Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6336

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/15/377874 / KG RK/ 26/383
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken advocaatondertekening

Verzoekers hebben een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een handelszaak, waarin zij zelf procederen zonder advocaat. De wrakingskamer stelde verzoekers in de gelegenheid het verzoek alsnog door een advocaat te laten ondertekenen, maar zij slaagden hier niet in.

De hoofdzaak betreft een vordering tot medewerking aan de verkoop van een woning, waarbij verzoekers verweer voeren en een tegenvordering hebben ingesteld. De mondelinge behandeling was gepland op 12 mei 2026, maar de advocaat van verzoekers had zich eerder onttrokken en een verzoek tot uitstel werd afgewezen.

Verzoekers voerden aan dat het ontbreken van een advocaat in de regio Noord-Holland hen de toegang tot de rechter ontzegt, verwijzend naar artikel 6 EVRM Pro. De wrakingskamer oordeelde echter dat vaste jurisprudentie vereist dat in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging een schriftelijk wrakingsverzoek door een advocaat moet worden ondertekend.

Omdat verzoekers deze eis niet hebben vervuld en geen uitzondering kon worden gemaakt, werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatondertekening.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/377874/ KG RK 26/383
Beslissing van 2 juni 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekers] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
procederend in persoon,
hierna te noemen: verzoekers.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. J.S. Reid,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoekers hebben bij e-mailbericht van 12 mei 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton en Bewind, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/361369 HA ZA 25/47, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2.
Op 12 mei 2026 heeft de griffie van de wrakingskamer verzoekers in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 26 mei 2026 het wrakingsverzoek door een advocaat te laten ondertekenen.
1.3.
Op 26 mei 2026 hebben verzoekers de wrakingskamer bericht, kort gezegd, dat zij hierin niet zijn geslaagd.
1.4.
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.Uitgangspunten

2.1
De hoofdzaak betreft een handelszaak. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben als eisers jegens verzoekers als gedaagden een vordering ingesteld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van een woning. Verzoekers voeren verweer tegen deze vordering en hebben een tegenvordering ingesteld.
2.2
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak was bepaald op 12 mei 2026 om 13:30 uur. Op 14 april 2026 heeft de advocaat van verzoekers zich aan de zaak onttrokken. Op 7 mei 2026 hebben verzoekers de rechter verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen teneinde hen in staat te stellen een nieuwe advocaat te vinden. Op dezelfde datum heeft de rechter dit verzoek afgewezen.
2.3
Het wrakingsverzoek is op 12 mei 2026 om 13:09 uur door de rechtbank ontvangen. De geplande mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft geen doorgang gevonden en is aangehouden in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer.

3.Het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoekers voeren ter onderbouwing van hun verzoek, kort gezegd, het volgende aan.
Verzoekers zijn al jarenlang verwikkeld in een groot aantal juridische procedures tegen een vast netwerk van partijen, waartoe – onder andere –Friedberg & Mahn Advocaten behoort. Mr. Friedberg van voornoemd advocatenkantoor is de zus van een bij de rechtbank werkzame rechter. Door de afwijzende beslissing van de rechter op het door verzoekers op
7 mei 2026 ingediende uitstelverzoek, dreigt in de hoofdzaak een verstekvonnis te worden gewezen met het ontstaan van een noodsituatie voor verzoekers tot gevolg. [verzoeker sub 1] is namelijk invalide en daarnaast dreigt cruciaal bewijsmateriaal, dat zich in de woning bevindt, bij ontruiming van de woning onherstelbaar verloren te gaan.

4.De beoordeling

4.1.
De wrakingskamer komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek, omdat het verzoek niet door een advocaat is ondertekend.
4.2.
Uit vaste jurisprudentie (vgl. Hoge Raad 18 december 1998, LJN AD2977) volgt namelijk dat in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, ondertekening door een advocaat bij een schriftelijk verzoek verplicht is. In de hoofdzaak is procesvertegenwoordiging verplicht. Dit brengt mee dat het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekers door een advocaat moet zijn ondertekend. Dat is niet het geval.
4.3.
De wrakingskamer heeft verzoekers op 12 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim uiterlijk 26 mei 2026 te herstellen, maar verzoekers hebben deze mogelijkheid niet benut.
4.4.
Verzoekers hebben de wrakingskamer verzocht het wrakingsverzoek ondanks het ontbreken van de vereiste ondertekening van een advocaat alsnog in behandeling te nemen. Verzoekers hebben ter onderbouwing het volgende aangevoerd. In de regio Noord-Holland is geen advocaat bereid gevonden hen in de hoofdzaak bij te staan. Verzoekers achten het uitgesloten (een “feitelijke onmogelijkheid”) dat zij buiten de regio Noord-Holland een advocaat zullen vinden. Het vasthouden aan de eis van schriftelijke ondertekening, leidt ertoe dat verzoekers de effectieve toegang tot de rechter wordt ontzegd. Verzoekers hebben daarbij verwezen naar artikel 6 EVRM Pro.
4.5.
De door verzoekers aangedragen feiten en omstandigheden vormen voor de wrakingskamer geen aanleiding om een uitzondering te maken op de regel dat een schriftelijk wrakingsverzoek door een advocaat moet worden ondertekend. Uit vaste jurisprudentie volgt dat artikel 6 EVRM Pro door het stellen van deze eis niet wordt geschonden (vlg. Hoge Raad 18 december 1998, LJN AD2977).
4.6.
Dit betekent dat verzoekers niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun wrakingsverzoek.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek,
5.2.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. I.H. Lips en mr. D.D.M. Hazeu, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.