Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6423

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/15/377757 / KG ZA 26-248
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming perceel wegens verblijf zonder recht of titel

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers dat de gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van een perceel dat zij inmiddels in eigendom hebben. De gedaagde was voormalig eigenaar en had toegezegd het perceel uiterlijk 1 april 2026 ontruimd op te leveren, maar heeft dit niet gedaan vanwege het ontbreken van een vervangende locatie.

Eisers sommeerden de gedaagde tot ontruiming, die deels werd betwist. Daarnaast vorderden eisers dat de mestkelder op het perceel zou worden leeggezogen en de mest afgevoerd, hetgeen door de gedaagde werd betwist omdat hij de mestkelder niet gebruikte en deze al halfvol grondwater stond.

De rechtbank oordeelt dat de gedaagde zonder recht of titel op het perceel verblijft en wijst de ontruimingsvordering toe. De vordering tot het zuigen en afvoeren van mest wordt afgewezen omdat de mestkelder volgens de onbetwiste stellingen gevuld is met grondwater en niet met mest.

De dwangsom wordt gematigd tot €250 per dag met een maximum van €25.000. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot ontruiming van het perceel en wijst de vordering tot zuigen en afvoeren van mest af.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/377757 / KG ZA 26-248
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

2.
[eiser 2] B.V.,
beiden te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.C.I. Veerman,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon verschenen.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert de eigenaar van een perceel, dat de gedaagde partij wordt veroordeeld tot ontruiming van zijn perceel. De gedaagde partij is de voormalig eigenaar van het perceel en heeft toegezegd uiterlijk 1 april 2026 het perceel ontruimd op te zullen leveren. Daarnaast wil de eisende partij dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om de in de mestkelder aanwezige mest weg te (laten) zuigen en afvoeren. De voorzieningenrechter wijst de vordering tot ontruiming toe, omdat de gedaagde partij zonder recht of titel op het perceel verblijft. De vordering tot het (laten) zuigen en afvoeren van mest wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte overlegging producties met producties 1 t/m 11 van [eisers]
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- namens [eisers] : [betrokkene] , bijgestaan door mr. Veerman voornoemd
- [gedaagde] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] was eigenaar van het perceel grond met de zich daarop bevindende opstallen aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 2] (hierna: het perceel). Wegens het niet nakomen van verplichtingen uit een hypotheekakte is het perceel op 9 juli 2025 teruggeleverd aan de voormalig eigenaar van het perceel. Nog diezelfde dag is het perceel (door)geleverd aan [eisers]
2.2.
In een brief van 3 februari 2026 hebben [eisers] [gedaagde] gesommeerd om binnen zeven dagen het perceel ontruimd op te leveren.
2.3.
In reactie hierop heeft [gedaagde] laten weten dat het pand rechtmatig in gebruik is en hij tijd nodig heeft om het pand op te leveren en om vervangende bedrijfs- en/of opslagruimte te vinden. In dit bericht heeft [gedaagde] bevestigd dat hij het pand per 1 april 2026 leeg, ontruimd en vrij van huur en gebruik zal opleveren. [eisers] hebben aan [gedaagde] bevestigd dat ontruiming van het perceel per 1 april 2026 akkoord is.
2.4.
Op 1 april 2026 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eisers] bericht dat hij nog geen geschikt vervangend pand heeft gevonden waardoor hij de geplande oplevering niet binnen de afgesproken termijn kan realiseren. Daarnaast heeft [gedaagde] verzocht om twee van de vijf loodsen te huren. Op 10 april 2026 hebben [eisers] aan [gedaagde] medegedeeld dat daartoe geen bereidheid bestaat en dat [gedaagde] wordt gehouden aan zijn toezegging om het perceel te verlaten.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen [gedaagde] te veroordelen:
I. om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis
a) het perceel van eisers, te weten de stolpboerderij met diverse bedrijfsopstallen,
erf(verharding) en ondergrond, staande en gelegen te [plaats 2] , gemeente [gemeente 2], aan de [adres] ( [postcode] ), kadastraal bekend gemeente [gemeente 1] , [kadaster nummer] , te verlaten waarbij [gedaagde] de door hem gebruikte opstallen ontruimd en schoon dient op te leveren;
b) de in de mestkelder aanwezige mest weg te (laten) zuigen en af te voeren;
een en ander onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000, voor elke dag dat [gedaagde] niet aan dit vonnis voldoet;
II. in de kosten van deze procedure, waaronder (na)salaris advocaat.
3.2.
[gedaagde] voert (gedeeltelijk) verweer. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij het perceel nog niet heeft verlaten omdat hij nog geen vervangende locatie heeft gevonden. Daarnaast betwist [gedaagde] dat hij verplicht zou zijn om mest te (laten) zuigen en af te voeren, aangezien hij de mestkelder niet heeft gebruikt. Volgens [gedaagde] zat – toen hij de eigendom van het perceel verkreeg – de mestkelder al halfvol grondwater en is dit nu nog steeds het geval.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij zonder recht of titel op het perceel verblijft. De gevorderde ontruiming van het perceel zal daarom worden toegewezen.
4.2.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen de in de mestkelder aanwezig mest te (laten) zuigen en af te voeren zal wel worden afgewezen. [gedaagde] heeft verklaard dat hij geen mest in de mestkelder heeft gestort dan wel laten storten. Volgens [gedaagde] staat de mestkelder al vanaf dat hij de eigendom van het perceel verkreeg halfvol grondwater. [eisers] hebben de stelling dat de mestkelder met grondwater kan vollopen onbetwist gelaten. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat de thans in de mestkelder aanwezige substantie grondwater betreft.
4.3.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling tot ontruiming wordt voldaan, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt.
4.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.226,57

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis het perceel, te weten de stolpboerderij met diverse bedrijfsopstallen, erf(verharding) en ondergrond aan [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisers] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
1589