alwaar die [slachtoffer] zich op dat moment bevond en (met een baksteen) het raam van de achterdeur heeft vernield en de woning heeft betreden en/of
- ( vervolgens) een (vlees)mes heeft gepakt en naar de bovenverdieping is gelopen en de slaapkamerdeur heeft geforceerd en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer] met een baksteen en/of met diens vuisten meermaals, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of
- met het (vlees)mes meermaals, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft gestoken in de (linker)zij en/of (linker)flank althans in de romp en/of linker onderarm,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij, op of omstreeks 20 april 2025 te Heemstede aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steekwonden in de (linker)zij en/of (linker)flank althans in de romp en/of linker onderarm, althans het lichaam, en/of verwondingen in het gezicht heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een baksteen en/of met diens vuisten meermaals, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of met het (vlees)mes meermaals, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft te steken in de (linker)zij en/of (linker)flank althans in de romp en/of linker onderarm;
meer subsidiair
hij, op of omstreeks 20 april 2025 te Heemstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer] een bericht heeft gestuurd waarin hij, verdachte, [slachtoffer] waarschuwt uit de buurt te blijven van de ex-partner van verdachte en / of
- zich naar de woning van diens ex-partner heeft begeven, alwaar die [slachtoffer] zich op dat moment bevond en (met een baksteen) het raam van de achterdeur heeft vernield en de woning heeft betreden en/of
- ( vervolgens) een (vlees)mes heeft gepakt en naar de bovenverdieping is gelopen en de slaapkamerdeur heeft geforceerd en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer] met een baksteen en/of met diens vuisten meermaals, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of
- met het (vlees)mes meermaals, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft vanl2 gestoken m de (linker)zij en/of (linker)flank althans in de romp en/of linker onderarm,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel ‘voorbedachte raad’. De verdachte heeft zich, met andere woorden, in de visie van de officier van justitie niet schuldig gemaakt aan een poging tot moord, maar aan een poging tot doodslag.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in de eerste plaats een bewijsuitsluitingsverweer gevoerd. Volgens de verdediging moeten de verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [naam] , beide van 21 april 2025, worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze verklaringen niet auditief zijn opgenomen. Dit is in strijd met de Aanwijzing
Instructie auditieve en audiovisuele registratie van verhoren van aangevers, slachtoffers, getuigen en verdachten (2021I101)(hierna: de Aanwijzing). De verklaringen kunnen hierdoor niet worden gecontroleerd op juistheid, terwijl [slachtoffer] en [naam] hebben aangegeven zich op onderdelen niet te herkennen in de verklaringen. Om die reden zou ook de spontane bekentenis die de verdachte die nacht zou hebben afgelegd (maar wat hij ontkent) niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.
De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het dossier geen enkele aanwijzing voor voorbedachte raad bevat. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van poging tot moord.
Ook voor de poging tot doodslag heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. De verdachte heeft geen opzet op de dood van de aangever gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm. Er was geen sprake van een gerichte steekbeweging door de verdachte, maar van een eenmalige, ongerichte zwaaibeweging met het mes, in het donker, tijdens een chaotische confrontatie. Dat is onvoldoende voor voorwaardelijk opzet op de dood. Daarnaast brengt de aard van het letsel mee dat er geen aanmerkelijke kans was op overlijden.
Volgens de verdediging moet de verdachte ook worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Partiële vrijspraak voorbedachte raadMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om te kunnen vaststellen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging – en daarmee van poging tot moord – worden vrijgesproken.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit – poging tot doodslag – op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.3.
Verwerping bewijsuitsluitingsverweer
De rechtbank verwerpt het bewijsuitsluitingsverweer van de verdediging. De verdediging heeft niet onderbouwd welk nadeel de verdachte heeft ondervonden doordat de verhoren van aangever [slachtoffer] en getuige [naam] van 21 april 2025 niet auditief zijn opgenomen, zoals voorgeschreven in de Aanwijzing.
