Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6369

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/15/378571 / JU RK 26-863
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 1:265b BWArt. 7 Verordening Brussel-II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in netwerkpleeggezin

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam verzocht op 1 juni 2026 om een spoedmachtiging tot wijziging van het verblijf van een minderjarige naar een netwerkpleeggezin. De minderjarige verbleef sinds 9 april 2026 in een crisisgezinshuis vanwege verbaal en fysiek geweld thuis. De oorspronkelijke machtiging tot uithuisplaatsing was verleend tot 9 juli 2026.

De kinderrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is en dat Nederlands recht van toepassing is conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. De GI had intensief gezocht naar een duurzame verblijfplek, maar vond alleen een tijdelijke netwerkplek bij een vriendin en haar ouders, waar de minderjarige zich veilig voelt en niet terug wil naar het buitenland.

De kinderrechter oordeelde dat het noodzakelijk is de minderjarige uit huis te plaatsen in het belang van haar verzorging en opvoeding. Gezien het onmiddellijke gevaar kon geen zitting worden afgewacht. De machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom gewijzigd en direct uitvoerbaar verklaard tot 9 juli 2026. Verdere behandeling van het verzoek werd aangehouden en een zitting gepland.

Uitkomst: De kinderrechter verleent spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin tot 9 juli 2026, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378571 / JU RK 26-863
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] , thans feitelijk verblijvende te [land] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de GI op 1 juni 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een crisisgezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 9 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening, welke machtiging vervolgens bij beschikking van
29 april 2026 is verlengd tot 9 juli 2026.
3.
Het verzoek
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging in het verblijf van [de minderjarige] naar een netwerkpleeggezin en aansluitend een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Door de omstandigheid dat de moeder en [de minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. [1]
4.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] is op 9 april 2026 geplaatst in een crisisgezinshuis omdat haar veiligheid thuis niet gewaarborgd kon worden. Er was sprake van verbaal en fysiek geweld door moeder en stiefvader, met name richting [de minderjarige] . [de minderjarige] gaat voor een lange periode niet naar school en is meerdere keren weggelopen van huis. Op dit moment beschikt jeugdbescherming over een machtiging uithuisplaatsing bij een jeugdhulpaanbieder, op grond waarvan [de minderjarige] momenteel verblijft in een crisisgezinshuis. Dit verblijf was oorspronkelijk bedoeld voor één maand, maar is reeds verlengd naar twee maanden. Dit verblijf is geëindigd per 1 juni 2026, waardoor met spoed een alternatieve verblijfplek noodzakelijk is. In de afgelopen periode heeft de GI intensief gezocht naar een passende en duurzame vervolgplek, maar dit heeft tot op heden nog niet het gewenste resultaat opgeleverd.
4.4.
Als tijdelijke en passende tussenoplossing is er een netwerkplek gevonden, namelijk bij een vriendin en haar ouders. [de minderjarige] voelt zich daar veilig en welkom en geeft zelf aan hier graag te willen verblijven. Zij heeft aangegeven in ieder geval niet terug te willen naar [land] . Het betreffende gezin bestaat uit vader, moeder, een vriendin van [de minderjarige] , een oudere zus (16 jaar) en steunfiguur opa, die mede toezicht kan houden. [de minderjarige] , en het netwerkgezin, zijn zich ervan bewust dat het om een tijdelijke oplossing gaat. De plaatsing in het netwerkgezin is van tijdelijke aard. Om deze redenen wordt het netwerkgezin ingezet als een tijdelijke oplossing, in afwachting van een meer passende en duurzame plek en begeleiding die beter aansluiten bij haar ondersteuningsbehoeften.
4.5.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom verleent de kinderrechter toestemming aan de GI om de verblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, voor de duur van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 9 juli 2026.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , in een netwerkpleeggezin, met ingang van 1 juni 2026 tot 9 juli 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI en de moeder op voor de zitting van mr. E.I. Terborg-Wijnaldum op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door
mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van Pro de Verordening Brussel-II-ter
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).