ECLI:NL:RBNHO:2026:6342

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/11991459
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over betwisting jaarafrekening servicekosten gasverbruik studentenwoning

De zaak betreft een geschil tussen Woonwaard en een huurder over de jaarafrekening servicekosten 2024, specifiek het gasverbruik voor verwarming van een studentenwoning. De huurder betwist de juistheid van de afrekening, onder meer omdat de beginmeterstanden ontbreken en zij twijfelt aan de werking van de gasmeters. Woonwaard heeft de afrekening opgesteld via Techem en stelt dat de meteropnames juist zijn.

De Huurcommissie heeft eerder geoordeeld dat de betalingsverplichting van de huurder lager is dan door Woonwaard opgegeven, maar Woonwaard is tegen dit oordeel in beroep gegaan. Tijdens de procedure bij de kantonrechter is gebleken dat de beginmeterstanden niet op de afrekening zijn vermeld en dat Woonwaard hierop nog niet inhoudelijk heeft gereageerd.

De kantonrechter acht het noodzakelijk dat Woonwaard alsnog schriftelijk reageert op het verweer van de huurder over het ontbreken van de beginmeterstanden. Daarom wordt de zaak naar de rol verwezen voor een akte van Woonwaard, waarna verdere beslissing wordt aangehouden. Dit tussenvonnis is bij vervroeging uitgesproken op 10 juni 2026.

Uitkomst: De kantonrechter houdt verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol voor een akte van verhuurder over het ontbreken van beginmeterstanden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11991459 \ CV EXPL 25-4601 WD
Vonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
STICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,
te Alkmaar,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonwaard,
gemachtigde: mr. M.J. Dekker,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het mondelinge en schriftelijk antwoord van [gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 24 december 2025;
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waar beide partijen het woord hebben gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de op 15 mei 2026 van de zijde van Woonwaard ingekomen producties 11 tot en met 28.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 2 november 2023 huurt [gedaagde] van Woonwaard een studentenwooneenheid aan de [adres] te [woonplaats] .
2.2.
Op 12 mei 2025 heeft Woonwaard aan [gedaagde] de jaarafrekening servicekosten over 2024 verzonden. De afrekening is als volgt:
2.3.
Op 20 mei 2025 heeft [gedaagde] het bedrag van € 2.001,70 aan Woonwaard betaald.
2.4.
Op 7 juli 2025 heeft [gedaagde] bij de Huurcommissie een verzoekschrift ingediend waarin zij de Huurcommissie heeft verzocht om een oordeel te geven over de door Woonwaard aan [gedaagde] gezonden jaarafrekening.
2.5.
Op 30 september 2025 heeft de Huurcommissie uitspraak gedaan. De in de uitspraak opgenomen beslissing luidt als volgt:
- De aan het verzoek ten grondslag liggende bezwaren van de huurder zijn kennelijk gegrond.- De betalingsverplichting van de huurder voor de servicekosten over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 bedraagt € 1.645,58.”

3.Het geschil

3.1.
Woonwaard vordert - samengevat - na vermindering van eis ter zitting dat de kantonrechter verklaart voor recht dan wel bepaalt dat de betalingsverplichting van gedaagde met betrekking tot de jaarafrekening 2024 aangaande de woning aan de [adres] te [woonplaats] € 3.621,70 bedraagt.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak draait om de door Woonwaard op 12 mei 2025 aan [gedaagde] verzonden jaarafrekening. De juistheid van deze jaarafrekening staat ter discussie. De Huurcommissie heeft daarover op 30 september 2025 een uitspraak gedaan, waartegen Woonwaard door het uitbrengen van de dagvaarding tijdig [1] is opgekomen. Woonwaard heeft op grond van de wet [2] het recht om tegen het oordeel van de Huurcommissie op te komen. Dat Woonwaard in de procedure bij de Huurcommissie vanwege interne omstandigheden heeft verzuimd om stukken in te dienen en te reageren op het door de Huurcommissie aan Woonwaard toegezonden onderzoeksrapport, maakt dat de onzekerheid over het vervolg langer duurde voor [gedaagde] , hetgeen ongelukkig is. Het doet echter niet af aan dit recht van Woonwaard.
4.2.
De kantonrechter komt toe aan een inhoudelijke beoordeling van de jaarafrekening. Het verschil van mening tussen partijen ziet op de volgende kosten: Warmteverbruik van
€ 2.452,60 en Warmteverbruik algemene ruimte(n) van € 41,55. De overige op de jaarafrekening voorkomende posten zijn niet in geschil en behoeven geen nadere bespreking.
Warmteverbruik van € 2.452,60
4.3.
Met warmteverbruik wordt bedoeld het verbruik van gas dat is benodigd om de gehuurde woning te verwarmen. Tussen partijen staat vast dat de woning wordt verwarmd door middel van twee radiatoren en dat het gasverbruik wordt gemeten door in totaal drie meters, één meter op één radiator en twee meters op de andere (oudere) radiator.
4.4.
[gedaagde] zet vraagtekens bij de juistheid van de werking van de twee meters die op de oudere radiator zijn aangesloten. Volgens haar is er sprake van een dubbeltelling of incorrecte meteropnames. Het door Woonwaard aan [gedaagde] opgegeven gasverbruik is niet logisch gelet op haar woonsituatie. Ze woont alleen in een kleine studio, stookt weinig, maar wordt desondanks geconfronteerd met een volgens haar extreem hoog verbruik. Daarnaast ontbreken de beginstanden op de jaarafrekening. [gedaagde] heeft hierover vragen gesteld aan Woonwaard, maar deze worden niet, althans niet afdoend, beantwoord. De communicatie hierover door Woonwaard is gebrekkig, aldus [gedaagde] .
4.5.
Woonwaard heeft één en ander gemotiveerd weersproken en hiertoe het volgende naar voren gebracht. Woonwaard heeft de door [gedaagde] aan haar gezonden vragen doorgestuurd naar Techem, een door Woonwaard ingeschakeld energiebedrijf. Uit het door Techem gegeven antwoord blijkt dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat er twee meters zijn aangesloten op de oudere radiator. Beide meters registreren de helft van het gasverbruik via de betreffende radiator, aldus Woonwaard.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. [gedaagde] heeft aan haar betwisting van het door Woonwaard bij haar over 2024 in rekening gebrachte gasgebruik - onder meer - ten grondslag gelegd dat zij niet beschikt over de beginmeterstanden. De kantonrechter heeft vastgesteld dat deze meterstanden niet zijn opgenomen op de door Woonwaard aan haar vordering ten grondslag gelegde afrekening, die door Techem is opgesteld [3] . Dit onderwerp – het ontbreken van beginmeterstanden op de door Techem opgestelde afrekening - is geen onderwerp van debat geweest op de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, reden waarom een inhoudelijke reactie van Woonwaard op dit verweer tot dusver achterwege is gebleven. De kantonrechter ziet aanleiding om Woonwaard in de gelegenheid te stellen om bij akte alsnog op dit verweer te reageren. De kantonrechter zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 8 juli 2026voor een akte aan de zijde van Woonwaard over hetgeen onder 4.5. is overwogen,
5.2.
hoedt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Binnen de wettelijke termijn die is genoemd artikel 7:262 lid 1 BW Pro
2.Zie artikel 7:262 lid 1 BW Pro
3.Zie productie 5 bij dagvaarding