Van de verklaringen die door de verdediging in dit verband zijn genoemd, wordt alleen de aangifte door [slachtoffer] gebruikt door de rechtbank als bewijsmiddel. De aangever heeft in zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris op 27 oktober 2025 nagenoeg hetzelfde verhaal verteld als eerder bij de politie, terwijl de verdediging bij de ondervraging bij de rechter-commissaris aanwezig is geweest en nadere vragen heeft gesteld. Ook al zou het niet auditief opnemen van de getuigenverklaringen neerkomen op een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, dan nog is de rechtbank niet gebleken dat de verdediging hiervan enig nadeel heeft ondervonden. Het verweer wordt daarom verworpen.
3.3.4.
Bewijsmotivering poging tot doodslag
Feiten en omstandigheden
In de middag van 20 april 2025 is de verdachte, na een ruzie met [naam] , de moeder van zijn kinderen, vanuit de gemeenschappelijke woning aan de [adres 2] in Heemstede weggegaan naar zijn werkloods, waar hij de nacht zou doorbrengen. Later die avond is de verdachte teruggegaan naar de woning, naar eigen zeggen om een pakketje op te halen. Hij ging ervan uit dat [naam] op dat moment zou slapen, omdat zij de volgende dag vroeg moest werken. Bij de woning aangekomen, kwam de verdachte tot de ontdekking dat hij de achterdeur niet met zijn sleutel kon openen, omdat er aan de binnenkant een sleutel in het slot zat. Op dat moment hoorde hij uit het geopende slaapkamerraam seksgeluiden. De verdachte is in woede ontstoken, heeft een baksteen uit de tuin gepakt en heeft hiermee de ruit van de achterdeur ingegooid, zodat hij de deur kon openmaken. Hierbij heeft de verdachte zichzelf verwond. De verdachte is naar binnen gegaan, heeft in de keuken een vleesmes gepakt en is met het mes en een (andere) baksteen de trap op gestormd naar boven. Boven heeft de verdachte, naar eigen zeggen “ontploft” door de geluiden vanuit de slaapkamer, in totale razernij de deur van de slaapkamer, die door de aangever [slachtoffer] werd dichtgehouden, opengebeukt.
Over wat er zich vanaf dat moment heeft afgespeeld, is door de aangever en de verdachte verschillend verklaard. De aangever heeft verklaard dat de verdachte hem direct met een baksteen op zijn hoofd sloeg, dat hij daardoor ten val kwam en dat de verdachte hem vervolgens meerdere keren met een mes aan de linkerzijde van zijn lichaam stak. Ook sloeg de verdachte hem meerdere keren met de vuist op het hoofd, waarbij hij riep: ‘ik heb je gewaarschuwd’. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangever niet heeft geslagen met een baksteen en dat hij met het mes alleen een bovenhandse zwaaibeweging heeft gemaakt. Daarna is volgens hem sprake geweest van een worsteling.
De rechtbank gaat uit van de verklaring van de aangever, gelet op het volgende. De verklaring van de aangever dat hij met een baksteen op zijn hoofd is geslagen, vindt steun in het geconstateerde letsel. Uit het rapport van het forensisch medisch onderzoek komt namelijk naar voren dat bij de aangever verwondingen aan de linkerkant van het hoofd, boven en naast de wenkbrauw, zijn geconstateerd. Ook is in de slaapkamer naderhand een bebloede baksteen op de grond aangetroffen, waaruit de rechtbank afleidt dat de baksteen, die de verdachte mee naar boven had genomen, ook daadwerkelijk (na het openbeuken van de deur) in de slaapkamer terecht is gekomen.
Voor de verklaring van de aangever dat hij is gestoken met een mes, vindt de rechtbank eveneens steun in het dossier. In de linkerflank van aangever bevond zich namelijk blijkens het forensisch medisch onderzoek een verwonding die qua uiterlijk goed past bij een steekwond. Uit de medische gegevens blijkt dat deze steekwond circa twee centimeter diep was.. Dit letsel past niet bij het verhaal van de verdachte dat hij alleen een zwaaiende beweging zou hebben gemaakt met het mes. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte met het mes een steekbeweging heeft gemaakt en daarmee de aangever in de linkerflank heeft verwond. Het mes dat hij daarbij – ook naar eigen zeggen – heeft gebruikt, is door de politie in een keukenla van de woning aangetroffen. Het betrof een vleesmes met een lengte van ongeveer 30 centimeter waarop bloedsporen zichtbaar waren.
Opzet van de verdachte
De rechtbank moet na deze vaststellingen de vraag beantwoorden of het opzet van de verdachte was gericht op de dood van het slachtoffer.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de verdachte de bedoeling had het slachtoffer daadwerkelijk van het leven te beroven. Opzet kan echter ook worden bewezen als sprake is van ‘voorwaardelijk’ opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van dodelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Of een kans aanmerkelijk is, hangt af van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
De verdachte heeft de aangever eerst met een baksteen op het hoofd geslagen, waardoor hij op de grond viel. Vervolgens heeft de verdachte met een groot vleesmes een steekbeweging gemaakt naar het op de grond liggende slachtoffer en hem een steekwond in de flank toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich hiermee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden. In de buurt van het steekletsel bevinden zich immers vitale organen, zoals de longen en de milt, alsmede (slag)aders. Als (een van) die organen of aders was geraakt, had de aangever aan die verwonding(en) kunnen overlijden, zoals blijkt uit het letselrapport. Ook de klap met een baksteen tegen het hoofd had kunnen resulteren in een fatale bloeding in het hoofd. Daarbij is mede van belang dat de verdachte in totale razernij (“ontploft”) de slaapkamer is binnengedrongen en in die gemoedstoestand in een relatief kleine ruimte naast/voor het bed het hiervoor beschreven letsel met de baksteen en het mes heeft toegebracht. De gedragingen van de verdachte moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De verdachte heeft dus gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever.
De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het
primairten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 20 april 2025 te Heemstede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven
- die [slachtoffer] met een baksteen en met diens vuisten meermaals in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en
- met het vleesmes die [slachtoffer] heeft gestoken in de linkerflank,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
Poging tot doodslag.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, verplichte ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor Velserbroek en het gedeelte van Beverwijk dat is omsloten door de rijkswegen A9 en A22.
De officier van justitie heeft eveneens de oplegging gevorderd van een contactverbod en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de volgende omstandigheden. Het incident is ontstaan onder zeer specifieke, emotioneel beladen omstandigheden, waarbij geen sprake was van een vooropgezet plan of structurele agressieproblematiek. Het letsel is relatief beperkt gebleven. Ook is de verdachte een first offender voor geweldsdelicten. Hij heeft spijt betuigd en heeft zich coöperatief opgesteld in het onderzoek. Het bedrijf van de verdachte, zijn partner en hun jonge kinderen staan zwaar onder druk door de detentie van de verdachte.
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een straf die gelijk is aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank meent dat vanuit het oogpunt van vergelding een nadere strafoplegging moet volgen, dan verzoekt de verdediging dit te zoeken in een aanvullende taakstraf.
In de optiek van de verdediging wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor oplegging van een maatregel ex artikel 38v Sr. Een contact- en gebiedsverbod kan eventueel als bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke straf worden verbonden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer eerst met een baksteen op het hoofd te slaan en hem vervolgens, terwijl hij op grond lag, met een mes in het bovenlichaam te steken. Ook heeft de verdachte hem met zijn vuisten in het gezicht geslagen. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer een snijwond op de linker onderarm toegebracht. Het slachtoffer heeft hierdoor veel pijn gehad. Uit de vordering tot schadevergoeding en de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat niet alleen de fysieke gevolgen ingrijpend zijn geweest, maar ook dat het slachtoffer psychische klachten heeft ondervonden, in de vorm van gevoelens van onveiligheid, verhoogde alertheid, slaapproblemen en prikkelbaarheid. Het slachtoffer wordt nog altijd achtervolgd door het besef dat het allemaal heel anders had kunnen aflopen.
Persoon van de verdachte
De Reclassering Nederland heeft op 2 juli 2025 een advies over de verdachte uitgebracht. Uit het onderzoek door de reclassering zijn, afgezien van problemen in de partnerrelatie, op de verschillende leefgebieden geen risicofactoren naar voren gekomen. Hoewel er sprake is geweest van fors geweld, ziet de reclassering geen aanwijzingen voor structurele problemen in de agressiebeheersing. Desalniettemin acht de reclassering, gezien de ernst van het feit, bijzondere voorwaarden in de vorm van verplicht toezicht en een contact- en locatieverbod passend. Ook acht de reclassering het van belang dat de verdachte (relatie)therapie gaat volgen.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat op het handelen van de verdachte niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van langere duur. De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en nodig.
De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten twaalf maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar. Aan deze proeftijd zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd en door de officier van justitie gevorderd. Deze voorwaarden houden in een verplicht toezicht door de reclassering, verplichte ambulante behandeling, een contactverbod met de aangever en een locatieverbod voor enkele in het dictum van dit vonnis nader omschreven locaties die aan de persoonlijke levenssfeer van de aangever raken. Het locatieverbod wordt, anders dan de reclassering heeft geadviseerd, niet gecombineerd met oplegging van elektronische monitoring. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende aanleiding, gelet op het door de reclassering geschetste beperkte gevaar voor herhaling.
Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen met het oog op het bepaalde in artikel 67a, lid 3 Sv. Ook voor het geval dat de rechtbank een straf oplegt die langer is dan het voorarrest, wordt verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen. Het herhalingsgevaaar is laag en de twaalfjaarsgrond is door het tijdsverloop en alle omstandigheden niet meer aan de orde. De officier van justitie heeft zich tegen de opheffing van de voorlopige hechtenis verzet.
De rechtbank overweegt dat uit de overige inhoud van dit veroordelend vonnis volgt dat de ernstige bezwaren die tot het bevel van de voorlopige hechtenis hebben geleid, nog altijd aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is, mede gelet op het reclasseringsrapport waarin in het recidiverisico als laag wordt ingeschat, de grond van het recidivegevaar niet langer aanwezig. Nu het gaat om ernstige bezwaren ter zake van een poging tot een levensdelict, is wel sprake van de twaalfjaarsgrond en van een geschokte rechtsorde. Het is aannemelijk dat de invrijheidstelling van de verdachte op dit moment zal leiden tot maatschappelijke beroering. Het is namelijk niet uit te leggen dat de verdachte enerzijds wordt veroordeeld voor een dermate ernstig feit en anderzijds in vrijheid zou worden gesteld.
De situatie van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde, omdat de opgelegde straf zou betekenen dat de verdachte nog geruime tijd vast blijft zitten.
De rechtbank ziet daarom geen redenen om de voorlopige hechtenis op te heffen en wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
De rechtbank zal geen contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr opleggen, zoals door de officier van justitie gevorderd. Op grond van artikel 38v Sr kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Een dergelijke maatregel kan een contact- of locatieverbod inhouden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat de rechter deze maatregel alleen kan opleggen als hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen. [1] Daarvoor zijn in dit geval onvoldoende concrete aanwijzingen. De rechtbank wijst de vordering in zoverre af.

7.Beslissingen met betrekking tot in beslag genomen voorwerpen

Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de volgende onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten
- 1 mes (voorwerpnummer 1722171)
- 1 steen (voorwerpnummer 1722173)
dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de poging tot doodslag met behulp van die voorwerpen, die (mede) aan de verdachte toebehoren, is begaan.
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de volgende onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • 1 jas (voorwerpnummer 1722013)
  • 1 paar schoenen (voorwerpnummer 1722014)
  • 1 trui (voorwerpnummer 1722015)
  • 1 shirt (voorwerpnummer 1722016)
  • 1 broek (voorwerpnummer 1722017)
dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1.
De vordering
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding van € 17.882,53 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gestelde materiële schade betreft:
1. Medische kosten € 385,-
2. Kilometervergoeding € 1.498,03
3. Huishoudelijke hulp € 528,-
4. Kosten broek € 35,-
5. Kosten sportschool € 36,50
6. Toekomstige reparatie tattoo € 400,-
Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,- gevorderd.
Verder wordt wegens toekomstige materiële en immateriële schade een bedrag van € 5.000,- gevorderd. De gemachtigde heeft toegelicht dat de post van de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaard kan worden, maar reeds nu is opgevoerd met het oog op een eventueel hoger beroep en de mogelijkheden tot uitbreiding van de vordering.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft wat betreft de materiële schade geconcludeerd tot toewijzing van de posten 1 tot en met 5, omdat deze kosten niet worden betwist.
Ook de kosten voor herstel van de tattoo kunnen wat de officier van justitie betreft worden toegewezen, nu deze kosten zijn onderbouwd en het rechtstreeks gevolg zijn van het ten laste gelegde feit.
Voor de immateriële schade acht de officier van justitie een bedrag van € 5.000,- billijk.
De officier van justitie heeft rechtbank verzocht de wettelijke rente over de genoemde bedragen toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft het directe verband tussen de strafzaak en de kosten om de tattoo op de onderarm van de benadeelde partij te herstellen betwist. Dat het strafbare feit heeft geleid tot een litteken wordt niet betwist, maar de raadsvrouw heeft erop gewezen dat in verband met onder meer dit litteken ook vergoeding van immateriële schade wordt gevorderd. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht deze post af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige heeft de verdediging de materiële kosten niet betwist.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verder verzocht de vergoeding voor immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 3.500,-.
8.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Met betrekking tot de gevorderde kosten voor herstel van een tatoeage overweegt de rechtbank dat de verdachte de benadeelde partij een snijwond op de linkerarm heeft toegebracht. Uit foto’s in het dossier blijkt dat deze wond deels door de getatoeëerde huid loopt. Het rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde feit en de beschadiging van de tatoeage is daarmee gegeven. Dit betreft materiële schade, die voor vergoeding in aanmerking komt. Dat het ontstane litteken mede ten grondslag ligt aan de gevorderde immateriële schade doet daar niet aan af. De rechtbank wijst deze post toe als gevorderd.
De overige gestelde materiële schadeposten zijn door de verdediging niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen. In totaal wordt wegens materiële schade een bedrag van € 2.882,53 toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde poging tot doodslag immateriële schade heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
In dit geval is sprake van lichamelijk letsel doordat de verdachte de benadeelde partij met een baksteen op het hoofd heeft geslagen en hem een snijwond in de onderarm en een steekwond in de flank heeft toegebracht.
Ook is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met voldoende concrete gegevens onderbouwen, zodat het bestaan van geestelijk letsel objectief kan worden vastgesteld. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (Hoge Raad 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465). De benadeelde partij is slachtoffer geworden van een heftige aanval door de verdachte met een baksteen en een mes en heeft moeten vrezen voor zijn leven. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van deze normschending maken dat de nadelige gevolgen hiervan zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogde van deze schadevergoeding heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van het feit en het daardoor ontstane lichamelijk letsel en psychische schade. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters in Nederland worden toegewezen. Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 7.500,- komt de rechtbank billijk voor.
De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst aanbrengen bij de civiele rechter.
Toekomstige schade
De rechtbank is met betrekking tot de post van toekomstige materiële en immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze schade daadwerkelijk zal lijden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit.
Wettelijke rente en kosten
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 20 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
8.5.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr opleggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 287 het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

10.Beslissing

De rechtbank:
 Verklaart
bewezendat de verdachte het
primairten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
 Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
12 (twaalf) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een
proeftijdvast van
twee jaren.
Stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaardendie gelden gedurende de proeftijd
:
Meldplicht bij de reclassering
De verdachte meldt zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland, Oostvest 60, 2011 AK Haarlem. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Contactverbod
De verdachte legt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum en -plaats 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Locatieverbod
De verdachte bevindt zich niet op het adres [adres 3], in Velserbroek, of in het gedeelte van Beverwijk dat wordt omsloten door de rijksweg A9 en de rijksweg A22, met uitzondering van die rijkswegen en de toe- en afritten daarvan.
Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.
De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
 Verklaart
verbeurd:
- 1 mes (voorwerpnummer 1722171)
- 1 steen (voorwerpnummer 1722173).
 Gelast de
teruggave aan de verdachtevan:
  • 1 jas (voorwerpnummer 1722013)
  • 1 paar schoenen (voorwerpnummer 1722014)
  • 1 trui (voorwerpnummer 1722015)
  • 1 shirt (voorwerpnummer 1722016)
  • 1 broek (voorwerpnummer 1722017).
 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 10.382,53 (tienduizend driehonderdtweeëntachtig euro en drieënvijftig cent), bestaande uit € 2.882,53 als vergoeding voor de materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
 Legt de verdachte als
schadevergoedingsmaatregelten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 10.382,53 (tienduizend driehonderdtweeëntachtig euro en drieënvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 76 (zesenzeventig) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst afhet verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H. Bakker, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 januari 2026.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2010-2011, 32 551, nr. 3, pg 7.